Het gelijk van Keynes en Montesquieu

Geld . . . Topics . . . . . SDN . . . Crisisdebat . . . Politiek

de NRC van 16 januari 1997


Prof. Dr. S. Stuurman,
hoogleraar Europese ontwikkelingsstudies
Erasmus Universiteit Rotterdam


De Europese Unie kiest voor een puur monetaire unie en een daarbij passend restrictief economisch beleid. Daartoe bestaat, aldus Siep Stuurman, beslist geen economische noodzaak. Het is een politieke keus, die een evenwichtig staatsbestel ondermijnt. Net als generaals zijn economen meestal bezig de vorige oorlog te winnen. De Duitse economen winnen zelfs twee vorige oorlogen: die tegen de hyperinflatie in de Republiek van Weimar en die tegen de recente, veel minder erge inflatie van de jaren zeventig jaren.

De gevolgen zijn paradoxaal. Terwijl de werkloosheid in de kernlanden van de Europese Unie varieert van 8 tot 12 procent, wordt de economische politiek geheel ondergeschikt gemaakt aan een restrictief monetair beleid. De Europese Economische en Monetaire Unie wordt in de praktijk vooral een monetaire unie. Van een gemeenschappelijk economisch beleid is nauwelijks sprake, om van een Europese sociale politiek maar helemaal te zwijgen.

In het rijtje van de beroemde criteria waaraan de leden van de Euroclub zullen moeten voldoen, komt werkgelegenheid niet voor. De drieprocentnorm van het financieringstekort (op zichzelf al een volstrekt willekeurig getal) zal een expansieve economische politiek vrijwel onmogelijk maken. De grote meerderheid van de Europese politici is zozeer gefixeerd op de heilige koe van het stabiliteitspact, dat zij geheel blind zijn voor de nieuwe kansen die een echte Europese economische politiek zou bieden. De regeringen van de nationale staten, murw gemaakt door de beperkte manoeuvreerruimte van kleine en middelgrote economieën, spreken tegenwoordig in haast animistische termen over de wereldmarkt, een mythisch verscheurend beest dat zoet gehouden moet worden met dagelijkse werklozenoffers en waartegen politici niets kunnen ondernemen (of zelfs niet meer willen kunnen ondernemen).

Gedachteloos wordt het nationale scenario overgeplant naar Europa. De betrekkelijke onmacht van de nationale staten wordt zonder enig serieus argument van toepassing verklaard op de Europese Unie. De paradoxale situatie doet zich voor dat de politici blijven denken in termen van de oude kleine en middelgrote Europese nationale staten, terwijl ze bezig zijn een Europese constructie tot stand te brengen die van een kwalitatief andere orde is. Duitsland, de grootste van de oude nationale economieën, neemt 8 procent van de wereldproductie voor zijn rekening. De Europese Unie van de vijftien daarentegen is goed voor meer dan 29 procent van de wereldproductie, en is daarmee de grootste economische macht in de wereld, ruim voor de Verenigde Staten (26 procent) en Japan (een bescheiden 17,5 procent). Een economische macht van een dergelijke omvang is niet gedwongen een angstige, marktconforme, politiek te voeren.

Gelet op zijn enorme interne markt, op de strategische reserves aan technologie en knowhow, en de infrastructuur die misschien wel de beste ter wereld is, kan de Europese Unie het zich veroorloven harde voorwaarden te stellen aan het zo gevreesde internationale geldkapitaal. Natuurlijk zullen er allerlei financiële vluchtconstructies gebruikt worden, maar voor een algemene kapitaalvlucht hoeft Europa niet bang te zijn. Daarvoor is de Europese markt eenvoudig te groot en te aantrekkelijk.

Jean-Claude Trichet, de gouverneur van de Franse centrale bank, verklaarde onlangs in een interview met Le Monde dat Europa door de euro meer dan vroeger beschermd zou worden tegen internationale koersfluctuaties en dat de euro in de internationale transacties van de Europese Unie de plaats van de dollar als rekengeld zou kunnen innemen. Dat is op termijn geen onrealistische verwachting. In het verlengde van zo'n perspectief liggen ook mogelijkheden voor een expansieve Keynesiaanse politiek op Europees niveau.

Het is tegenwoordig in de mode om de inzichten van Keynes 'verouderd' te noemen, maar ik twijfel eraan of de economen en politici die dat zo vaak en zo gemakkelijk zeggen, Keynes' General Theory nog wél eens in te kijken. In dat in 1936 verschenen boek geeft de Britse econoom een diagnose van de economische malaise van zijn tijd die in een aantal opzichten treffende overeenkomsten vertoont met de huidige situatie.

Uitgaande van de vooronderstelling dat het investeringsgedrag wordt bepaald door de economische toekomstverwachtingen van de kapitaalbezitters, constateert Keynes in zijn tijd onder meer een verschuiving van ondernemers naar aandeelhouderskapitalisme. De consequentie is dat de kortetermijnverwachtingen de overhand krijgen op die over een langere periode. Veel frictie en verspilling zijn het resultaat.

Keynes' tweede stelling is dat deze situatie, in combinatie met de normale ups and downs van de markt, leidt tot fluctuaties in de economische activiteit, waarin zich hoogstens een precair en langzaam verschuivend 'evenwicht' kan vormen.

Keynes' derde en beslissende these is vervolgens dat er op theoretische gronden geen goede redenen zijn om aan te nemen dat het bedoelde evenwicht zal samenvallen met een situatie van volledige werkgelegenheid; in de regel zal het op een lager niveau van activiteit tot stand komen. De door Keynes voorgestelde remedie is bekend. Een betrekkelijk geringe expansie van de staatsuitgaven kan via het multiplicatoreffect tot een meer dan evenredige verhoging van de werkgelegenheid leiden.

Keynes was zich, in tegenstelling tot wat vaak over hem gezegd wordt, wel degelijk bewust van het gevaar van het weglekken van de bestedingsimpuls naar het buitenland, maar in de 'General Theory' meent hij dat de omvang van het lek niet groot genoeg zal zijn om de positieve effecten van een expansief beleid teniet te doen. In de relatief gesloten nationale economieën van de jaren dertig was dat waarschijnlijk een realistische aanname, en in de eerste naoorlogse decennia ook nog wel, maar tegen de jaren zeventig. was de internationalisering van de Europese economieën zozeer toegenomen, dat ze uiterst kwetsbaar waren voor dergelijke weglekeffecten.

Vaak wordt in dit verband gewezen op het falen van het Keynesiaanse beleid van de Franse socialistische regering onder het presidentschap van Mitterrand in het begin van de jaren tachtig. Daar moet dan wel bij verteld worden, dat de Franse socialisten onder de meest ongunstige omstandigheden moesten werken: een zeer open economie, een restrictief beleid in alle omliggende landen, en daarbij nog een politiek gemotiveerde kapitaalvlucht.

Intussen zijn we bijna vijftien jaar verder en zijn de omstandigheden drastisch gewijzigd. Overal in Europa is de afgelopen tien jaar een restrictief beleid gevoerd en overal hebben we te maken met een omvangrijke onderbezetting van de productiecapaciteit en een hardnekkige werkloosheid die niet verdwijnt door bezuiniging op bezuiniging te stapelen en al evenmin door jaar in jaar uit in plechtige seances de geest van de vrije markt aan te roepen.

Misschien wordt het langzaam tijd voor een serieuze politieke discussie over de perspectieven van een actief economisch beleid van de Europese Unie als geheel. in ieder geval moet de huidige keuze voor een louter monetaire unie en een restrictief Europees beleid gezien worden voor wat zij is: een politieke keuze en niet een economische 'noodzaak'. Symbool van de Euro

De komst van de euro kan behalve in een economisch ook in een politiek kader worden bezien. Jacques Delors, de oud-voorzitter van de Europese Commissie, waarschuwde in december 1995 voor een eenzijdige monetaire uitbouw van de Europese Unie. Tegenover de nieuwe Europese centrale bank zou een "véritable pouvoir économique" moeten komen te staan. Volgens Delors was dat de eerste en vitale voorwaarde voor het welslagen van het gehele project ("Au-dela d'une Europe des seuls banquiers", Le Nouvel Observateur, 21-27 december 1995).

Het scenario dat nu dreigt, onderstreept de waarschuwing van Delors. Met de Europese centrale bank wordt een enorme politiek-economische macht in het leven geroepen zonder dat daar op Europees niveau een effectieve tegenmacht tegenover staat.

Centrale bankiers zullen altijd geneigd zijn een voorzichtig en restrictief geldbeleid te voeren. Daar is niets mis mee, daar zijn centrale bankiers voor. Maar in de nationale staten worden de monetaire en financiële gezagsdragers geconfronteerd met de tegenmacht van de spending departments, terwijl de regering zich daarenboven tegenover het parlement heeft te verantwoorden. In de Europese Unie niets van dit alles. Afgezien van de landbouw en regionale steunfondsen zijn er helemaal geen Europese spending departments (behalve in fantasie van mevrouw Thatcher). Zelfs op papier is er nog nauwelijks een Europese sociale politiek.

Er is geen parlementaire controle op het Europese beleid. De nationale parlementen kunnen in praktijk niet tornen aan de in de Europese ministerraad bereikte compromissen en het Europese parlement mist de benodigde bevoegdheden. Het Europarlement ontbreekt het bovendien aan de nodige slagkracht, omdat het geen echte Europese volksvertegenwoordiging is, maar een verzameling nationale deelparlementjes die pro forma allemaal tegelijk gekozen worden. Van echte politieke wilsvorming op Europees niveau komt met de thans geldende verkiezingsprocedure bitter weinig terecht.

De creatie van de Europese centrale bank zal de machtsverhoudingen in de Unie ingrijpend wijzigen. Behalve Keynes moeten we Montesquieu van de boekenplank halen. De Eurobank is tenslotte niets anders dan een nieuwe etappe in de langzame constructie van de Europese staatsinstellingen die in de jaren vijftig is begonnen.

Het gaat me hier niet om het ideologische etiket dat erop wordt geplakt, intergouvernementeel, supranationaal, federalistisch - dat zijn termen met een hoge gevoelswaarde voor politici (vooral in Londen). De realiteit is feitelijk nogal eenvoudig: de Europese Linie is een samenwerkingsverband van nationale staten waarin zich incrementeel nieuwe instellingen, regels en beleidsvormen ontwikkelen.

Het zwaartepunt van financiën en uitvoering ligt nog altijd bij de nationale staten, maar de Europese Unie heeft door haar autonome regelgeving en de permanente compromissenproductie van de Europese ministerraad langzaam maar zeker een eigen politieke macht verworven. De vorming van de Eurobank zal tot een aanmerkelijke vergroting van die macht leiden. De veel gehoorde uitspraak dat de nieuwe bank 'onafhankelijk van de politiek' zal zijn, is in zoverre misleidend dat er met de oprichting van de Eurobank juist een nieuw, en bovendien geducht politiek machtscentrum geschapen wordt.

De vraag naar een effectieve tegenmacht, naar een reële machtenscheiding in de Europese Unie, dringt zich dan vanzelf op. (De Franse eis van een minimale politieke controle op de Eurobank is dan ook volledig terecht). Montesquieu heeft opgemerkt dat macht inherent expansief is, macht stoot door tot zij op een hindernis stuit. Vandaar zijn beroemde devies "ne que le pouvoir arrête le pouvoir": macht kan alleen door tegenmacht worden ingetoomd.

Het zou goed zijn als de verdere ontwikkeling van de Europese Unie ook in dit perspectief wordt bekeken. Het gaat tenslotte niet alleen om zuiver economische kwesties. Het kan ons toch niet onverschillig zijn wat voor soort staatsinstellingen er op den duur op Europees niveau zullen ontstaan.

Het heeft er alle schijn van dat de politici in meerderheid zijn blijven steken in een neoliberaal scenario dat zijn schijnbare evidentie ontleent aan de nationale realiteiten van gisteren. Er wordt veel gesproken over Europese uitdagingen en perspectieven, maar men realiseert zich te weinig dat we in de Europese Unie op den duur met een kwalitatief nieuwe politieke en economische realiteit te maken krijgen waarop de nationale ideologische recepten van de afgelopen twee decennia niet meer van toepassing zijn.

Er liggen nieuwe mogelijkheden en het is de vraag wat daarmee gedaan wordt. Daarover horen we in de politieke discussies te weinig. Te veel horen we daarentegen schijnargumenten voor de invoering van de euro van het kaliber 'handig voor toeristen, want ze hoeven geen geld meer te wisselen als ze naar het buitenland gaan'. Zouden politici en economen nu echt de enigen zijn die nog niet weten dat je in het buitenland gewoon met je pincode lokaal geld kunt opnemen?

Dr. S. Stuurman is hoogleraar
Europese ontwikkelingsstudies aan de
Europese Universiteit Rotterdam

De staatsschuld volgens het CBS