Open brief aan Europese Commissie over Nederlandse schending van Europese wetgeving
EuroStaete . . EKC . . Klokkenluiders <===> SDN . . Wolmanzouten . . English

PERSBERICHT

Milieuschandaal

Stichting tot behoud leefmilieu Leudal klaagt Staat der Nederlanden aan bij de Europese Commissie.

Buggenum, 1 Juni 2006

De Stichting tot behoud leefmilieu Leudal heeft op 29 mei j.l. de Staat der Nederlanden aangeklaagd bij de Europese Commissie met het verzoek deze klacht voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie in Luxemburg.

Aanleiding voor deze ingrijpende stap door een plaatselijke milieuorganisatie is haar verwachting van grote problemen voor het leefmilieu door de electriciteitscentrale van Nuon Power Buggenum in haar directe omgeving.

De stichting is van oordeel dat de Staat der Nederlanden de, door haar wel overgenomen, Europese milieuregelgeving aan de laars lapt en daarvoor eigen, afwijkende regels in de plaats stelt om het mogelijk te maken op goedkope wijze van gevaarlijk afval af te komen en voor de uitvoering daarvan onder andere specifiek de centrale in Buggenum op het oog heeft.

Door deze eigen regelgeving komt ongemerkt een enorme stroom gevaarlijk afval in stromen niet-gevaarlijk afval terecht, zodanig dat het aldus ontstane mengsel van gevaarlijk en niet-gevaarlijk afval net onder de normering en voorschriften voor gevaarlijk afval blijft. De Willem Alexandercentrale in Buggenum die officieel geen gevaarlijk afval mag verstoken, heeft van de Provincie Limburg een milieuvergunning gekregen met dermate hoge acceptatie- en emissienormen dat geen andere conclusie getrokken kan worden dan dat deze centrale door de Nederlandse (en provinciale Limburgse) overheid aangewezen is om via haar schoorsteen een belangrijk deel van de gevaarlijke stoffen in deze mengstroom van gevaarlijk en niet-gevaarlijk afval, diffuus via de lucht te verspreiden.

Tegen deze hoge acceptatie- en emissienormen van de provincie Limburg loopt ook al een beroep van de stichting bij de Raad van State. De stichting voorziet door het negeren van de Europese regels door de Staat der Nederlanden grote milieuproblemen voor haar werkgebied, de toekomstige gemeente Leudal.

De volledige tekst van klacht is te lezen op www.leefmilieu-leudal.nl

Henry George (1839-1897): De Aarde behoort toe aan alle levende wezens

    't Achterom 9a
    5491 XD
    Sint Oedenrode
    Tel. 0413-490387
    Fax. 0413-490386

Aangetekend met ontvangstbevestiging.

Sint Oedenrode, 29 mei 2006.

 

Aan:  Commissie van de Europese Gemeenschappen

                                                                      T.a.v. de Secretaris-Generaal

                                                                       B-1049, Brussel

BelgiŽ

 

Open Klacht

 

Ons kenmerk: SBN/SBL/290506/KL

 

Betreft:

-          Stichting Sociale Databank Nederland, Gasthuislaan 22, 6883 JD te Velp

-          Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving, Holstraat 17, 6082 BA Buggenum. (zie de website in 7 Europese talen met de de open aangifte bij de Europese Commissie

-          J. Hoebers, Haelenerweg 9, 6082 AA Buggenum.

-          J. Rulkens, Dorpsstraat 94, 6082 AR Buggenum.

-          P. Topeeters, Neel Doffstraat 18, 6082 AE Buggenum.

-          H. Slabbers, Galgenberg 35, 6082 AZ Buggenum.

-          L.G.G.M. Mom, Bergstraat 13, 6082 AJ Buggenum.

-          H.P.J. Vissers, Holstraat 6, 6082 BC Buggenum.

-          A.M. Schreuder, Thorbeckestraat 24, 6042 CR Roermond.

-          J. Schuermans, Roermondseweg 92, 6081 NW Haelen.

-          C.J. Schreuder, Eikendreef 23, 6081 EA Haelen.

-          C.J.M. Wijers, Poelakkerweg 3, 6082 NC Buggenum.

 

Klacht bij de commissie van de Europese Gemeenschappen wegens het niet nakomen van het gemeenschapsrecht door Lidstaat Nederland met het verzoek deze klacht (gezien de ernst van de overtredingen) zo spoedig mogelijk ter beoordeling voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie in Luxemburg. Tevens een verzoek tot het nemen van een beschikking waarbij Nuon, Essent en andere betrokken ondernemingen de door lidstaat Nederland verstrekte geldelijke steunmaatregelen moeten terugbetalen omdat die onverenigbaar zijn met het EG-Verdrag 

 

 

Geachte leden van de Europese Commissie

 

Namens opgemelde stichtingen en personen, hierna te noemen: appellanten,

laten wij u hierbij onze klacht toekomen tegen Lidstaat Nederland wegens het niet nakomen van het gemeenschapsrecht met het verzoek deze klacht (gezien de ernst van de overtredingen) zo spoedig mogelijk ter beoordeling voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie in Luxemburg.

 

Beschrijving van de klacht, tevens verzoek tot het nemen van een beschikking vanwege door Nuon, Essent e.a. verkregen steunmaatregelen die onverenigbaar zijn met het EG-Verdag   

 

Op 11 januari 2002 heeft het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) het ontwerp Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) vastgesteld.

Bij brief d.d. 26 februari 2002, kenmerk: SDN/ 26022/LAP/is, hebben wij namens de Stichting Sociale Databank Nederland, daarop tijdig onze inspraakreactie gegeven (zie productie I)(46 pagina's).

Wij verzoeken u kennis te nemen van de inhoud en die inhoud hier als herhaald en ingelast te beschouwen.

 

In die inspraakreactie hebben wij de minister van VROM kenbaar gemaakt dat op blz. 265 (Deel 2 Sectorplannen) hoofdstuk 13 (bouw- en sloopafval en daarmee vergelijkbare afvalstoffen) onder punt 4.5.2 (be- en verwerken) de volgende voorgeschreven minimumstandaard (lees hieronder) geen minimumstandaard is.

 

MINIMUMSTANDAARD

De minimumstandaard voor onbehandeld (A-hout), geverfd, gelakt en verlijmd hout (B-hout) is nuttige toepassing. Voor CC-hout en gewolmaniseerd hout CCA-hout is de minimumstandaard nuttige toepassing met hoofdgebruik als brandstof. Verwerking in de vorm van materiaal- of producthergebruik is voor deze afvalstof niet toegestaan.

Overwegingen bij het vaststellen van de minimumstandaard.

-          de aangegeven minimumstandaard sluit aan op de bestaande praktijk en is daarmee uitvoerbaar, bedrijfszeker en kosteneffectief.

-          een laagwaardiger wijze van verwerken is uit milieuoogpunt ongewenst. Vanwege de aanwezigheid van zware metalen in CC-en CCA-hout is een hoogwaardiger wijze van verwerken eveneens ongewenst.

-          het niveau van verwerking dat in de minimumstandaard is vastgelegd komt overeen met de gangbare wijze van verwerking in het buitenland.

 

In die inspraakreactie d.d. 26 februari 2002 hebben wij de minister van VROM nadrukkelijk kenbaar gemaakt dat het op deze wijze be- en verwerken van bouw- en sloophout, waaronder CC- en CCA-gewolmaniseerd hout, hij juist bezig is met het ongecontroleerd in het water, bodem en lucht brengen van miljoenen kilogrammen zwarte lijststoffen, waaronder arseenzuur, chroomtrioxide, PAK's, pentachloorfenol, dioxines etc. etc.

 

In die inspraakreactie d.d. 26 februari 2002 hebben wij de minister van VROM tevens nadrukkelijk kenbaar gemaakt dat voor de be- en verwerking van dit bouw- en sloophout wel degelijk een minimumstandaard bestaat, te weten: de nuloptie-technologie van Edelchemie te Panheel en dat deze minimumstandaard door het ministerie van VROM is erkend (staat op video) en dat dit bij hem zeer goed bekend is.

 

Wij hebben de minister van VROM dan ook nadrukkelijk verzocht om deze nuloptie-technologie als minimumstandaard voor te schrijven en daarop het ontwerp-LAP aan te passen. Op dit verzoek heeft de minister van VROM nooit inhoudelijk gereageerd en heeft hij het ontwerp-LAP daarop ook niet aangepast.

 

In die inspraakreactie hebben wij de minister van VROM kenbaar gemaakt dat op blz 260 en 261 (Deel 2 Sectorplannen) hoofdstuk 13 (Bouw- en sloopafval en daarmee vergelijkbare afvalstoffen) van de ontwerp-LAP de daarin aangegeven klasse indeling van:

-          A-hout (is onbehandeld hout)

-          B-hout (is geverfd, gelakt of verlijmd hout)

-          C-hout (is verduurzaamd CCA-hout en CC-hout)

niet in stand kan blijven en wel op grond van het volgende 4-tal feiten:

 

1)       CCA-hout bevat tussen de 2000 en 2600 mg/kg arseen, tussen de 1300 en 4800 mg/kg chroom VI en tussen de 800 en 2600 mg/kg koper en moet ingevolge de Europese afvalstoffenlijst (EURAL) als gevaarlijk afval worden verwijderd en verwerkt.

2)       In de afvalfase is zo'n 50-80 % van het CCA-hout overgeverfd of gelakt, waarmee door een verf- of laklaag betreffend C-hout is omgetoverd tot B-hout.

3)       In de afvalfase heeft het overige CCA-hout dat niet is overgeverfd of gelakt, als gevolg van verwering, een gelijke grijze kleur als onbehandeld hout, waarmee door verwering het C-hout is omgetoverd tot A-hout.

4)       Met het vershrederen/vermalen van afvalhout uit bouw-en sloopafval wordt het onzichtbare gevaarlijk afvalgedeelte (CCA-hout en CC-hout) verdund met het eveneens onzichtbare niet gevaarlijk afvalgedeelte (onbehandeld hout). Het op deze wijze verdunnen van enorme grote hoeveelheden gevaarlijk afval (miljoenen tonnen per jaar)  tot onder de grens van gevaarlijk afval is wettelijk verboden.

 

Op grond van bovengenoemd 4-tal feiten heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover bij uitspraak no's F03.98.0171, F03.98.0179, F03.98.0180, F03.98.0181, F03.98.0182, F03.98.0183 en F03.98.0184 op 19 augustus 1998 letterlijk het volgende beslist:

 

'Uit het door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak uitgebrachte deskundigenbericht is gebleken dat verduurzaamd hout niet visueel valt te onderscheiden van onbehandeld hout'.

 

Lidstaat Nederland weigert al vanaf 19 augustus 1998 (8 jaar lang) haar regelgeving aan te passen aan deze conclusie en uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat wetenschappelijk is onderbouwd met een, in een deskundigenrapport vastgelegd, onderzoek van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak.

 

Onze namens de Sociale Databank Nederland (SDN) gedane inspraakreactie d.d. 26 februari 2002, zoals hierboven beschreven, op het ontwerp-LAP is door onze verantwoordelijk minister van VROM niet meegenomen in het definitief Landelijk Afvalbeheersplan 2002-2012 (LAP).

 

Als feitelijke onderbouwing voor de hierna komende reactie vindt u bijgevoegd:

-          als productie II (113 pagina's) een afschrift van onze namens appellanten ingediend beroepschrift d.d. 5 maart 2006 (kenmerk: SBL/050306/B), nader gemotiveerd bij brief d.d. 6 april 2006, aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hetgeen in behandeling is genomen onder nummer: 200601763/1/M.1

-          als productie III (5 pagina's) de pagina's 1,32,41,42 en 51 uit de Bouwverordening Heythuysen 2005

-          als productie IV (36 pagina's) onze brief d.d. 21 april 2005 (kenmerk: SBL/30123/B), met bijbehorend 9-tal bijlagen, aan de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, sector milieu, t.a.v. mr. Th.G. Drupsteen.

-          als productie V (3 pagina's) de pagina's 1,64 en 65 uit de door Gedeputeerde Staten van Limburg bij besluit van 11 november 2003, kenmerk: 2002/13207, verleende milieuvergunning aan Nuon Power Buggenum B.V.

-          als productie VI (3 pagina's) de wijzigingsaanvraag met bijlage I d.d. 24 maart 2005, nummer: BKM41576/Jpa/Ibo, van Nuon Power Buggenum B.V. aan Gedeputeerde Staten van Limburg.

-          als productie VII (4 pagina's) het artikel 'Groene Stroom' van de algemene rekenkamer, op 26 mei 2006 van internet gehaald.

-          als productie VIII (2 pagina's) de taken en namen van de leden van het Bestuurlijk Landelijk Overleg Milieuhandhaving (BLOM), op 26 mei 2006 van internet gehaald.

-          als productie IX (3 pagina's) de pagina's 1.2 en 22 uit het Landelijk Handhavingsprogramma 2005 'Interventiestrategie Bouw- en sloopafval (BSA)' d.d. 4 juli 2005 van het Bestuurlijk Landelijk Overleg Milieuhandhaving (BLOM).

-          als productie X (17 pagina's) de beschikking van 21 juni 2000 betreffende de door Duitsland ten uitvoer gelegde staatssteun ten gunste van CDA Compact Disc Albrechts GmbH, Thuringen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, Publicatieblad L318/62, blz. 62 t/m 78.                                                                               

 

Wij verzoeken u kennis te nemen van de inhoud, die inhoud hier als herhaald en ingelast te beschouwen en volledig mee te nemen in uw beslissing.   

 

Dat op de bouwplaats het visueel niet te scheiden verduurzaamde bouw- en sloophout onder de codenummers: 170204* of 200137*  ingevolge de Europese Eural als gevaarlijk afval moet worden verwijderd en verwerkt heeft het ministerie van VROM nota bene zelf berekend. Als feitelijk bewijs daarvoor vindt bijgevoegd een 9-tal hierop betrekking hebbende pagina's uit de Handreiking Eural van augustus 2001 van het ministerie van VROM (zie productie 3 achter productie II). Als conclusie staat daarin letterlijk het volgende geschreven:

 

'Op basis van de beschikbare informatie wordt geconcludeerd dat de afvalstof 'CCA-afvalhout'' als gevaarlijk afval moet worden ingedeeld conform de Eural afhankelijk van de herkomst van deze afvalstof kan de stroom worden gecodeerd als 170204* of 200137*'.

 

Deze Eural is in Nederland in werking getreden per 1 januari 2002 waarbij aan betrokken bedrijven een overgangsperiode is vergund tot 1 januari 2003. Als feitelijk bewijs vindt u bijgevoegd de brief van minister J.P. Pronk van VROM, inzake inwerkingtreding Eural-regelgeving, met als nummer SAS/2001144547, aan de Colleges van gedeputeerde staten van de provincies en aan de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten (zie productie 4 achter productie II). 

 

De Nederlandse gemeenten hebben de VNG-model bouwverordening overgenomen, zo ook de gemeente Heythuysen in de provincie Limburg

(zie productie III). In deze bouwverordening staat onder artikel 4.11 lid 1a (Bouwafval) over scheiden van gevaarlijk afval uit bouw- en sloopafval letterlijk het volgende geschreven:

 

Het bouwafval moet op de bouwplaatsen ten minste worden gescheiden in de volgende fracties:

  1. de als gevaarlijke aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij de regeling afvalstoffenlijst (EURAL; strc. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9)

 

In deze bouwverordening staat onder artikel 8.1.2 lid 5 (aanvraag sloopvergunning) over onherkenbaar gevaarlijk afval in bouw- en sloopafval letterlijk het volgende geschreven:

 

'Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijke afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; stcr. 17 augustus 2001, nr. 159, blz 9), dient een onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag van de sloopvergunning worden gevoegd.'

 

In deze bouwverordening staat onder artikel 12.1 (strafbare feiten) letterlijk het volgende geschreven:

 

'Overtreding van de voorschriften genoemd in de artikelen 4.2, etc, 4.11, etc, 8.4.1, geldt als strafbaar feit en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie.'

 

Alle Nederlandse gemeenten handhaven echter niet overeenkomstig de, in de bouw- en sloopverordening voorgeschreven, Eural doch overeenkomstig het hiervan afwijkende LAP en overtreden derhalve zelf bovengenoemde artikelen 4.11 lid 1a en 8.1.2 lid 5 uit hun eigen bouwverordening, waardoor zij alle sloopbedrijven en particulieren, die de sloopwerkzaamheden verrichten, strafbare feiten laten plegen zoals staat verwoord in artikel 12.1 uit hun eigen bouwverordening.     

 

Tegen deze, binnen alle Nederlandse gemeenten, gepleegde strafbare feiten wordt niet handhavend opgetreden omdat het plegen van deze strafbare feiten door de minister (staatssecretaris) van VROM vanuit het Landelijk afvalbeheersplan (LAP), met haar, van de EURAL afwijkende, klassenindeling van A-hout, B-hout en C-hout, feitelijk wordt voorgeschreven.

 

Ook de regionaal inspecteurs van VROM treden daartegen niet handhavend op. Zij volgen namelijk het door hun minister (staatssecretaris) van VROM voorgeschreven LAP. Het gevolg is dat terwijl al meer dan 30 jaren via alle mogelijke kanalen, maar vooral door 'Doe Het Zelf '- en Boerenbondwinkels enorme hoeveelheden CC en CCA-verduurzaamd hout is verkocht, zie rapport Tauw/SHR d.d. 24 december 1999 (bijlage C achter productie I) en dit gevaarlijke materiaal ondertussen te vinden is in bijna elk van de miljoenen tuinen, huizen en woningen in Nederland, er bij geen enkele inzamelaar van sloop en bouwhout  een afvalstroom van enig importantie van CC en CCA-verduurzaamd hout is terug te vinden en ook in de toekomst zal worden gevonden.

 

Alle afvalverwerkers in Nederland, waaronder Van Gansewinkel Nederland B.V. te Eindhoven, Maarheeze en Oss, hanteren het door de minister (staatssecretaris) van VROM voorgeschreven LAP en verdunnen met vershreddering/vermaling betreffend gevaarlijk afval (onzichtbaar CCA-hout en CC-hout), dat voor zo'n 30-50% in betreffend sloophout aanwezig is, tot precies onder de EURAL-grens zonder te beschikken over een daarvoor vereiste milieuvergunning.

 

Ondanks de wetenschap van het feit dat met het op deze grote schaal verdunnen van gevaarlijk afval, zonder de daartoe vereiste milieuvergunning, door Van Gansewinkel en andere afvalverwerkende bedrijven ernstige strafbare feiten worden gepleegd wordt daartegen door de regionale inspecteurs van VROM niet handhavend opgetreden. Sterker nog: door het op deze wijze verdunnen van gevaarlijk afval zonder een daartoe vereiste milieuvergunning worden vrachtwagenladingen, treinwagonladingen en scheepsladingen vol met houtspaanders verkregen waaruit altijd wel een monster kan worden genomen die juist onder de EURAL-grens uitkomt. Dit wordt in Nederland als 'biomassa' bijgestookt in de kolengestookte elektriciteitscentrales van Nuon, Essent, e.a. voor de opwekking van  groene stroom, zonder dat die elektriciteitscentrales beschikken over een milieuvergunning (en de outillage) voor het bijstoken van gevaarlijk afval.

 

Hoe betrokken overheden in Nederland te werk gaan om het bijstoken van betreffend gevaarlijk afval in kolengestookte elektriciteitscentrales vergunningstechnisch (op papier) gerealiseerd te krijgen, laat het volgende praktijkvoorbeeld van Nuon Power Buggenum B.V. te Haelen zien.

 

Bij besluit van 11 november 2003, kenmerk: 2002/13207, verlenen Gedeputeerde Staten van Limburg aan Nuon Power Buggenum B.V. te Haelen milieuvergunning met daarin opgenomen acceptatiecriteria voor het bijstoken van secundaire brandstoffen waarvan de concentratie aan zware metalen maar liefst 17 tot 1471 maal hoger is als in kolen. Als feitelijk bewijs daarvoor zie onderstaande tabel (zie productie IV):  

 

In tabel 4.1.6 van de bij de Wm-aanvraag behorende MER staan de zware metalen concentraties van de in Nederland verstookte steenkool opgesomd. In tabel 4.1.7 van de bij de Wm-aanvraag behorende MER staan de maximaal toelaatbare zware metalen concentraties van de mee te vergassen secundaire brandstoffen opgesomd. Onderstaande tabel maakt het verschil in concentraties helder.

               

Tabel 4.1.6 MER

Samenstellinggegevens

Kolen gemiddeld

Tabel 4.1.7 MER /Tab.5.1  aanvraag

Acceptatiecriteria

secundaire brandstoffen

Concentratie

Acceptatiecriteria sec. br

Is (---x) kolen gemiddeld

 

Mg/kg d.s.

 

Mg/kg d.s.

 

(---- x)

As

2,4

As

50

As

21 x

Ba

177

Ba

10000

Ba

56 x

Be

1,1

Be

25

Be

23 x

Cd

0,11

Cd

25

Cd

227 x

Co

5

Co

2500

Co

500 x

Cr (VI)

17

Cr (VI)

2500

Cr (VI)

147 x

Cu

11

Cu

2500

Cu

227 x

F

110

F

2500

F

23 x

Hg

0,11

Hg

5

Hg

45 x

Mn

44

Mn

10000

Mn

227 x

Mo

1,7

Mo

2500

Mo

1471 x

Ni

14

Ni

1400

Ni

100 x

Pb

7,8

Pb

2500

Pb

321 x

Sb

0,5

Sb

25

Sb

50 x

Se

1,5

Se

25

Se

17 x

Sn

2,0

Sn

2500

Sn

1250 x

Te

<1

Te

25

Te

25 x

V

26

V

2500

V

96 x

Zn

26

Zn

10000

Zn

385 x

 

Vergelijk bovengenoemde tabel 5.1 met tabel 4.1.6 uit de aangevraagde en verleende milieuvergunning. Daaruit kan maar een conclusie worden getrokken en die luidt als volgt:

 

'Op grond van de op 11 november 2003 verleende milieuvergunning zal door NUON biomassa (afval) worden geaccepteerd waarvan de concentratie aan zware metalen, afhankelijk van het metaal, maar liefst 17 tot 1471 maal hoger ligt dan dat er gemiddeld in kolen aanwezig is. Daarbij zitten ook de zware metalen Arseen (As), Beryllium (Be), Cadmium (Cd), Chroom VI (Cr), Kwik (Hg), Lood(Pb), Tellurium (Te) en Tin(Sn) die voorkomen op de internationale lijst van zwarte lijststoffen.'

 

Voor wat betreft uitstoot van 'maximale vrachten' naar de lucht hebben Gedeputeerde Staten van Limburg bij besluit van 11 november 2003, kenmerk: 2002/13207, aan Nuon Power Buggenum B.V. te Haelen milieuvergunning verleend waarin de uitstoot van zware metalen naar de lucht afhankelijk van het soort metaal maar liefst 9 tot 1071 maal hoger mag zijn als bij het vergassen van kolen. Als feitelijk bewijs daarvoor zie onderstaande tabel (zie productie VI):

 

In de tabel hieronder vindt u de 'maximale vrachten' zware metalen waarvoor door Gedeputeerde Staten van Limburg bij besluit van 11 november 2003 milieuvergunning is verleend aan Nuon Power Buggenum B.V. vergeleken met de gemiddelde vrachten aan zware metalen in geval alleen kolen worden vergast.

                              

Blz. 41 en 44

Wm-aanvraag

Aangevraagde vrachten

Tabel 5.2.2

MER

Referentie kolen

Toegestane emissie ontwerpbesluit

Is (--x) t.a.v. kolen

 

Kg/jaar

 

Kg/jaar

 

Kg/jaar

As

404,9

As

28,6

As

    14 x

Ba

311,1

Ba

6,8

Ba

    46 x

Be

2,1

Be

0,1

Be

    21 x

Cd

3,9

Cd

0,0

Cd

    78 x

Co

179,2

Co

0,5

Co

  358 x

Cr (VI)

82,9

Cr (VI)

0,9

Cr (VI)

    92 x

Cu

381,5

Cu

2,4

Cu

  159 x

Hg

25,7

Hg

0,9

Hg

    29 x

Mn

362,2

Mn

2,3

Mn

  157 x

Mo

107,1

Mo

0,1

Mo

1071 x

Ni

10943,9

Ni

77,1

Ni

  142 x

Pb

44,6

Pb

0,3

Pb

  149 x

Sb

17,1

Sb

0,5

Sb

    34 x

Se

63,7

Se

7,0

Se

      9 x

Sn

2591,1

Sn

2,5

Sn

1036 x

Te

19,0

Te

0,5

Te

    38 x

V

55,5

V

1,0

V

    55 x

Zn

656,2

Zn

2,1

Zn

  312 x

Totaal

16251,7

Totaal

133,6

Totaal

  125 x

 

 

Op grond van de op 11 november 2003 verleende milieuvergunning mag Nuon Power Buggenum BV met het meevergassen van secundaire brandstof (is afval) afhankelijk van het soort metaal maar liefst 9 tot 1071 maal zoveel zware metalen naar de lucht emitteren als gemiddeld bij het vergassen van alleen kolen. Dit is in strijd met artikel 8.11 van de Wet milieubeheer.

 

De wet staat niet toe dat voorschriften worden opgenomen die beogen om de toegestane emissieruimte te vergroten.

 

Hiermee is feitelijk komen vast te staan dat op grond van de bij besluit van 11 november 2003 verleende milieuvergunning Nuon Power Buggenum:

-          afhankelijk van het soort metaal maar liefst 17 tot 1471 maal zoveel zware metalen naar de lucht mag emitteren als gemiddeld bij kolen het geval was.

-          afhankelijk van het soort metaal maar liefst 9 tot 1071 maal zoveel aan ' totale vracht' zware metalen over de omgeving mag uitstoten.    

 

Het is hier bij goed te weten dat o.a. de zware metalen arseen, kwik, chroom VI, cadmium, beryllium, tin, lood kankerverwekkende stoffen zijn en deze zware metalen zich veelal binden aan fijn stof.

 

Met de hierboven beschreven wijze van oprekken van de milieuvergunning kon nog steeds niet de acceptatievoorwaarden worden bereikt voor het bijstoken van verdund vershredderd en vermalen gevaarlijk afval (verdund CCA-hout en verdund CC-hout) uit sloophout. Om dat bewerkstelligt te krijgen hebben Gedeputeerde Staten van Limburg de speciale truc toegepast om de acceptatievoorwaarden voor in te nemen brandstoffen niet in de procedure van de milieuvergunning en het daaraan gekoppelde MER (Milieu Effect Rapport) op te nemen, wetende dat de milieuvergunning anders nooit de procedurele eindstreep zou halen:

 

In de bij besluit van 11 november 2003 aan Nuon Power Buggenum B.V. verleende milieuvergunning, die op 29 juni 2005 bij uitspraak nummer: 200308312/1 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onherroepelijk is geworden, hebben Gedeputeerde Staten van Limburg hierover onder C.9 en C.7 de volgende voorschriften opgenomen

(zie productie V):

 

C.9. Wijzigingen van de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde procedures als bedoeld in voorschrift C.7 dienen ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten worden voorgelegd.

C.7. Uiterlijk drie maanden na het van kracht worden van deze vergunning dient vergunninghoudster de procedures met betrekking tot acceptatie en verwerking van secundaire brandstoffen, de administratieve organisatie en interne controle ter goedkeuring voor te leggen aan Gedeputeerde Staten      

 

Op 24 maart 2005 (bij de provincie Limburg binnengekomen op 29 maart 2005 en ingeboekt onder nummer: 05/15172) vraagt ir. C.F.C.M.M. Wolters namens Nuon Power Buggenum B.V. (met als contactpersoon Ir. J.T.W. Pastoors) een wijziging van de acceptatieprocedure secundaire brandstoffen aan bij Gedeputeerde Staten van Limburg met daarin de volgende inleidende tekst (zie productie VI):

 

'In het kader van het Handhavingsuitvoeringsprogramma 2004 is op 3 december 2004 een planmatige controle bij de Willem Alexander Centrale uitgevoerd. In het controlerapport (HMT-04-P-190-P/2) wordt een tweetal overtredingen geconstateerd en wordt beŽindiging daarvan geŽist voor 1 april 2005. Naar aanleiding daarvan hebben wij de acceptatieprocedure en -instructies voor secundaire brandstoffen aangepast. Hierbij verzoeken wij, volgens voorschrift C.9 van de WM-vergunning van 11 november 2003, om goedkeuring van de bijgevoegde acceptatieprocedure en -instructie.'   

 

Bij deze op 29 maart 2005 ingekomen aanvraag is als 'bijlage I' een formulier bijgevoegd waarin de grens van acceptatie van zware metalen in secundaire brandstoffen (biomassa) bij wijzigingsbesluit van 17 januari 2006 voor de zware metalen arseen, beryllium, cadmium, koper, kwik, mangaan, molybdeen, seleen, tin, vanadium en zink maar liefst 200 tot 1000 maal hoger is geworden dan in de bij besluit van 11 november 2003 verleende milieuvergunning die op zich al 14 tot 1471 maal hoger was dan in kolen gemiddeld. Voor Barium, Fluor en Telluur zijn er geen grenzen meer opgenomen in het wijzigingsbesluit van 17 januari 2006. Die stoffen mogen onbeperkt worden bijgestookt. Als feitelijk bewijs daarvoor zie onderstaande tabel:

 

In tabel 4.1.6 van de bij de Wm-aanvraag behorende MER staan zware metalen concentraties van de in Nederland verstookte steenkool opgesomd. In tabel 4.1.7 van de bij de Wm-aanvraag behorende MER, waarvoor bij besluit van 11 november 2003 milieuvergunning is verleend, staan de maximaal toelaatbare zware metalen concentraties van de mee te vergassen secundaire brandstoffen opgesomd. In bijlage I behorende bij de wijzigingsaanvraag van 24 maart 2005, waarvoor op 17 januari 2006 milieuvergunning is verleend,  staan de huidige maximaal toelaatbare zware metalen concentraties van de mee te vergassen secundaire brandstoffen opgesomd.

 

Tabel 4.1.6 MER

Samenstellinggegevens

Kolen gemiddeld

Tabel 4.1.7 MER /Tab.5.1 aanvraag

Acceptatiecriteria in Wm-vergunning van 11 november 2003

Bijlage I achter wijzigingsaanvraag

Acceptatiecriteria in Wijzigings-vergunning van 17 januari 2006

 

Mg/kg d.s.

Is gem. in kolen

 

Mg/kg d.s.

Is (x) kolen gem.

 

Mg/kg d.s

Is (x) kolen gem.

As (Arseen)

2,4

As

50         (21 x)

As

1000     (417x)

Ba (Barium)

177

Ba

10000   (56 x)

Ba

-       (onbeperkt)

Be (Beryllium)

1,1

Be

25         (23 x)

Be

1000     (909x)

Cd (Cadmium)

0,11

Cd

25         (227 x)

Cd

1000     (9090x)

Co (Cobalt)

5

Co

2500     (500 x)

Co

1000     (200x)

Cr  (Chroom VI)

17

Cr (VI)

2500     (147 x)

Cr (VI)

1000     (59x)

Cu (Koper)

11

Cu

2500     (227 x)

Cu

200000 (18182x)

F   (Fluor)

110

F

2500     (23x)

F

-       (onbeperkt)

Hg  (Kwik)

0,11

Hg

5           (45x)

Hg

1000     (9090x)

Mn (Mangaan)

44

Mn

10000   (227x)

Mn

250000 (5682x)

Mo (Molybdeen)

1,7

Mo

2500     (1471x)

Mo

200000(117647x)

Ni  (Nikkel)

14

Ni

1400     (100x)

Ni

1000     (71x)

Pb  (Lood)

7,8

Pb

2500     (321x)

Pb

1000     (128x)

Sb  (Antimoon)

0,5

Sb

25         (50x)

Sb

10000   (20000x)

Se  (Seleen)

1,5

Se

25         (17x)

Se

30000   (20000x)

Sn  (Tin)

2,0

Sn

2500     (1250x)

Sn

1000     (500x)

Te  (Telluur)

<1

Te

25         (25x)

Te

-       (onbeperkt)

V    (Vanadium)

26

V

2500     (96x)

V

10000   (385x)

Zn  (Zink)

26

Zn

10000   (385x)

Zn

50000   (1923x)

 

 

Met bovengenoemd feitelijk bewijsmateriaal is onomstotelijk komen vast te staan dat de huidige acceptatievoorwaarden voor het meevergassen van biomassa in de Willem Alexander Centrale van Nuon Power Buggenum B.V. te Haelen de concentratie aan zware metalen in die biomassa ten opzichte van kolen, afhankelijk van het soort metaal, stapsgewijs is verhoogd van 59 maal tot 117647 maal en voor een 3-tal zware metalen tot onbeperkt. Ondanks deze wetenschap blijven betrokken Nederlandse overheden het meevergassen van degelijk uiterst giftige en kankerverwekkende biomassa  in de kolengestookte elektriciteitscentrales of biomassacentrales het beste vinden voor het behoud van het milieu, de toekomstige gezondheid van mensen en de toekomstige economie.

 

Gedeputeerde Staten van Limburg en de minister (staatssecretaris) van VROM brengen dit naar buiten ondanks hun wetenschap dat zware metalen niet kunnen worden verbrand maar enkel en alleen kunnen worden verspreid en ondanks hun wetenschap dat in het Indicatief Meerjarenprogramma Milieubeheer 1986 - 1990 van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de Nederlandse regering al vanaf 1986 de internationale lijst van zwarte stoffen heeft overgenomen en heeft besloten dat in het milieu brengen van de zware metalen arseen, cadmium, beryllium, kwik, chroom VI, lood, tellurium en tin, vanwege hun milieuschadelijke eigenschappen beschikken, via een maximale brongerichte aanpak uit de compartimenten water, bodem en lucht moeten worden geweerd.

 

Onder milieuschadelijkheid wordt verstaan: stofeigenschappen, zoals giftigheid, waaronder carcinogeniteit, mutageniteit en teratogeniteit, afbreekbaarheid en (bio)accumulatie, die een ernstig risico inhouden (zie bijlage I achter productie I).

 

Door intercompartimentaal transport (het met regenwater mee naar beneden vallen van de stoffen die naar de lucht worden uitgestoten) kunnen deze stoffen ook een schadelijke werking uitoefenen in een ander compartiment dan waarin de emissie plaatsvindt en worden daardoor de voeding voor menselijke en dierlijke consumptie cumulatief vergiftigd met deze zware metalen evenals de bodem, oppervlaktewater en (toekomstig) drinkwater.

 

Een vaststaand feit is ook dat zware metalen niet kunnen worden vergast of verbrand. Dit betekent dat alle met de biomassa mee ingebrachte zware metalen voor de volle 100% worden verspreidt, ofwel via de uitstoot naar de lucht ofwel via het vliegas en slakken dat als secundaire grondstof wordt toegevoegd aan cement, asfalt, beton, stenen (green bricks), e.d. Met het op deze wijze verspreiden van zwarte lijststoffen (kankerverwekkende stoffen) overtreedt Nederland zeer nadrukkelijk de Europese IPPC-richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, die ook op de energiesector van toepassing is. 

 

Als gevolg van het toevoegen van o.a. deze vliegas aan cement is het in Nederland onmogelijk geworden om cement te kopen waarin minder dan 10 ppm oplosbare chroom VI verbindingen zitten. Dit ondanks het feit dat lidstaat Nederland op grond van de directive 2003/53/EC van 18 juni 2003 van het Europees Parlement al vanaf 17 januari 2005 wettelijk verplicht is die maatregelen te hebben getroffen in haar Nationale wetgeving, waarmee is zeker gesteld dat cement niet meer dan 2 ppm aan oplosbare chroom VI verbindingen bevat.

 

Oplosbare chroom VI verbindingen die in hoge concentraties in biomassa aanwezig zijn, zijn genotoxisch carcinogeen; hetgeen wil zeggen dat de Arbeidsomstandighedenwet daarover voorschrijft dat elke blootstelling daaraan hoe gering ook aan de bron moet worden voorkomen.

Het toevoegen van vliegas, waarin deze oplosbare chroom VI verbindingen in hoge mate aanwezig zijn, aan cement, asfalt, beton e.d. heeft dan ook tot gevolg dat de werknemers bij (wegen)bouwbedrijven die met dergelijke cement, asfalt en beton moeten werken daarmee in ernstige mate de Arbeidsomstandighedenwet overtreden.

 

Oplosbare chroom VI-verbindingen staan op de lijst van beroepsziekten bij het ministerie van SZW boven op de lijst van stoffen die bij werknemers beroepskankers kunnen veroorzaken. Oplosbare chroom VI verbindingen kunnen het lichaam via een 3-tal routes binnendringen, te weten: de ademhaling, de maag en via de huid. Bouwvakkers krijgen deze stof via al deze drie routes binnen en hebben een zeer grote kans op het krijgen van een beroepsziekte (beroepskanker) waarbij de werkgever later voor de hoge kosten zal moeten opdraaien. Voor arseen, cadmium, kwik, beryllium, lood, tin en tellurium in cement, beton, asfalt kan een soortgelijk verhaal worden verteld.

 

Hiermee hebben wij overduidelijk aangetoond dat deze stoffen nooit en te nimmer via tijdelijke nieuwe bouwmaterialen en toepassingen op een ongecontroleerde wijze (als gevolg van uitloging en na sloop) mogen worden verspreidt in ons milieu. Dit des te meer bij verbouwingen, renovatie en slopen van die gebouwen de werknemers van betreffende bouw- en sloopbedrijven zullen worden blootgesteld aan grote hoeveelheden kankerverwekkende stoffen die vrijkomen uit betreffende bouwmaterialen en als zodanig moeten werken in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet. Het vrijkomende puin, asfalt en stenen zal door de eigenaar tegen hoge kosten moeten worden verwijderd en verwerkt als gevaarlijk afval.

 

Vanuit Nederland gaan ook grote hoeveelheden vrachtwagenladingen, treinwagonladingen en scheepsladingen naar Duitsland, Zweden, ItaliŽ, BelgiŽ en andere Europese landen, om daar betreffend verdund gevaarlijk afval als biomassa te laten bijstoken in hun kolengestookte elektriciteitscentrales voor de opwekking van groene stroom waarvoor vanaf 1 juli 2003 veelal in Europees verband miljarden Euro's - deels aan subsidie en deels aan fiscale maatregelen-, is verstrekt (zie productie VII). 

 

Met bovengenoemd feitenmateriaal staat vast dat de Europese Commissie direct of indirect, vanwege haar open grenzen, al dan niet via andere EU-landen aan lidstaat Nederland miljarden euro's subsidie verstrekt om daarmee nagenoeg alle Europese richtlijnen en verordeningen over geheel Europa te overtreden, omwille van miljardenwinsten voor enkele multinationale bedrijven en haar aandeelhouders, die daarmee (op termijn) miljoenen Europeanen ernstig ziek zullen maken totdat de kankerdood erop volgt (zie producties 8 en 9 achter productie II),

 

De personen in Nederland die dergelijk, met gemeenschapsrecht strijdig handelen voorschrijven zijn de leden uit het Bestuurlijk Landelijk Overleg Milieuhandhaving (BLOM) (zie productie VIII)       

 

 

Het BLOM heeft tot taak:

-          voorstellen te ontwikkelen voor doelmatige handhaving van boven provinciaal belang in Nederland

-          de samenhang te bevorderen in de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van onderdelen van het handhavingsbeleid, zoals ketenhandhaving

-          voorstellen te doen voor verbetering van handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van regelgeving

-          afspraken te maken over gezamenlijke prioriteiten en de daarvoor benodigde capaciteit

-          coördineren van handhavingsinspanningen van de handhavende instanties

-          het coördineren van rapportages met betrekking tot de handhaving van milieuregelgeving aan de Europese Unie

 

 

Het BLOM kan daartoe de met de handhaving van milieuregelgeving belaste overheidsorganen gevraagd of ongevraagd adviseren over:

-          de afstemming van hun handhavingsbeleid, waaronder het stellen van prioriteiten voor de handhaving van de milieuregelgeving

-          hun operationele samenwerking bij de handhaving, waaronder de inzet van capaciteit voor de handhaving van de milieuregelgeving

-          handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van milieuregelgeving

-          andere onderwerpen met betrekking tot de handhaving van de milieuregelgeving

 

 

De leden van het BLOM zijn:

 

-          Mevr. S.M. Dekker, minister van Volkshuisvestiging, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

-          Dhr. drs. P.L.B.A. van Geel, staatssecretaris van Volkshuisvestiging, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

-          Dhr. mr. J.P.H. Donner, minister van Justitie

-          Dhr. dr. C.P. Veerman, minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid

-          Mevr. Drs. M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus, staatssecretaris van verkeer en waterstaat

-          Dhr. mr. G.J.R. Wolters, namens de VROM-Inspectie

-          Dhr. drs. P.H. Schoute, namens de Unie van Waterschappen

-          Dhr. B. Koelewijn, burgemeester Rijssen-Holten, namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten

-          Dhr. C.H.J. Lamers, burgemeester van Houten, namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten

-          Dhr. mr. H.A.E. Uniken Venema, namens het Openbaar Ministerie, College van Procureurs-generaal

-          Dhr. A. Moens, gedeputeerde provincie Noord-Holland, namens het Interprovinciaal overleg

-          Mevr. Drs. J.M.P. Moons, gedeputeerde provincie Noord Brabant, namens het Interprovinciaal Overleg

 

Het zijn bovengenoemde leden van het Bestuurlijk Landelijk Overleg Milieuhandhaving (BLOM) die op 4 juli 2005 de 'Interventiestrategie Bouw- en sloopafval (BSA)' hebben vastgesteld en onder hoofdstuk 2.3.12 (AVI's: definitieve verwijdering) voor het verwijderen van hout uit bouw- en sloopafval letterlijk daarin de volgende handhavingverplichtingen hebben opgenomen (zie productie IX):

 

 

Interventiestrategie Bouw- en sloopafval (BSA)

2.3.12 AVI's: definitieve verwijdering

 

Een deel van het BSA wordt afgevoerd naar een eindverwerker in Nederland.

Het niet-brandbare deel wordt gestort op een stortplaats; het brandbare deel wordt afgevoerd naar de afvalverbrandingsinstallaties (AVIīs). Ongeveer 10% van het aangeboden BSA is brandbaar. Een groot deel van de brandbare fractie van BSA bestaat voornamelijk uit hout. Hout bestaat uit A-hout (onbehandeld), B-hout (geverfd, verlijmd hout) of CC-hout (chemisch verduurzaamd hout of CCA-hout (gewolmaniseerd hout). A-hout en B-hout kunnen hergebruikt worden. Met name A-hout kan ingezet worden bij de spaanplaatindustrie waardoor geen nieuw hout ingezet hoeft te worden. A- en B-hout worden ook vaak afgevoerd ter verbranding, voor het merendeel zijn dit AVI's of E-centrales in binnen- of buitenland. Verbranding in een energiecentrale valt onder het begrip nuttige toepassing, verbranding in een AVI valt hier niet onder. De minimumstandaard voor onbehandeld (A-hout), geverfd, gelakt en verlijmd hout (B-hout) is nuttige toepassing.

 

Voor CC-hout en gewolmaniseerd CCA-hout is de minimumstandaard storten

. Verwerking in de vorm van producthergebruik, materiaalhergebruik en andere vormen van nuttige toepassing of verwijderen door verbranden waarbij diffuse verspreiding van de in het hout aanwezige metalen optreedt, is niet toegestaan. Verbranding van CC- en CCA-hout in een AVI of E-centrale is ongewenst in verband met de daardoor optredende diffuse verspreiding van metalen in de asresten. Indirecte verbranding in een E-centrale in de vorm van een voorgeschakelde vergasser is wel toegestaan, onder voorwaarde dat de daarbij vrijkomende reststoffen worden gestort. Het niveau van verwerking dat in de minimumstandaard is vastgelegd komt overeen met de gangbare wijze van verwerking in het buitenland. Een risico in deze schakel is de vermenging van CC- en CCA-hout met andere soorten te verbranden hout.

 

Hiermee is feitelijk komen vast te staan dat bovengenoemde leden van het Bestuurlijk Landelijk Overleg Milieuhandhaving (BLOM) die daarmee de  ministeries van VROM, V&W, LNV en Justitie, het gehele Openbaar Ministerie, alle Nederlandse VROM- inspecties, alle Nederlandse provinciale overheden, alle Nederlandse gemeentelijke overheden en alle Nederlandse waterschappen vertegenwoordigen, gezamenlijk hebben beslist dat vanaf 4 juli 2005 in Nederland de alle in deze klacht genoemde Richtlijnen, Verordeningen en Verdragen, waaronder de Eural en het EG-Verdrag moeten worden overtreden.

 

Dat staatssecretaris drs. P.L.B.A. van Geel, met bovengenoemde handhavingverplichting al ruim twee jaar lang de Europese Eural opzettelijk overtreedt en daarmee opzettelijk handelt in strijd met de uitspraak no's F03.98.0171, F03.98.0179, F03.98.0180, F03.98.0181, F03.98.0182, F03.98.0183 en F03.98.0184 van19 augustus 1998 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State maakt onze brief van 14 maart 2004 hierover aan hem kristalhelder (zie productie 5 achter productie II)

 

Tot op heden, ruim 2 jaar later, hebben wij van staatssecretaris P. van Geel van VROM op bovengenoemde brief d.d. 14 maart 2004 nog steeds geen antwoord mogen ontvangen. De oorzaak daarvan moet ons inziens gezocht worden in het feit dat onder verantwoordelijkheid van dezelfde staatssecretaris P. van Geel het LAP is vastgesteld. 

 

Het moge u duidelijk zijn dat Lidstaat Nederland de klassenindeling van A-hout, B-hout en C-hout opzettelijk in strijd met de EURAL en de bindende uitspraak F03.98.0171, F03.98.0179, F03.98.0180, F03.98.0181, F03.98.0182, F03.98.0183 en F03.98.0184 van 19 augustus 1998 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tot stand heeft doen komen en dat als gevolg daarvan jaarlijks miljoenen tonnen gevaarlijk afval als niet gevaarlijk afval wordt verwijderd, verwerkt, verdund door het te laten bijstoken in de Nederlandse, maar ook in de buitenlandse, kolengestookte elektriciteitscentrales voor de opwekking van groene stroom zonder dat die centrales beschikken over een vereiste milieuvergunning voor het bijstoken van gevaarlijk afval. Daarvoor ontvangt lidstaat Nederland van de Europese Commissie miljarden euro's aan overheidssubsidie (zie productie VII).

 

Lidstaat Nederland maakt zich daarmee dan ook zeer nadrukkelijk schuldig aan subsidiefraude van miljarden euro's, vanwege handelen in strijd met de Richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001.   

 

In de Richtlijn 2001/77/EG hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie onder (8) het volgende overwogen:

 

'Wanneer lidstaten afval als energiebron gebruiken, moeten zij de communautaire wetgeving inzake afvalbeheer in acht nemen. De toepassing van deze richtlijn laat de definitie van de bijlagen II A en II B van de Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen onverlet. Steun voor hernieuwbare energiebronnen dient in overeenstemming te zijn met andere communautaire doelstellingen, in het bijzonder met de hiŽrarchie van de afvalbehandeling.  Daarom mag verbranding van niet-gescheiden stedelijk afval in toekomstige steunregelingen voor hernieuwbare energiebronnen niet worden bevorderd indien de hiŽrarchie door die bevordering zou worden ontredderd.' 

 

Met de hierboven beschreven bijstook van vershredderd/vermalen sloophout, met daarin veel gevaarlijk afval (CCA-hout en CC-hout), in kolengestookte elektriciteitscentrales van Nuon en Essent (waarvan de aandelen voor 100% in handen zijn van de Nederlandse provinciale en lokale overheden) heeft lidstaat Nederland zeer nadrukkelijk gehandeld in strijd met hetgeen hierboven is overwogen. 

 

In de Richtlijn 2001/77/EG hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie onder artikel 2 lid b als definitie voor biomassa letterlijk het volgende geschreven:

 

b) 'biomassa': de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologische afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval.

 

De hierboven beschreven bijstook van vershredderd/vermalen sloophout, met daarin veel gevaarlijk afval (CCA-hout en CC-hout), voldoet in de verste verte niet aan deze definitie van biomassa.

 

In de Richtlijn 2001/77/EG hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie staat onder artikel 5 lid 1, 2, 3, 4,5 en 6 als garantie van de oorsprong van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen letterlijk het volgende geschreven:

 

  1. Uiterlijk op 27 oktober 2003 dragen de lidstaten er zorg voor dat de oorsprong van de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de zin van deze richtlijn als zodanig kan worden gegarandeerd volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria die door iedere lidstaat worden vastgesteld. Zij zien erop toe dat daartoe op aanvraag een garantie van oorsprong wordt afgegeven.
  2. De lidstaten kunnen één of meer bevoegde instanties aanwijzen, die onafhankelijk zijn van de productie- en distributiebedrijven, voor het toezicht op de afgifte van garanties van oorsprong.
  3. De garanties van oorsprong: (-) vermelden uit welke energiebronnen de elektriciteit is geproduceerd, met de datum en plaats van productie, en geven in het geval van waterkrachtcentrales het vermogen aan; (-) dienen de producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in staat te stellen aan te tonen dat de elektriciteit die zij verkopen elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de zin van deze richtlijn is.
  4. De overeenstemming lid 2 afgegeven garanties van oorsprong zouden door de lidstaten uitsluiten als bewijs voor de in lid 3 genoemde punten wederzijds dienen te worden erkend. Weigering van erkenning van garanties van oorsprong, in het bijzonder om redenen in verband met fraudepreventie, moet berusten op objectieve, Transparante en niet discriminerende criteria. Wanneer erkenning van een garantie van oorsprong wordt geweigerd, kan de Commissie de weigerende partij verplichten de garantie van oorsprong te erkennen, in het bijzonder in verband met objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria waarop de erkenning gebaseerd is.
  5. De lidstaten of bevoegde instanties voeren passende regelingen in om te bereiken dat de garantie van oorsprong nauwkeurig en betrouwbaar is en geven in het in artikel 3, lid 3, bedoelde verslag aan welke maatregelen zij hebben getroffen om de betrouwbaarheid van het garantiestelsel te garanderen.
  6. Na raadpleging van de lidstaten behandelt de Commissie in het in artikel 8 bedoelde verslag de vorm en methoden die de lidstaten in acht zouden kunnen nemen om de oorsprong van elektriciteit van hernieuwbare energiebronnen te garanderen. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad zo nodig voor daartoe gemeenschappelijke regels vast te stellen.              

 

Met de hierboven beschreven bijstook van vershredderd/vermalen sloophout, met daarin veel gevaarlijk afval (CCA-hout en CC-hout), kan lidstaat Nederland nooit de oorsprong garanderen.

 

Ook kan lidstaat Nederland met de hierboven beschreven bijstook van vershredderd/vermalen sloophout, met daarin veel gevaarlijk afval (CCA-hout en CC-hout), van onbekende herkomst nooit betrouwbare objectieve criteria hanteren.

 

Omdat de aandelen van Nuon voor 100% in handen zijn van de provinciale en gemeentelijke overheden (de aandeelhouders van Nuon zijn de provincies Gelderland, Friesland, Noord-Holland en de gemeente Amsterdam. Zij houden gezamenlijk ruim driekwart van de in totaal ruim 128 miljoen aandelen. Het overige deel wordt gehouden door circa 65 kleinere, gemeentelijke aandeelhouders en de provincie Flevoland)

 

Omdat ook de aandelen van Essent voor 100% in handen zijn van de provinciale en gemeentelijke overheden (de provincies zijn samen voor 74% aandeelhouder van Essent: Groningen (6%), Drenthe (2,3%), Overijssel(18%), Flevoland (0,02%), Noord-Brabant (30,8%), Limburg (16,1%). Bijna alle gemeenten in de genoemde provincies en een aantal gemeenten in Friesland zijn samen voor 26% aandeelhouder)

 

Omdat nagenoeg alle betrokken gemeentebesturen aandeelhouders zijn en met het verlenen van sloopvergunningen hun eigen bouwverordeningen en daarmee de EURAL overtreden

 

Omdat betrokken provinciale besturen groot aandeelhouders zijn en aan henzelf daarvoor milieuvergunning moeten verlenen en door henzelf daartegen handhavend zal moeten worden opgetreden als deze door hen opgelegde voorschriften worden overtreden

maakt duidelijk dat van een onafhankelijke objectieve controle daarop absoluut geen sprake kan zijn.

 

In de Richtlijn 2001/77/EG hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie onder artikel 6 lid 1, derde streepje, inzake gevoerde administratieve procedures letterlijk het volgende geschreven:

 

1.      De lidstaten of de door hen aangewezen bevoegde instanties beoordelen het bestaande wet- en regelgevingskader voor vergunningsprocedures of de overige procedures van artikel 4 van Richtlijn 96/92/EG die van toepassing zijn op installaties voor de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen teneinde: (---) ervoor te zorgen dat de regels objectief, transparant en niet-discriminerend zijn, en terdege rekening houden met het eigen karakter van de verschillende technieken voor hergebruik van hernieuwbare bronnen.

 

Met de hierboven beschreven bijstook van vershredderd/vermalen sloophout, met daarin veel gevaarlijk afval (CCA-hout en CC-hout), heeft lidstaat Nederland zeer nadrukkelijk gehandeld in strijd met dit artikel 6 lid 1, derde streepje, uit de Richtlijn 2001/77/EG

 

In de Richtlijn 2001/77/EG hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie onder (12) het volgende overwogen:

 

'De noodzaak van overheidssteun voor hernieuwbare energiebronnen is erkend in de communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu(1), die onder meer rekening dient te houden met de noodzaak de externe kosten van de elektriciteitsproductie door te berekenen. De bepalingen van het EG-Verdrag, in het bijzonder de artikelen 87 en 88, blijven echter op dergelijke staatssteun van toepassing.'   

 

Met de hierboven beschreven bijstook van vershredderd/vermalen sloophout, met daarin veel gevaarlijk afval (CCA-hout en CC-hout), heeft lidstaat Nederland zeer nadrukkelijk oneigenlijk gebruik en misbruik gemaakt van steun zoals bedoeld in artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag. Daarin staat namelijk letterlijk het volgende geschreven:

 

'(Art 88, lid 2, EG-Verdrag): Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 87 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of moet wijzigen binnen door haar vast te stellen termijn.' 

 

Het overtreden van alle hierboven genoemde Europese richtlijnen, waaronder de Eural, is zeer nadrukkelijk niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. De aan lidstaat verleende steunmaatregelen zijn derhalve onverenigbaar met het EG-Verdrag.

 

Ingevolge de beschikking van de Commissie van 21 juni 2000, betreffende de door Duitsland ten uitvoer gelegde staatssteun ten gunste van CDA Compact Disc Albrechts GmbH, Thuringen (kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 1728) (2000/796/EG) heeft de Europese Commissie in een minder ernstig vergelijkbaar oneigenlijk gebruik van steunmaatregelen onder de artikelen 1, 2 en 3 letterlijk de volgende beschikking gegeven

(zie productie X):

 

Artikel 2 

1.       Duitsland neemt de nodige maatregelen om de in artikel 1 bedoelde en onwettig toegekende steun van de respectieve begunstigden terug te vorderen.

2.       De terugvordering geschiedt in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures. De terug te vorderen bedragen omvatten rente vanaf de datum waarop de steun de begunstigde(n) ter beschikking is gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan. De rente wordt berekend op grond van de referentierentevoet welke wordt gehanteerd voor de berekening van het nettosubsidie-equivalent in het kader van regionale steunregelingen.

3.       In dit artikel wordt met 'begunstigden' bedoeld CDA Datentršger Albrechts GmbH en LCA Logistik Center Albrechts GmbH, evenals alle andere ondernemingen, waarvan activa en/of infrastructuur van R.E. Pilz GmbH & Co. Beteiligungs KG, Pilz & Robotron GmbH&Co. Beteiligungs KG of Pilz Albrechts GmbH zijn of worden overgedragen om de gevolgen van deze beschikking te omzeilen    

 

Artikel 3

Duitsland deelt de Commissie binnen één maand van vanaf de kennisgeving van de beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om aan de beschikking uitvoering te geven.

 

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 21 juni 2000.

 

Namens appellanten verzoeken wij u tot het nemen van een beschikking overeenkomstig bovengenoemde beschikking van uw Commissie,

waarbij Nuon, Essent en andere betrokken ondernemingen de door lidstaat Nederland verstrekte geldelijke steunmaatregelen moeten terugbetalen aan de Nederlandse Staat c.q. Europese Gemeenschap omdat die onverenigbaar zijn met het EG-Verdrag. 

 

 

Conclusie 

 

Uit de hierboven aangeleverde en onderbouwde informatie kan worden opgemaakt dat, vanwege de massaalheid en grensoverschrijdend karakter, het voor alle Europese lidstaten van groot belang is dat door de Commissie van de Europese Gemeenschappen de hierboven beschreven klacht zo spoedig mogelijk ter afhandeling wordt neergelegd bij het Europese Hof van Justitie in Luxemburg en er door uw Commissie zo spoedig mogelijk een beschikking wordt genomen op ons verzoekschrift waarbij Nuon, Essent en andere betrokken ondernemingen de door lidstaat Nederland verstrekte geldelijke steunmaatregelen moeten terugbetalen aan de Nederlandse Staat c.q. Europese Gemeenschap omdat die onverenigbaar zijn met het EG-Verdrag. 

 

De machtiging van de Stichting Sociale Databank Nederland vindt u bijgevoegd (zie bijlage N achter productie I). De machtigingen van de overige appellanten vindt u bijgevoegd

(zie bijlage 2 achter productie II).

 

In geval u aanvullende stukken nodig acht of mondelinge toelichting wenst dan zijn appellanten en ondergetekende namens appellanten gaarne bereid om die aan u te verstrekken of toe te lichten.

 

In afwachting van uw beslissing op bovengenoemde klacht en verzoek tot het nemen van een beschikking verblijven wij,

 

Hoogachtend

Ecologisch Kennis Centrum B.V.

voor deze

 

Ing. A.M.L. van Rooij

directeur

 

 

Bijlagen:

Productie I     (   46 pagina's)           Productie VI    (  3 pagina's)

Productie II    ( 113 pagina's)           Productie VII    (  4 pagina's)

Productie III   (    5 pagina's)            Productie VIII   (  2 pagina's)

Productie IV  (   36 pagina's)            Productie IX    (  3 pagina's)

Productie V   (    3 pagina's)            Productie  X    ( 17 pagina's)