Henry George en Edward Bellamy waren twee econmen die een basisinkomen voor iedereen bepleitten

The condition of labour

Grondvest . . . SDN Henry George <=====> SDN . . . Bellamy . . . GB Institute

De christelijk ge´nspireerde maatschappijcriticus Henry George 1839-1897

Inleiding

Reeds enkele decennia voor Rerum Novarum verscheen publiceerde de christelijk geïnspireerde maatschappijcriticus Henry George 1839-1897 al over de sociale mistoestanden waarover de paus in 1891 spreekt. George's hoofwerk 'Progress en Poverty' verscheen in 1879 en werd over de gehele wereld gelezen en verspreid. Meer nog dan 'Das Kapital' van Karl Marx. George maakte evenals later de paus bezwaar tegen het streven van de Marxisten om alle privaat bezit tot gemeengoed te maken en alle productiemiddelen in handen van de staat te brengen.

George was een fel verdediger van de private eigendom door arbeid verworven. Fel tegenstander was George van private eigendom van de 'door God gegeven' natuurgoederen waaronder met name 'grond'. Heilig verontwaardigd en ernstig bezorgd heeft hij dan ook stelling genomen tegen de grondeigendomsopvattingen van de paus in Rerum Novarum.

In een open brief aan Paus LEO-XIII geeft hij van zijn bezorgdheid blijk. Deze brief is uitgegeven als 'The condition of labour' (Het vraagstuk van de arbeid) vertaald door de Nederlandse Georgist J. Stoffel. De Nederlandse vertaling van de brief beslaat 113 pagina's en is verdeeld in 5 hoofdstukken. Omwille van de ruimte worden hier slechts citaten uit voornamelijk het eerste hoofdstuk weergegeven. Wim Sweers maakte de keuze en synchroniseerde deze met de verzamelde uitspraken uit Rerum Novarum:



by Henry George

    Over de aanleiding

"Ik heb met zorg uw encycliek gelezen over het arbeiderswaagstuk. die gij door bemiddeling van de patriarchen. de primaten. de aartsbisschoppen en bisschoppen van uw kerk hebt gericht tot de Christenheid over de gehele wereld. Omdat gij daarin op besliste wijze een theorie hebt veroordeeld, die naar onze overtuiging uw steun verdient. vraag ik verlof om aan Uwe Heiligheid de gronden bloot te leggen, waarop onze overtuiging steunt en enige overwegingen te maken. die gij, helaas, over het hoofd hebt gezien."

"De hoge ernst der feiten, waarop gij wijst. de armoede, de ellende en de geest van ontevredenheid, die de Christenwereld doordringt, het gevaar, dat hartstocht de onwetendheid zal opzwepen tot een blinde worsteling met maatschappelijke toestanden, die met iedere dag meer ondraaglijk worden. rechtvaardigen mijn handeling."

    Over de uitgangspunten

"Onze grondstellingen zijn alle uitgesproken of vervat in uw encycliek. Zij zijn de grondbegrippen van de menselijke rede. de fundamentele leringen van het Christelijk geloof. Wij zijn van oordeel:

Dat deze wereld de schepping van God is. De mensen. die er op geplaatst zijn voor de korte tijd van hun aards bestaan. zijn door Zijn goedheid gelijk geschapen en gelijkelijk het voorwerp van Zijn alvoorzienende zorg."

    Over de behoeften van de mens

"Door zijn lichaam heeft de mens stoffelijke behoeften van welker vervulling niet alleen zijn stoffelijk bestaan afhangt, maar ook de ontwikkeling van zijn verstandelijk en geestelijk leven. God heeft de vervulling 'van die behoeften afhankelijk gemaakt van 's mensen eigen inspanning, door hem het vermogen te geven en de verplichting op te leggen, om te arbeiden - een vermogen dat op zich zelf hem ver boven het dier verheft, zodat wij in alle ootmoed mogen zeggen, dat het hem in staat stelt om als het ware een helper te worden bij het scheppingswerk."

"God heeft aan de mensen niet ten taak gesteld tichelen te maken zonder stro. Met de macht en de verplichting om te arbeiden, heeft hij de mens ook de grondstof daartoe gegeven. Die grondstof is het land - omdat de mens wat zijn stoffelijk lichaam betreft. een landdier is, die alleen op het land en van het land kan leven en geen gebruik kan maken van de andere levenselementen, als lucht, zonneschijn en water, dan alleen door middel van het gebruik van land. Omdat wij allen gelijkgerechtigde schepselen van de Schepper zijn, gerechtigd onder Zijn voorzienigheid ons leven te leven en in onze behoeften te voorzien, daarom hebben alle mensen een gelijk recht op het gebruik van de aarde en iedere wet, die inbreuk maakt op dit recht, is een zedelijk onrecht."

    Over het eigendomsrecht

"Ten opzichte 'van het eigendomsrecht zijn wij 'van mening: Dat wij als vrije mensen zijn geschapen met eigen behoeften en eigen krachten en daarom ieder voor zich zelf (natuurlijk onder voorbehoud van verplichtingen, die wij tegenover ons gezin op ons hebben genomen) recht hebben op het gebruik 'van onze eigen vermogens en het genot van de vruchten 'van onze eigen inspanning. Daar bestaat des, voor alle menselijke wetten en zijn geldigheid ontlenend aan Gods wet, een recht van privaat eigendom op producten 'van eigen arbeid - een recht dat de eigenaar kan over-dragen, maar wanneer men het hem tegen zijn wil ontneemt dan is dat diefstal. Dit recht van eigendom, dat zijn oorsprong vindt in het recht 'van de mens op zijn eigen persoon, is het enige ware en volledige eigendomsrecht. Het kan worden toegepast op producten van menselijke arbeid, maar nooit op dingen die door God zijn geschapen."

    Over de grondeigendom

"Wanneer dingen door God geschapen, worden belegd met hetzelfde eigendomsrecht. als waarmee dingen door arbeid voortgebracht belegd kunnen worden, dan maakt men inbreuk op, dan ontkent men het ware eigendomsrecht Want wanneer een mens genoodzaakt wordt om uit de opbrengst van zijn arbeid aan een ander mens huur te betalen voor het gebruik 'van de lucht, de zonneschijn of de grond, alle dingen die wij samenvetten in het begrip land, dan wordt die mens zijn wettig eigendom ontnomen, dan wordt hij bestolen.

Wat het gebruik van land betreft zijn wij 'van mening: Dat het recht van eigendom naar billijkheid wel kan worden toegepast op arbeidsproducten maar niet op land. alleen het tijdelijk bezit van land mag worden toegestaan. Zoals Uwe Heiligheid zegt "God heeft de aarde aan het mensdom overgelaten, niet in die zin als zouden allen zonder onderscheid meester over de aarde zijn" en een regeling. die het meest doelmatig gebruik daarvan verzekert, kan worden 'vastgesteld door menselijke wetten. Maar die regeling moet in overeenstemming zijn met de zedenwet - moet aan allen een gelijk aandeel geven in de voordelen van Gods goedheid.

Het is hetzelfde beginsel als wanneer een aardse veder zijn eigendom gelijkelijk aan al zijn kinderen nalaat. Sommige van de dingen, die hij nalaat, zijn misschien ongeschikt voor gemeenschappelijk gebruik of voor verdeling. Daarom kunnen zulke zaken in billijkheid aan de kinderen afzonderlijk worden toebedeeld; maar alleen onder voorwaarde, dat een zoveel mogelijk gelijke waarde aan ieder kind wordt toebedeeld."

    Over de staat en de belasting

"Het is natuurlijk, dat die juiste wijze om de staatsinkomsten te verkrijgen in overeenstemming moet zijn met de zedenwet. Bij gevolg:

  • Zij moet niet aan de individuen ontnemen wat naar recht eigendom is van individuen.

  • Zij moet de een geen voordelen verschaffen boven de ander. door de prijzen te verhogen van datgene wat de een heeft te verkopen en de ander moet kopen.

  • Zij moet niet mensen in verzoeking leiden door lichtvaardige eden te eisen, door liegen voordelig te maken, of het te verleiden vals te zweren, een ander om te kopen of fooien aan te nemen.

  • Zij moet geen verwarring brengen in het begrip van recht en onrecht, en de leringen van de godsdienst en de plichten tegenover de staat niet verzwakken door een misdaad te stempelen op iets wat op zich zelf geen zonde is en mensen straffen voor handelingen, waartoe zij op zich zelf ongetwijfeld het volste recht hebben.

  • Zij moet de arbeid niet onderdrukken.

  • Zij moet de ruiling niet belemmeren.

En nu verzoek ik Uwe Heiligheid de belastingen te beschouwen op de arbeid en op de producten van de arbeid, waardoor thans in de gehele beschaafde wereld de staatsinkomsten worden verkregen. De belastingen op het bedrijf, op het loon, op het bezit, op het bouwen van huizen, op het bebouwen van grond, op arbeid en spaarzaamheid op elk gebied; kunnen dit de middelen zijn, door God bedoeld, om in de behoeften van de gemeenschap te voorzien?"

"Bezit een van deze belastingen de karaktertrek, die wij onmisbaar achten voor een rechtvaardige wijze van inkomstenverwerving voor de staat? Al die belastingen zijn een schending van de zedenwet. Zij nemen met geweld, wat rechtmatig aan het individu behoort; zij geven aan de oneerlijken een voordeel boven de eerlijken; zij hebben tengevolge, nee, zij hebben voor een groot deel ten doel, om de prijs te verhogen van wat sommigen hebben te verkopen en dat anderen moeten kopen; zij brengen bederf in de regering; zij maken eden tot spotternij; zij knevelen de handel; zij leggen een boete op arbeid en spaarzaamheid; zij verminderen de rijkdom waarvan de mensen kunnen genieten en maken enkelen rijk door velen arm te maken."

"Maar het meest klemmende bewijs, dat dit stelsel om de staatsinkomsten te verkrijgen in tegenspraak is met de christelijke leer, is zijn invloed op het denken van de mensen. Uit het stelsel om arbeid en arbeidsproducten te belasten en uit het gevolg daarvan: de verhoging van de prijs van wat sommigen hebben te verkopen en anderen moeten kopen is de theorie van de "bescherming van de nationale arbeid" voortgekomen, die in strijd is met het Evangelie en wetten voor het bevorderen van de volkswelvaart, die in strijd zijn met de leer van Christus."

"In uw handen, meer in die van enig levend mens, ligt de macht om het woord uit te spreken en het teken te geven, dat een einde zal maken aan een onnatuurlijke echtscheiding en weer alles wat rein en verheven is in het streven naar maatschappelijke verbetering zal huwen aan de godsdienst"

"Uwe Heiligheid als grootste zegening toe wensend, dat gij de waarheid zult leren kennen en verlost zult worden door de waarheid; u de dagen toewensend en de kracht, die u in staat kunnen stellen, door de grote dienst die gij aan de mensheid kunt bewijzen, uw hogepriesterschap roemruchtig te maken voor alle komende geslachten, en met de diepste eerbied voor uw persoonlijk karakter en voor uw hoge waardigheid, ben ik in alle oprechtheid,"


    HENRY GEORGE

    New-York. 11 september 1891.