De gemanipuleerde ruiverkaveling in Sint-Oedenrode met gesjoemel in het kadaster


EuroStaete . . EKC . . Klokkenluiders <===> SDN . . Wolmanzouten . . English

Verzoek om herziening van het onherroepelijk vonnis

Henry George (1839-1897): De Aarde behoort toe aan alle levende wezens

't Achterom 9a
5491 XD
Sint Oedenrode
Tel. 0413-490387
Fax. 0413-490386

Van: Ing. A.M.L. van Rooij,
't Achterom 9a
5491 XD Sint Oedenrode

AANTEKENEN met ontvangstbevestiging

Aan:
    Rechtbank 's-Hertogenbosch,
    sector civielrecht,
    Leeghwaterlaan 8,
    5223 BA 's-Hertogenbosch.

Sint Oedenrode, 28 oktober 2004.

Tevens verstuurd per fax 073-6202381

      OPEN BRIEF


Uw kenmerk: 111311/HAZA 04-1247

Bezwaarnummer 243.

Ons kenmerk: Ruil/big/28104/hz.

Betreft:

    A.M.L. van Rooij en J.E.M. van Rooij van Nunen (appellant)/
    Verzoek om herziening als bedoeld in artikel 8:88 Awb van het
    onherroepelijk vonnis nummer 111311/HAZA 04-1247 gewezen
    door mr. E.J.G.M. Bogaerts, mr. I.L.A. Boer en mr. C.M. Lubbers.


Geachte college,

Namens A.M.L. van Rooij en J.E.M. van Rooij van Nunen, wonende aan 't Achterom 9a, 5491 XD te Sint Oedenrode, hierna te noemen: appellant, richten wij aan u het nadrukkelijke verzoek om op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht uw op 30 juni 2004, zaaknummer: 111311/HAZA 04-1247 gewezen vonnis, op grond van nieuwe feiten te herzien. Een kopie van betreffend vonnis vindt u bijgevoegd (productie 1).

Herziening van deze onherroepelijk geworden uitspraak is mogelijk op grond van feiten of omstandigheden die:

  • hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak
  • bij de indiener van het verzoekschrift voor de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
  • waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Wij verzoeken u opgemeld vonnis te herzien op grond van de volgende nieuwe feiten:


Nieuwe feiten

Appellant had op 19 oktober 2004 het vonnis in opgemeld zaaknummer: 111311/HAZA 04-1247, nog steeds niet van uw rechtbank ontvangen. Om die reden heeft appellant bij brief van 19 oktober 2004 u verzocht om per kerende post een afschrift van betreffend vonnis te laten toekomen (productie 2).

Dit omdat per 1 november 2004 het plan van toedeling wordt vastgesteld en door een daartoe aangewezen notaris de akte van toedeling wordt opgemaakt. Dit betekent dat daarmee de ingebrachte rechten zijn vervallen. Bij een later eigendomsonderzoek hoeft men niet verder terug te gaan dan de akte van toedeling. Per fax van 20 oktober 2004 heeft appellant betreffend vonnis voor het eerst onder ogen gekregen

Appellant is op 21 oktober 2004 voor het eerst in het bezit gekomen van een afschrift van de brief d.d. 9 februari 2000, kenmerk: Oed/2000/7691, van J.N. Frumau, secretaris van de landinrichtingscommissie, inzake vaststelling peildatum landinrichtingsproject Sint Oedenrode blok Schijndel op 1 april 2000. In die brief staat letterlijk het volgende (productie 3):


uw brief van       uw kenmerk ons kenmerk      datum
            Oed/2000/7691

onderwerp          doorkiesnummer		bijlagen
Vaststelling peildatum      013-5950669(Dub-       -
landinrichtingsproject      belhuis)
Sint Oedenrode     013-5950657
blok Schijndel op 1-4-2000  (Frumau)

Geachte heer/mevrouw,

De Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling Sint-Oedenrode heeft voor het blok "Schijndel" de peildatum vastgesteld op 1-4-2000. Wat dit inhoudt wordt hierna vermeld. De peildatum is een door de landinrichtingscommissie vastgestelde datum, waarop het plan van toedeling is opgemaakt. De eigendomssituatie geldt als de rechtstoestand voor het plan van toedeling.

Concreet betekent dit, dat alle tot de peildatum bij notariële akten ingeschreven veranderingen bij het Kadaster verwerkt zijn in het plan van toedeling. Met andere woorden de tenaamstelling is aangepast aan die van de nieuwe eigenaar. Wat niet wil zeggen dat de toedeling is aangepast aan de wens van de nieuwe eigenaar. Het is daarom van belang, als u grond koopt, een wens hierover uit te brengen.

De veranderingen in de rechtstoestand na de peildatum worden niet meer meegenomen in het plan van toedeling en dat kan verstrekkende gevolgen hebben. Koopt u na de peildatum een perceel grond, dan is het mogelijk dat dit perceel niet meer op die plaats wordt toegedeeld waar het nu ligt. Dit kan zijn omdat de verkoper het elders gewenst heeft of omdat de landinrichtingscommissie dit perceel wil verleggen. Kortom als koper van grond op of na de peildatum, breekt voor u een onzekere tijd aan. Deze onzekerheid duurt tot het tijdstip waarop het plan van toedeling ter inzage wordt gelegd. Met betrekking tot een aankoop op of na de peildatum hanteert de landinrichtingscommissie het principe: "de koper volgt de verkoper in diens toedeling".

Met andere woorden: u koopt een deel van de toedeling van de verkoper. Dient u hierover een bezwaar in tegen het plan van toedeling dan zal ook de rechtbank in het algemeen in deze hetzelfde uitgangspunt hanteren als de landinrichtingscommissie. De peildatum van het plan van toedeling is verder van belang, omdat bij de berekening van de landinrichtingskosten deze datum het uitgangspunt is. Dus op of na de peildatum koopt u niet alleen de grond van de verkoper, maar neemt u ook (een deel van) de landinrichtingskosten van de verkoper voor uw rekening. Voor meer informatie kunt u bellen met bovengenoemde nummers of langskomen op het spreekuur iedere 1e en 3e dinsdag van de maand van 9.30 - 12.00 uur (Ollandseweg 86 , St. Oedenrode)

DE LANDINRICHTINGSCOMMISSIE SINT-OEDENRODE J.N. Frumau, secretaris.

Deze brief heeft de landinrichtingscommissie voor en tijdens de hoorzitting op 16 juni 2004 in deze zaak voor u en mij achtergehouden. Met de inhoud van deze brief is feitelijk komen vast te staan dat het plan van toedeling uitgaat van de werkelijke situatie zoals die was op de peildatum van 1 april 2000. De eigendomssituatie op 1 april 2000 geldt als de rechtstoestand voor het plan van toedeling.

Bijgevoegd vindt u de notariële akte van 18 juni 1973 uit het dossier van het Kadaster, ingeboekt onder nummer 3887/56/82 op 20 juni 1973, inzake de eigendomssituatie van A.J.P Essens, zijnde kavel 181.106 (productie 4).

In betreffende notariële akte die vanaf 18 juni 1973 in het bezit is van het Kadaster staat letterlijk het volgende:


Heden, de achttiende juni negentienhonderd drieënzeventig,
verschenen voor mij, Johannes Petrus Martinus van Schaijk, no-
taris ter standplaats Sint-Oedenrode:------------------------------
1. de in algehele gemeenschap van goederen en beiden in eerste
echt gehuwde echtelieden de heer Adrianus Josephus Essens, land-
bouwer, en mevrouw Cornelia van de Loo, zonder beroep, beiden -
wonende te Sint-Oedenrode, 't Achterom 5;--------------------------
2. mevrouw Hendrika Petronella Maria Essens, zonder beroep, wo-
nende te Liempde, Kasterensestraat 17, geboren negen februari -
negentienhonderd drieënveertig, echtgenote van de Marinus
Andreas van de Laar;-----------------------------------------------
3. mevrouw Adriana Johanna Petronella Essens, zonder beroep, wo-
nende te Sint-Oedenrode, 't Achterom 5a, geboren vijftien de-
cember negentienhonderd vijfenveertig, echtgenote van de heer 
Marinus Adrianus Cornelius van den Biggelaar.----------------------
Comparanten sub 1 verklaarden te hebben verkocht en in volle en
vrije eigendom over te dragen aan comparante sub 2, die verklaar-
de gekocht te hebben en in eigendom aan te nemen:------------------
enige percelen grond/gelegen te Olland, onder de gemeente Sint-
Oedenrode, kadastraal bekend gemeente Sint-Oedenrode sectie I
nummers 3391, 861, 862 en 863 en sectie A nummer 1799 tezamen
groot twee hektaren zevenenzestig aren zestig centiaren;-----------
zulks voor een koopprijs van veertienduizend vijfhonderd gulden
(f. 14.500,--).----------------------------------------------------
Comparanten sub 1 verklaarden voorts onder voorbehoud van het
na te melden recht van gebruik en bewoning, te hebben verkocht
en deels in volle en overigens bezwaarde eigendom over te 
dragen aan comparante sub 3, die verklaarde onder bezwaar van
dat recht van gebruik en bewoning te hebben gekocht en in eigen-
dom aan te nemen:--------------------------------------------------
een woonhuis, plaatselijk bekend 't Achterom 5, met stal, schuur
verdere bijgebouwen, erf, bouw- en weiland, alsmede een woon-
huis, plaatselijk bekend 't Achterom 5a, met erf, alles staande
en gelegen te Olland, onder de gemeente Sint-Oedenrode, kada-
straal bekend gemeente Sint-Oedenrode sectie I nummers 2751, 822,
2402 en 829), tezamen groot twee hektaren vierenzestig aren zes-
entwintig centiaren;-----------------------------------------------
zulks voor een koopprijs van vijfendertigduizend vijfhonderd-
vijfentachtig gulden (f. 35.585,--).-------------------------------
Comparanten verklaarden deze overeenkomsten van verkoop en koop
te hebben aangegaan onder de navolgende bedingen:------------------
1.Door de verkopers wordt te hunnen behoeve, gezamenlijk en-
bij opvolging, voorbehouden het zakelijk recht van gebruik en-
bewoning van het woonhuis, plaatselijk bekend 't Achterom 5,--
, stal, en schuur, deel uitmakende van het voormelde kada-
strale perceel sectie I nummer 2751, groot ongeveer een are zes-
tig centiaren.-----------------------------------------------------
Dit recht van gebruik en bewoning zal behalve bij het overlij-
den van de langstlevende van de verkopers ook eindigen, indien
deze de woning, waarop dat recht rust, zullen hebben verlaten,
met de kennelijke bedoeling elders te gaan wonen en dit elders-
wonen zes maanden zal hebben geduurd.------------------------------

Mevrouw C. van der Loo is op 25 mei 1997 overleden en de heer A.J. Essens is op 19 november 1997 overleden. Dit betekent dat op grond van bovengenoemde notariële akte, die al vanaf 20 juni 1973 in het bezit is van het Kadaster, feitelijk bekend is dat kavel 181.106 vanaf 19 november 1997 in volle vrije eigendom is van mevrouw A.J.P. Essens.

Hiermee is feitelijk komen vast te staan dat ten tijde van de peildatum van 1 april 2000 kavel 181.106 al bijna 2,5 jaar lang in volle eigendom was van A.J.P. Essens en dit ook bij het Kadaster erg goed bekend was. Ondanks deze harde feiten schrijft u in het in geding zijnde vonnis, zaaknummer 111331/HAZA 04-1247, van 30 juni 2004 hierover letterlijk het volgende:

De vaststaande feiten

Kavel 181.106 is toebedeeld in bloot eigendom aan mevr. A.J.P. Essens, met recht van gebruik en bewoning voor A.J. Essens en mevr. C. van de Loo. A.J. Essens en C. van de Loo zijn reeds overleden.

Het bezwaar

3.1. Reclamanten maken bezwaar tegen het feit dat een gedeelte van kavelnummer 181.106 is toegedeeld aan C. v.d. Loo, die niet meer in leven is. Reclamanten kunnen zich niet voorstellen dat gronden en/of gebruik en bewoning van die gronden worden toegedeeld aan personen die niet meer in leven zijn.

3.2. De commissie heeft het volgende standpunt naar voren gebracht. De commissie maakt het plan van toedeling op naar de rechtstoestand zoals die haar op de peildatum op basis van de kadastrale registratie bekend is. Op de peildatum rustte er een recht van gebruik en/of bewoning op de onderhavige kavel ten behoeve van A.J. Essens en C. van de Loo. Ook al heeft de commissie wetenschap van het feit dat een rechthebbende is overleden, dan is zijn nog niet gerechtigd daar bij de toedeling op enigerlei wijze rekening mee te houden, bijvoorbeeld door de tenaamstelling te wijzigen. Aanpassing van de tenaamstelling in de kadastrale registratie is slechts mogelijk na inschrijving van een door de notaris op te maken verklaring van erfrecht. De commissie vraagt zich af op welke wijze het belang van reclamanten is geschaad bij toedeling van het recht van gebruik en/of bewoning aan een overledene. De commissie neemt aan dat reclamanten niet zelf aanspraak menen te kunnen maken op de toedeling van dat recht.

3.3. Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd zal de rechtbank voor zover relevant onder de beoordeling bespreken.

De beoordeling

4.1. De bezwarenprocedure die is gegeven in de artikelen 200 e.v. van de Landinrichtingswet strekt niet tot het rechtzetten van administratieve onvolkomenheden die het belang van reclamanten niet raken. Reclamanten hebben naar het oordeel van de rechtbank geen rechtens te respecteren belang bij hun bezwaar. De rechtbank zal daarom het bezwaar van reclamanten ongegrond verklaren.

4.2. Reclamanten zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.


Het is hierbij goed te weten dat M.A. (Rien) van de Laar is getrouwd met de volle zus van mevr. A.J.P. Essens, te weten: H.P.M. Essens die ook in bovengenoemde notariële akte staat vernoemd (productie 4). Dus als iemand op de hoogte moet zijn van deze akte is het M.A. van de Laar. Mevrouw C. van der Loo en de heer A.J. Essens zijn namelijk de schoonmoeder en schoonvader van M.A. van de Laar.

Als iemand op de hoogte moet zijn dat C. van der Loo en A.J. Essens in 1997 zijn overleden dan is dat M.A. van de Laar toch wel. Het zijn namelijk zijn eigen schoonmoeder en schoonvader. Dit alles heeft M.A. van de Laar opzettelijk voor de rechtbank verzwegen.

U bent wettelijk verplicht om uw onherroepelijke uitspraak op deze nieuwe feiten te herzien. Dit des te meer in tegenstelling met hetgeen u heeft geoordeeld dit het belang van appellanten (reclamanten) zwaar raakt en wel op grond van de volgende feiten: In uw vonnis van 30 juni 2004 in zaaknummer 111307/HAZA 04-1245 schrijft u hebt u letterlijk het volgende beoordeeld:

De beoordeling

4.1. Bij gelegenheid van de behandeling voor de meervoudige kamer, heeft reclamant aangevoerd dat hij van mening is dat het pad op kavelnummer 181.117 een cultuurhistorisch waardevol pad is, dat behouden moet blijven.

Reclamant stelt zich op het standpunt dat hij net zo goed als Brabant Landschap daarvoor zorg kan dragen. De rechtbank is van oordeel dat cultuurhistorisch waardevolle elementen zoveel mogelijk dienen te worden toegedeeld aan natuurbehorende instanties, zoals het Brabants Landschap. Bovendien heeft het pad een ontsluitingsfunctie ten behoeve van de erven Bekkers en is het niet door reclamant ingebracht. De rechtbank is van oordeel dat reclamant in vergelijking met de inbreng een zeer goede toedeling krijgt. De rechtbank zal daarom het bezwaar van reclamant ongegrond verklaren.


Datzelfde cultuurhistorische waardevol pad, dat behouden moet blijven, loopt ook door de kavel van A.J.P. Essens; in het plan van toedeling door nummer 1110809. Betreffend pad in dat perceel is nog van veel hogere cultuurhistorische waarde omdat aan de zijkant van het pad een oude sloot een zeer oude knotwilgen zijn gelegen. Dat is niet het geval is met het pad uit het vonnis in zaaknummer 111307/ HAZA 04-1245.

Appellant heeft een grondgebonden agrarisch bedrijf en heeft economisch groot belang met het feit dat het huisperceel een aaneengesloten geheel vormt. A.J.P. Essens heeft daarentegen geen grondgebonden agrarisch bedrijf en heeft geen enkel belang met een aaneengesloten huisperceel. De enige die daar belang bij heeft is landinrichtingscommissielid M.A. van de Laar (zwager van A.J.P. Essens) die betreffende grond van A.J.P. Essens in gebruik heeft. De ontsluitingsfunctie ten behoeve van de erven Bekkers kan ook plaatsvinden vanuit 't Achterom door het bestaande pad van een veel hogere cultuurhistorische waarde (vanwege oude langsliggende sloot en oude knotwilgen) over de grond van A.J.P. Essens. Daarmee wordt het perceel van A.J.P. Essens, die geen grondgebonden agrarisch bedrijf heeft, doorsneden en krijgt appellant, die wel een grondgebonden agrarisch bedrijf heeft, een aaneengesloten huisperceel.

Het moge u duidelijk zijn dat uit eigenbelang landinrichtingscommissielid M.A. van de Laar het gebruik van betreffend perceel heeft toegewezen aan de ten tijde van de peildatum van 1 april 2000 al bijna 2,5 jaar lang overleden A.J. Essens en C. van de Loo omdat die in betreffende notariële akte van 18 juni 1973 als landbouwer stonden geregistreerd (productie 4). Daarmee heeft hij op papier een grondgebonden agrarisch bedrijf weten te bewerkstelligen, terwijl dat feitelijk er al zo'n 30 jaar niet meer is.

Met dit gepleegde strafbaar feit heeft landinrichtingscommissielid M.A. van de Laar weten te bewerkstelligen dat hijzelf, die betreffende agrarische grond in gebruik heeft, een aaneengesloten perceel heeft toegedeeld gekregen zonder daar vanuit de Landinrichtingwet recht op te hebben.

Het aaneengesloten huisperceel kwam het grondgebonden agrarische bedrijf van appellant toe en niet landinrichtingscommissielid M.A. van de Laar. Hier is zeer nadrukkelijk sprake van een misdrijf gepleegd door M.A. van de Laar. Dit des te meer hij benevens landinrichtingscommissielid ook nog projectvoorzitter is van dit blok "Schijndel" (productie 5).

Het is u maar al te goed bekend dat de ruilverkaveling is bedoeld om grondgebonden agrarische bedrijven te helpen aan een aaneengesloten huiskavel als dat mogelijk is. Het is zeer zeker niet bedoeld om daarmee met misbruik van bevoegdheden en macht landinrichtingscommissielid M.A. van de Laar persoonlijk onrechtmatig te verrijken.


Conclusie.

Op grond van bovengenoemde feiten kan het in geding zijnde vonnis nooit in stand blijven. Wij verzoeken u daarop:

  • Het in geding zijnde vonnis hierop te herzien en te beslissen dat het pad van een veel hogere cultuurhistorische waarde in het perceel van A.J.P. Essens behouden moet blijven en dient te worden toegedeeld aan natuurbehorende instanties, zoals het Brabants Landschap. Bovendien heeft het pad een ontsluitingsfunctie ten behoeve van de erven Bekkers.
  • De ruilverkavelingscommissie te veroordelen in deze proceskosten en eerder gemaakte proceskosten.

De machtiging van appellant vindt u bijgevoegd (productie 6).


Openbaarheid.

Om te voorkomen dat dit misdaadschandaal de doofpot in gaat heb ik dit verzoekschrift laten plaatsen bij de Sociale Databank Nederland (SDN) op internet adres: www.sdnl.nl/ekc-rb35.htm Uw beslissing hierop zal eveneens bij de SDN op internet worden geplaatst.

Hoogachtend,
Ecologisch Kennis Centrum B.V.
voor deze,

ing. A.M.L. van Rooij,
directeur.

Tevens ondertekend door Applelanten:

A.M.L. van Rooij J.E.M. van Rooij van Nunen. ing.A.M.L. van Rooij, veiligheids- en milieudeskundige





C.c.

Bijbehorende producties:

  1. Het in geding zijnde vonnis in zaaknummer 111311/HAZA 04-1247, van 30 juni 2004 van de rechtbank 's-Hertogenbosch (2 pagina's).
  2. De brief van 19 okotber 2004 van A.M.,L. van Rooij aan de rechtbank 's-Hertogenbosch t.a.v. A.A.C. van Heck (1 pagina).
  3. Brief van 9 februari 2000, kenmerk: Oed/2000/7691, van de Landinrichtingscommissie Sint Oedenrode aan geadresseerde (1 pagina).
  4. De notariële akte van 18 juni 1973 uit het dossier van het Kadaster, ingeboekt onder nummer 3887/56/82 op 20 juni 1973 ( 3 pagina's).
  5. Maatschappelijk functies van M.A. (Rien) van de Laar (2 pagina's).
  6. De machtiging van appellant (1 pagina).


Aangifte van het plegen van strafbare feiten door de staatsraden mr. R. Cleton,
dr. J.C.K.W. Bartel, mr. R.J. Hoekstra en mr. P. van Dijk (art. 140 en 225 WvS)

Video van de aangifte valsheid in geschrift door Raad van State en gerelateerde brieven aan
Minister-president W. Kok, minister A. Jorritsma-Lebbink en staatsraad mr. Tjeenk Willink

St-raad Cleton .. St-raad Bartel .. St-raad Hoekstra .. van Dijk


Van:

    A.M.L. van Rooij
    en
    J.E.M. van Rooij van Nunen
    't Achterom 9a,
    5491 XD Sint Oedenrode

AANGIFTE _ (klik voor video)

Aan:

    Regiopolitie Brabant-Noord, Team 2,
    Bosscheweg 60, 5283 WB Boxtel.
    Politieloket Sint Oedenrode,
    Burgemeester Wernerplein 1, Sint Oedenrode.

Sint Oedenrode, 10 april 2002.

Betreft:

    Aangifte van het plegen van strafbare feiten door de staatsraden
    mr. R. Cleton (art.140 en 225 WvS), dr. J.C.K.W. Bartel, (art. 140 en
    225 WvS), mr. R.J. Hoekstra (art. 140 en 225 WvS) en mr. P. van Dijk
    (art. 140, 225 en 310 WvS) van de Afdeling bestuursrechtspraak van
    de Raad van State, inzake ruilverkaveling Sint Oedenrode, blok-Schijndel.


Geachte politiebeambte,

Ik doe hierbij aangifte van de volgende door de staatsraden mr. R. Cleton, dr. J.C.K.W. Bartel, mr. R.J. Hoekstra en mr. P. van Dijk van de Afdeling bestuursrechtspraak gepleegde strafbare feiten.

  1. Mr. R. Cleton (art. 225 WvS).
    Bij uitspraak 200101583/3 van 12 oktober 2001 heeft staatsraad mr. R. Cleton beslist op ons beroepschrift van 21 november 2000 (zie bijlage 1).
    Het onder hoofdstuk 1 beschreven procesverloop is door staatsraad mr. R. Cleton valselijk opgemaakt. Hij verzwijgt daarin dat ons beroepschrift van 21 november 2000, aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, vergezeld ging met ons verzoek om het treffen van voorlopige voorziening van 21 november 2000 aan de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijlage 2 a t/m e).

    Door ons bijbehorend verzoek om het treffen van voorlopige voorziening van 21 november 2000 niet in het procesverloop te vermelden heeft mr. R. Cleton artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State en de artikelen 8:86 en 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht weten te omzeilen en direct uitspraak kunnen doen in de hoofdzaak, zonder onze toestemming en zonder ons te hebben uitgenodigd voor een hoorzitting (zie bijlage 3).

    Staatsraad mr. R. Cleton was al vanaf 4 april 2001 op de hoogte van het feit dat benevens ons beroepschrift van 21 november 2000 er door ons ook een bijbehorend verzoek om voorlopige voorziening van 21 november 2000 was ingediend (zie bijlage 2a t/m 2d). Het onder hoofdstuk 1 beschreven procesverloop in uitspraak 200101583/3 van 12 oktober 2001 heeft staatsraad mr. R. Cleton derhalve opzettelijk valselijk opgemaakt met de bedoeling om zonder hoorzitting en zonder onze toestemming direct uitspraak te kunnen doen in de hoofdzaak met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en ons daarmee te benadelen. Staatsraad mr. R. Cleton maakt zich hierbij dan ook zeer nadrukkelijk schuldig aan het plegen van een strafbaar feit zoals dat staat beschreven in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van strafrecht waarvoor een gevangenisstraf staat van ten hoogste zes jaren en/of een geldboete van de vijfde categorie.


  2. Dr. J.C.K.W. Bartel (art. 225 WvS)
    Tegen de onder 'punt 1' beschreven beroepsuitspraak 200101583/3 van 12 oktober 2001 hebben wij bij brief van 21 november 2001 een verzetschrift ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijlage 3). In het betreffende verzetschrift hebben wij zeer nadrukkelijk aangegeven dat staatsraad mr. R. Cleton de onder 'punt 1' beschreven uitspraak tot stand heeft laten komen in strijd met artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State en de artikelen 8:86 en 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht.

    Daarin hebben we tevens kenbaar gemaakt dat als ons verzetschrift daarop niet gegrond wordt verklaard vanaf heden (op voorhand) alle staatsraden van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zullen worden gewraakt. Deze wraking op voorhand van alle staatsraden was nodig omdat bij ons toen nog niet bekend kon zijn welke staatsraad (staatsraden) de zaak zou (zouden) gaan behandelen, of wij wel uitgenodigd zouden worden voor de hoorzitting en wraking na de uitspraak op het verzetschrift wettelijk niet mogelijk is. Dit betekent dat in deze zaak door enig staatsraad pas uitspraak kan worden gedaan op ons verzetschrift van 21 november 2001 nadat op ons wrakingsverzoek van alle staatsraden was beslist.

    Ingevolge artikel 8:18 van de Algemene wet bestuursrecht dient een wrakingsverzoek te worden behandeld in een meervoudige kamer en dient degene die het wrakingsverzoek heeft ingediend in de gelegenheid te worden gesteld om daarover te worden gehoord. Ondanks deze wetenschap heeft staatsraad dr. J.C.K.W. Bartel niet als meervoudige kamer maar als voorzitter van Kamer 1 van de Afdeling bestuursrechtspraak, zonder ons in de gelegenheid te hebben gesteld daarover te worden gehoord, bij uitspraak 200101583/4 van 25 februari 2002 op ons wrakingsverzoek afwijzend beslist (zie bijlage 4).

    Omdat op ons wrakingsverzoek niet door een meervoudige kamer is beslist, betekent dat deze beslissing in strijd met artikel 8:18 Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen. Hieraan kan dan ook geen enkele rechtskracht worden ontleend. Staatsraad dr. J.C.K.W. Bartel heeft betreffende uitspraak 200101583/4 van 25 februari 2002 valselijk opgemaakt met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en ons daarmee te benadelen.

    Staatsraad dr. J.C.K.W. Bartel maakt zich hierbij dan ook zeer nadrukkelijk schuldig aan het plegen van een strafbaar feit zoals dat staat beschreven in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van strafrecht waarvoor een gevangenisstraf staat van ten hoogste zes jaren en/of een geldboete van de vijfde categorie.


  3. Mr. R.J. Hoekstra (art. 225 WvS).
    Van de onder 'punt 1' door staatsraad mr. R. Cleton en de onder 'punt 2' door staatsraad dr. J.C.K.W. Bartel valselijk opgemaakte beslissingen was staatsraad mr. R.J. Hoekstra op de hoogte. Ondanks die wetenschap heeft hij deze beslissingen opzettelijk gebruikt als waren ze echt en onvervalst om op grond daarvan bij uitspraak van 28 februari 2002 ons verzetschrift van 21 november 2001 ongegrond te verklaren (zie bijlage 5). Staatsraad mr. R.J. Hoekstra maakt zich hierbij dan ook zeer nadrukkelijk schuldig aan het opzettelijk gebruik maken van de onder 'punt 1' en 'punt 2' valselijk opgemaakte beslissingen van zijn collega's om ons daarmee te benadelen. Staatsraad mr. R.J. Hoekstra maakt zich hierbij dan ook zeer nadrukkelijk schuldig aan het plegen van een strafbaar feit zoals dat staat beschreven in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van strafrecht waarop een gevangenisstraf staat van ten hoogste zes jaren en/of een geldboete van de vijfde categorie.


  4. Mr. P. van Dijk (art. 225 WvS en art. 310 WvS).
    Van de onder 'punt 1' door staatsraad mr. R. Cleton, de onder 'punt 2' door staatsraad dr. J.C.K.W. Bartel en de onder 'punt 3' door staatsraad mr. R.J. Hoekstra valselijk opgemaakte beslissingen was staatsraad mr. P. van Dijk op de hoogte. Ook was staatsraad mr. P. van Dijk op de hoogte van het feit dat op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht eerder beslist moest worden op ons verzoek om voorlopige voorziening van 12 november 2000 als op ons bijbehorend beroepschrift van 12 november 2000.

    Ondanks deze wetenschap heeft staatsraad mr. P. van Dijk deze valselijk opgemaakte beslissingen gebruikt als feitelijke onderbouw in strijd met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrechtspraak om bij uitspraak 200101583/5 van 25 maart 2002 te beslissen, dat ons verzoek om het treffen van voorlopige voorziening van 21 november 2000 wordt afgewezen. Dit met de motivering dat er geen sprake meer is van een geding nu bij uitspraak van 12 oktober 2001, no. 200101583/3, de Afdeling op het beroep heeft beslist en bij uitspraak van 28 februari 2002, no. 200101583/4, de Afdeling het verzet daartegen ongegrond heeft verklaard (zie bijlage 6).

    Staatsraad mr. P. van Dijk maakt zich hierbij dan ook zeer nadrukkelijk schuldig aan het plegen van een strafbaar feit zoals dat staat beschreven in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van strafrecht waarvoor een gevangenisstraf staat van ten hoogste zes jaren en/of een geldboete van de vijfde categorie. In die uitspraak heeft staatsraad mr. P. van Dijk tevens beslist dat op grond van die overwegingen voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat en ook niet voor het terugbetalen van de hiervoor betaalde fl. 225,- aan griffierecht. Staatsraad mr. P. van Dijk maakt zich hierbij dan ook zeer nadrukkelijk schuldig aan het onrechtmatig toe-eigenen van fl. 225,- griffierecht waarvoor een gevangenisstraf staat van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vierde categorie.


  5. Mr. R. Cleton, Dr. J.C.K.W. Bartel, mr. R.J. Hoekstra en mr. P. van Dijk (art. 140 WvS).
    Een verzoek om het treffen van voorlopige voorziening is te beschouwen als een soort van bestuurlijk kort geding waarop de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak, lopende de beroepsprocedure, een beslissing had moeten nemen. Ondanks deze wetenschap heeft staatsraad mr. P. van Dijk op 25 maart 2002 een beslissing genomen op ons verzoek om het treffen van voorlopige voorziening van 21 november 2000. Hiermee heeft staatsraad mr. P. van Dijk de volgende onherroepelijke jurisprudentie laten ontstaan:

    • dat op verzoeken om het treffen van voorlopige voorziening (bestuurlijke kort gedingen) vanaf heden pas na 17 maanden een beslissing genomen behoeft te worden.
    • dat op verzoeken om het treffen van voorlopige voorziening pas 5 maanden nadat uitspraak is gedaan op bijbehorend beroepschrift en derhalve in de hoofdzaak een beslissing genomen behoeft te worden.
    • dat op verzoeken om het treffen van voorlopige voorziening pas een maand nadat uitspraak is gedaan op het verzetschrift tegen de uitspraak in de hoofdzaak een beslissing genomen behoeft te worden.

    Dit betekent dat staatsraad mr. P. van Dijk hiermee onherroepelijke jurisprudentie heeft laten ontstaan waarmee verzoeken tot het treffen van voorlopige voorziening (het administratieve kort geding) niet meer behandeld behoeven te worden. Met deze onherroepelijke jurisprudentie heeft staatsraad mr. P. van Dijk de artikelen 8:81 t/m 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht ondermijnd.

    Mr. P. van Dijk heeft dit kunnen doen en gedaan met de hulp van zijn collega's; de staatsraden mr. R. Cleton, Dr. J.C.K.W. Bartel en mr. R.J. Hoekstra, die bereid waren om daarvoor de onder punten 1 t/m 4 beschreven strafbare feiten te plegen. Hier is derhalve zeer nadrukkelijk sprake van samenspanning en deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk onherroepelijke jurisprudentie te laten ontstaan waarmee de artikelen 8:81 t/m 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht worden ondermijnd:

    • dit met het oogmerk om burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Sint Oedenrode behulpzaam te zijn met het plegen van vele strafbare feiten middels de ruilverkaveling Sint Oedenrode en het nieuwe bestemmingsplan buitengebied "Sint Oedenrode 1997".
    • dit met het oogmerk om daarmee alle overheden behulpzaam te zijn met het plegen van vele strafbare feiten.
    • dit met de wetenschap dat overheden vanwege de Pikmeer-arresten van de Hoge Raad hiervoor niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd.

    De staatsraden mr. R. Cleton, dr. J.C.K.W. Bartel, mr. R.J. Hoekstra en mr. P. van Dijk maken zich hierbij dan ook zeer nadrukkelijk schuldig aan het plegen van een strafbaar feit zoals dat staat beschreven in artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van strafrecht (deelname aan een criminele organisatie), waarvoor een gevangenisstraf staat van vijf jaren of een geldboete van de vierde categorie.


  6. Verzoek tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek.
    Naar de onder punten 1 t/m 5 gepleegde strafbare feiten, en handelen in strijd met de wet, door de staatsraden mr. R. Cleton, Dr. J.C.K.W. Bartel, mr. R.J. Hoekstra en mr. P. van Dijk, verzoeken wij u een strafrechtelijk onderzoek in te stellen op basis van hoor- en wederhoor van alle betrokkenen en ons van de voortgang op de hoogte te houden. Een afschrift van deze aangifte hebben wij verstuurd aan:
    • De voorzitter van de Raad van State, Hare Majesteit Beatrix van Oranje, Koningin der Nederlanden
    • De Vice-President van de Raad van State mr. H.D. Tjeenk Willink.
    • De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, prof. A.S. Hartkamp.
    • De voorzitter van het college van Procureurs-Generaal, Jhr. mr. J.L. de Wijkerslooth de Weerdesteyn.
    • De vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten Generaal.

Hoogachtend,


A.M.L. van Rooij J.E.M. van Rooij-van Nunen.

Bijlagen:

  1. De uitspraak nummer 200101583/3 van 12 oktober 2001 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (3 pagina's).
  2. 2a. Beroepschrift d.d. 21 november 2000, kenmerk: Rui/provNbr/21110/B. (2 pagina's).
    2b. Ontvangstbevestiging d.d. 4 april 2001 van bovengenoemd beroepschrift, nummer 200101583/2/R3 (1 pagina).
    2c. Bijbehorend verzoek om het treffen van voorlopige voorziening d.d. 21 november 2000, kenmerk: Rui/provNbr/21110/VV (2 pagina's).
    2d. Ontvangstbevestiging d.d. 4 april 2001 van bovengenoemd verzoek om voorlopige voorziening, nummer: 200101583/1/R3 (1 pagina).
    2e. De van bovengenoemd beroepschrift en verzoek om voorlopige voorziening onderdeel uitmakende, bij Gedeputeerde Staten van Noord Brabant ingediende, bedenkingen d.d. 9 mei 2000, kenmerk: Rui/09050/bd, inclusief bijlagen (46 pagina's).
  3. Verzetschrift d.d. 21 november 2001, kenmerk: Rui/provNbr/21111/VZ, inclusief bijlagen (15 pagina's).
  4. Beslissing/uitspraak nummer 200101583/4 van 25 februari 2002 van de Voorzitter van kamer 1 van de Afdeling bestuursrechtspraak (2 pagina's).
  5. De uitspraak nummer 200101583/4 van 28 februari 2002 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (3 pagina's).
  6. De uitspraak nummer 200101583/5 van 25 maart 2002 van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (3 pagina's).

Eerste klacht over de handelwijze, gedragingen en misbruik van positie door rechter mr. R. Cleton
Tweede klacht over de handelwijze, gedragingen en misbruik van positie door rechter mr. R. Cleton
Wraking van de staatsraden Mr. A. Kosto en Mr. R. Cleton wegens belangenverstrengeling en historie
Wraking Staatsraad mr. R. Cleton bij beroep bestemmingsplan "Buitengebied 1997" in Sint-Oedenrode
Motivering wraking van staatsraad. R. Cleton wegens bestemmingsplan 'Buitengebied 1997' St-Oedenrode


19 april 2002


Aangifte tegen Raad van State

Ing. Ad van Rooij heeft aangifte gedaan tegen vier rechters van de Raad van State. Hij beticht hen van valsheid in geschrifte.

Henk Rijkers

Het oogde vorige week woensdag als een gemoedelijke Brabantse aangelegenheid. Maar het loog er niet om. Ing. Ad van Rooij deed in zijn woonplaats Sint-Oedenrode aangifte tegen vier staatsraden (rechters bij de Raad van State) wegens frauduleus handelen. Een nogal unieke aangelegenheid, waar de politie duidelijk verlegen mee was. Na enig weifelen besloot brigadier W. van Hoof de aangifte op te nemen onder nummer Bps 02-131647.

Ex-politici
Van Rooij is als milieuactivist landelijk bekend, vooral vanwege zijn kruistocht tegen het giftige geïmpregneerde hout. Onlangs wijdde 2Vandaag een item aan een van zijn zaken en vergezelde de IKON-camera hem naar een van zijn vele processen bij de Raad van State. In Ter State, het interne blad van de Raad, stond vorige maand zelfs een opvallend positief getoonzet artikel over de bebaarde milieuactivist, onder de titel 'Vijftien jaar milieustrijd zonder resultaat'. Blijkbaar heeft Van Rooij een betere reputatie bij het gewone personeel dan bij de staatsraden, die hem gewoonlijk in het zand laten bijten. Volgens Van Rooij komt dit doordat de Raad geen onafhankelijk rechtscollege meer is. "Ik steek voor geen enkele rechter bij de Raad van State mijn hand meer in het vuur", zegt Van Rooij. "Niet dat ik niet tegen mijn verlies kan. Er zijn in het verleden staatsraden geweest bij wie ik ook regelmatig verloor, maar die er blijk van gaven zich serieus in de zaken te verdiepen. Zo'n verlies kon ik nemen. Maar tegenwoordig lijkt het nergens meer op." In de Raad zitten volgens Van Rooij ex-politici recht te spreken over misstanden die ze zelf veroorzaakt hebben of waar ze medeverantwoordelijk voor zijn.

Foto: KN
De politie zat duidelijk in zijn maag met de aanklacht van Van Rooij.

Voorlopige voorziening
Maar partijdigheid is nog iets anders dan regelrechte fraude. Wie vier rechters tegelijk aanpakt, moet wel een sterke zaak hebben. Het ziet ernaar uit dat Van Rooij die inderdaad heeft. Het begon allemaal op 21 november 2000. Op die datum is Van Rooij in beroep gegaan tegen een besluit van Gedeputeerde Staten van Brabant in verband met een ruilverkavelingskwestie. Tegelijk deed hij een verzoek voor het treffen van een 'voorlopige voorziening' (zoals een 'kort geding' officieel heet) over de zaak. Bijna een jaar later, op 12 oktober 2001, deed staatsraad mr. R. Cleton uitspraak, maar verzweeg daarbij de aanvraag van een voorlopige voorziening. Die had uiteraard eerst afgehandeld moeten worden. Door net te doen alsof hiervoor geen verzoek was ingediend, stelde Cleton zichzelf in staat meteen uitspraak te doen in de hoofdzaak zonder Van Rooij te horen.

Wraking
Uiteraard tekende Van Rooij hiertegen verzet aan. Hij diende een verzetschrift in, met daaraan gekoppeld een algehele wraking van alle rechters van de afdeling bestuursrechtspraak, mocht men het verzetschrift ongegrond willen verklaren. Voordat de Raad over het verzetschrift kon beslissen, moest dus eerst het wrakingsverzoek afgehandeld worden. Hoe dat gaat, heeft KN al meermaals belicht. Drie collega's van de gewraakte rechter(s) (een zogenaamde meervoudige kamer) beoordelen het wrakingsverzoek en ontbieden de indiener om het verzoek toe te lichten. Zo staat het althans in de wet. Bij de Raad van State ging het anders. Staatsraad mr. J.C.K.W. Bartels handelde de wraking in zijn eentje af, zonder collega's te raadplegen en zonder Van Rooij een toelichting te laten afleggen.

Mr. Cleton vervalste dus de procesgang en mr. Bartels de wraking. Het zal niet verbazen dat op basis hiervan een derde collega-staatsraad, mr. R.J. Hoekstra, het verzetschrift vervolgens ongegrond kon verklaren (28 februari jl.). Maar een uitspraak die willens en wetens op vervalste rechtsbeslissingen is gedaan, is zelf net zo goed vals. Daarom heeft Van Rooij ook tegen mr. Hoekstra aangifte gedaan.

Griffiekosten
We zijn er nog niet. Van Rooij had immers een kort geding aangevraagd. Dat was weliswaar genegeerd, maar het was wel gedaan. Nu Cleton al in de zaak heeft beslist, en het verzet daartegen is gebroken, is de weg vrij voor staatsraad nummer vier, mr. P. van Dijk, om in het nu nutteloze kort geding uitspraak te doen. En hoe luidt de uitspraak van mr. van Dijk op 25 maart?: dat een kort geding geen zin meer heeft. Collega Cleton heeft toch al uitspraak gedaan? Dat deze over het aangevraagde kort geding 'heengesprongen' is en dit bovendien in de weergave van het procesverloop verzwijgt (hoewel de Raad het officieel bevestigd heeft), daarvan rept mr. Van Dijk niet. Hij ontzegt Van Rooij zelfs terugbetaling van de griffiekosten (ca. 100 euro).

Van Rooij wil dat het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek naar de zaak instelt op basis van hoor en wederhoor. Bij de Raad van State wilde niemand tegenover KN reageren.


© 2002 Katholiek Nieuwsblad
Niets van deze uitgave mag opnieuw worden uitgegeven in welke vorm dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever

    SDN-rubrieken
    Milieu-onderwerpen
    Nuloptie van Edelchemie
    Ecologisch Kennis Centrum
    Raad van State verbiedt shredderen afvalhout
    Falende handhaving van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant
    Zienswijze over milieueffecten van Groene stroom aan GS Limburg
    Falende handhaving van de raad van de Gemeente Son en Breugel
    Nuon Power Buggenum werkt zonder Wvo-vergunning, verzoek tot schorsing RvS
    Voorz. van de Raad van State, Mr. van Dijk krijgt verantwoordelijkheid op z'n bord
    Verzoek de jacht te openen op een van de grootste Brabantse vervuilers: Gebr. van Aarle BV
     Staatsraad Boll klapte ooit uit de school met: Mijnheer van Rooij u kunt wel doorgaan met
     procederen tegen houtimpregneerbedrijf gebr. van Aarle B.V., maar u wint dat nooit. Ik raad
     u aan om hierover in overleg te treden met de commissaris van de koningin mr. F.J.M. Houben.