Officier van Justitie
Arrondissementsrechtbank
Brinkstraat 4
9401 HZ Assen
Betreft: aangifte van verkrachting van een discotheekbezoekster in Lord Nelson en aanklachten tegen de burgemeester van Coevorden, de wethouders van Coevorden, H. I. Huizenga , brigadier van politie Drenthe, District
Zuid, rechercheur verdovende middelen en het hoofd RCID dhr A. Vries.
Coevorden, 28 oktober 1999
Excellentie,
Ondergetekende, F.J. Beukeveld, geboren 10 maart
1957 te Coevorden en wonende Weijerswold 8 te Coevorden, geeft eerbiedig
te kennen na ampel beraad tot de conclusie te zijn gekomen een aantal aanklachten
tegen de burgemeester van Coevorden, tegen de wethouders van de gemeente
Coevorden, tegen brigadier van politie Drenthe district Zuid dhr H.I. Huizenga
en tegen het hoofd RCID dhr A. Vries in te moeten dienen.
Daarnaast wil ik aangifte doen van verkrachting van
Mevr. J. Ho in de herentoilet van Lord Nelson te Coevorden d.d. 28 mei
tussen 01.30 en 2.30 uur door een vrouwelijk politie-beambte, die onderdeel
uitmaakte van het politieteam, dat mijn discotheek kwam binnenvallen. Nadere
details van de omstandigheden staan beschreven op blz 20 en 49.
Gezien het feit dat alleen de burgemeester de bevoegdheid
heeft in het kader van artikel 13b Opiumwet op te kunnen treden, worden
alle gedragingen van de politie tijdens de inval in Lord Nelson d.d. 28
mei 1999 aangemerkt, als gedragingen van de burgemeester van Coevorden.
Een overzicht van de aanklachten wordt in tabel 3
weergegeven. Deze tabel is opgesteld aan de hand van het relaas aan de
feiten, die u hieronder aantreft.
Voor de voorlopige aanleiding tot de inval
en het proces-verbaal van bevindingen wordt u verwezen naar de bijlagen
1 t/m 8.
Voor een chronologisch overzicht van de strijd tegen bepaalde ambtenaren
en bestuursrechters wordt u aangeraden met deze hyperlink te beginnen.
Inleiding
Verbouwereerd heb ik kennis genomen van het geheel
herziene proces-verbaal van bevindingen dossiernr. PL033A/99-14595 opgemaakt
onder ambtseed door brigadier H.I. Huizenga d.d. 29 september 1999 (bijlage
9). Door dit herziene proces-verbaal heb ik mijn geloof en vertrouwen in
én mijn respect voor de politie grotendeels verloren. Dat is betreurenswaardig.
Bij de politie moet je toch te allen tijde aan kunnen kloppen. Zij zijn
er juist voor om je te beschermen tegen onheil, onrecht, onwaarheden en
onjuistheden in de maatschappij.
Dit blijkt niet meer te kloppen.
De politie genereert zelf onheil, onrecht en onwaarheden
en verkondigt deze onwaarheden aan de maatschappij door middel van ondeugdelijke
processen-verbaal.
Deze processen-verbaal en hun discrepanties met de
werkelijkheid, in samenhang met de brieven van de burgemeester van Coevorden,
zijn de aanleiding voor een groot aantal aanklachten tegen eerder
genoemde personen.
In de herziene versie van het proces-verbaal wordt
zo nadrukkelijk ingegaan op het groot aantal klachten, dat ik 23 augustus
1999 aan de korpschef mr H. Patberg en wijkchef A.J. Kuipers heb doen toe
komen, dat deze herziene versie in dit opzicht een farce lijkt (bijlagen
10-12).
Omdat ik niet weet of een proces-verbaal van bevindingen
over een inval, waarbij drang- en dwangmiddelen van de zijde van de
politie zijn toegepast, nog 4 maanden na akte mag worden herzien, wil
ik op grond van artikel 152 van het Strafrecht, artikel 12, lid 2 van de
Grondwet en op grond van artikel 10 van de Algemene wet op het Binnentreden
gebruik maken van het eerste proces-verbaal van bevindingen, eveneens
onder ambtseed opgemaakt door brigadier H.I. Huizenga d.d. 31 mei 1999
(mutatienr. PL033a/99-126991, bijlage 3) en niet van het laatste herziene
proces-verbaal (bijlage 9).
Dat in dit eerste proces-verbaal géén
melding wordt gemaakt van het gebruik van drang- en dwangmiddelen én
illegaal binnentreden in privé-ruimten én dat daarbij geen
schriftelijk verslag van binnentreden aan de officier van Justitie én
de eigenaar is gestuurd, is te wijten aan de rapporteur en niet aan het
proces-verbaal.
Intermezzo 1: opmaken van een proces-verbaal
Art. 152 van het Wetboek van
Strafvordering verplicht opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal
op te maken van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden.
Ingevolge door de hoofdofficieren
van justitie aan de politie bekend gemaakte voorschriften van de procureurs-generaal
bij de gerechtshoven dient te allen tijde proces-verbaal te worden opgemaakt
van handelingen van de politie waarbij dwangmiddelen zijn toegepast, uitgaande
van het moment van aanhouding van de verdachte.
Per 1 juni 1994 is een en ander
vastgelegd in de Richtlijn schriftelijke vastlegging dwangmiddelen (deze
richtlijn is vastgesteld in de vergadering van de procureurs-generaal van
13 april 1994, Stcrt. 1994, 96).
Intermezzo 2: het schriftelijk verslag
van binnentreden
Artikel 10 van de Algemene wet op het binnentreden: Ingevolge
dient aan de bewoner in wiens woning zonder toestemming is binnengetreden,
een schriftelijk verslag van het binnentreden te worden verstrekt.
- bepaalt dat degene die zonder toestemming van de bewoner in een
woning is binnengetreden, op ambtseed of -belofte een schriftelijke verslag
opmaakt omtrent het binnentreden. Ingevolge artikel 11 van deze wet
wordt het verslag uiterlijk op de vierde dag na die waarop in de
woning is binnengetreden, toegezonden aan degene die de machtiging heeft
afgegeven. Eveneens wordt uiterlijk op de vierde dag als hiervoor
genoemd een afschrift van het verslag aan de bewoner uitgereikt of toegezonden.
Redenen waarom ik de voorkeur geef aan het eerste
proces-verbaal zijn:
-
het eerste proces-verbaal heeft een tweetal hoorzittingen,
een tweetal kortgedingen en een tweetal commissies meegemaakt. Aan de hand
van deze gegevens, die onder ambtseed door brigadier H.I. Huizenga zijn
op gesteld, zijn door betrokkenen verstrekkende conclusies getrokken, met
verstrekkende gevolgen, zoals het sluiten van de discotheek voor de duur
van drie maanden, intrekken van de horecavergunning voor een periode van
5 jaar, op schrift beschuldigen van drugsgebruik en het laten voorkomen
van feiten, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning
gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.
Omdat in het herziene proces-verbaal de beschuldiging van het drijven van
handel van mij en mijn dames in de discotheek er bij is gekomen,
vrees ik dat bij deze trend en snelheid aan beschuldigingen zeer binnenkort
de beschuldigingen over gaan in het drijven van handel van mij en mijn
dames in en rondom de discotheek, later uitdijend tot ver daarbuiten.
Dit zou te veel eer voor mij en mijn dames zijn, omdat ik nooit het
gebruik van middelen, laat staan het handelen daarin, in mijn discotheek
heb getolereerd.
- In de brief van de burgemeester van Coevorden d.d. 24
augustus 1999, gericht aan de Griffier van de sector Bestuursrecht van
de Rechtbank te Assen krijg ik het verwijt van de burgemeester van Coevorden
niet op het proces-verbaal van bevindingen van brigadier H.I. Huizenga
in te zijn gegaan, terwijl zo zegt de burgemeester van Coevorden dit proces-verbaal
toch de basis vormt, waarop de fungerend president én hij hun standpunten
hebben berust (bijlage 13). In deze wil ik de burgemeester van Coevorden
niet teleurstellen en wil ik nogmaals zeer nadrukkelijk stellen van het
eerste proces-verbaal gebruik te willen maken.
- Ten derde, in het herzien proces-verbaal, 4 maanden
na de inval onder ambtseed opgemaakt door brigadier H.I. Huizenga, wordt
met geen woord gerept over het eerste proces-verbaal van bevindingen,
eveneens onder ambtseed opgemaakt door dezelfde brigadier H.I. Huizenga,
noch wordt melding gemaakt van het feit, dat deze geheel is herschreven.
Hierdoor ontstaat in sommige gevallen de indruk, dat het laatste proces-verbaal
het enige proces-verbaal over de inval in Lord Nelson is. Dit herziene
proces-verbaal kan het leven in gaan, als zijnde het enige proces-verbaal
over de inval. Dit lijkt mij voor een eerlijke rechtsgang geen goede zaak
in die gevallen waarbij het eerste proces-verbaal van bevindingen (bewust)
wordt weggelaten. Het allereerste voorbeeld van het bewust weglaten
van het eerste proces-verbaal treft u aan bij het indienen van de aanklacht
tegen mij door de politie van Coevorden bij mr D. ten Boer (bijlagen 14
en 15).
Aspecten van de twee processen-verbaal van dhr Huizenga
Aan de hand van het herziene proces-verbaal (bijlage
9) probeer ik alle onderwerpen in dit proces-verbaal van boven naar beneden
de revue te laten passeren, waarbij ik telkenmale op inhoudelijke aspecten
in zal gaan, om aan te geven, dat sommige aanvullingen het gebeuren tijdens
de inval verduidelijken, hetgeen de rechtsgang ten goede komt. Echter wijken
de meeste opmerkingen in het herziene proces-verbaal, onder ambtseed opgemaakt,
steeds verder af van de waarheid en werkelijkheid. Derhalve gaat mijn aandacht
het meest uit naar discrepanties tussen allerlei bevindingen, beweringen
en onwaarheden, met de bedoeling dat alle recht zal zegevieren.
Het herziene proces-verbaal, onder ambtseed opgemaakt
door brigadier H.I. Huizenga (bijlage 9), begint als volgt: naar aanleiding
van ambtelijke bevindingen, onder meer gerelateerd in 3 bijgevoegde processen-verbaal
opgemaakt door het hoofd van de Regionale Criminele Inlichtingendienst
van de Regiopolitie Drenthe (RCID) enz. enz..
Als ik nu de andere feiten gepleegd naast
die van onder meer nader wil uitpluizen dan moeten naast de
3 processen-verbaal er bevindingen op papier staan of andersoortig bewijsmateriaal
aanwezig zijn, waaruit de rechter in de bodemprocedure zijn conclusie kan
trekken. De rechter moet in de eerste plaats kunnen beoordelen of er inderdaad
sprake is van andere feiten, dan die vermeld in de drie bijgeleverde processen-verbaal
en ten tweede moet de rechter kunnen beoordelen, of deze feiten strafbaar
zijn c.q. bijdragen aan de beschuldigingen, die aan mij zijn gericht. Graag
zou ik deze informatie in een eerder stadium willen lezen, dan het moment,
waarop ik toch alle processtukken van deze bodemprocedure ter inzage krijg
voorgeschoteld volgens artikel 33 Wetboek van Strafvordering.
Hetzelfde geldt voor de clichés: sinds
langere tijd is bekend, bekend werd dat, ook is middels RCID informatie
bekend en bekend is. Deze loze kreten dienen nadere specificaties te
meer daar zij een herhaling van gegevens bevatten, die reeds in de drie
gerelateerde processen-verbaal zijn verwoord. Graag zie ik de genuanceerde
RCID informatie tegemoet, omdat, zoals eerder vermeld, de rechter deze
subjectieve opmerkingen niet in zijn beoordeling mee kan nemen.
Belangrijk in deze is te weten, of het om een opeenstapeling
van nieuwe gegevens gaat, of om een herhaling van de informatie verwoord
in de drie bijgevoegde processen-verbaal (bijlagen 16-18).
De gebruikte bewijslasten moeten maar boven tafel
komen.
Met andere woorden de RCID informatie en
de feiten naast die van onder meer moeten beter worden onderbouwd,
of de vicieuze circel moet worden doorbroken!
De 3 gerelateerde processen-verbaal
De 3 gerelateerde processen-verbaal, onder ambtseed
opgesteld, zijn een hoofd van de RCID onwaardig (bijlagen 16-18). Dat een
hoofd van politie een tweetal processen-verbaal opstelt vier maanden na
de inval, om de inval te rechtvaardigen is betreurenswaardig (bijlagen
16, 17). Nog schrijnender wordt het als ik mij realiseer, dat één
proces-verbaal is verkregen door één persoon, die niets met
de inval te maken heeft gehad, enkele maanden ná de inval
zonder aanleiding op het politiebureau te Coevorden te ondervragen
over het reilen en zeilen in Lord Nelson en vervolgens doen voorkomen,
dat zijn gegevens in dit proces-verbaal al vóór de
inval bekend waren (begin mei 1999), dit ondanks de datum van opmaak d.d.
29 september 1999 (RCID no 99008075, bijlage 17). Hier is sprake van valsheid
in geschrifte. Tegen het hoofd RCID dhr A. Vries dien ik derhalve aanklachten
in wegens overtredingen van artikel 225 lid 1 en artikel 268 Wetboek van
Strafrecht.
Daarnaast is de informatie uit bijlage 17 afkomstig
uit tweede hand. Een getuigenverklaring vereiste een eerstehandswaarneming.
Het ander recente proces-verbaal (RCID no: 99008078,
bijlage 16) is een afgietsel van het proces-verbaal met RCID nummer 98006528,
bijlage 18.
Ga ik inhoudelijk op beide recente processen-verbaal
(bijlagen 16, 17) in dan vermeldt het proces-verbaal (RCID no 99008075,
bijlage 17) dat bij eigenaar Frans, als wel bij beide dames achter de bar
coke te verkrijgen is. Zelf ken ik een scala aan eigenaren Frans. Of zij
allemaal dames achter de bar hebben is mij niet bekend. Ik verwacht het
niet. Zelf ben ik beheerder van Lord Nelson en in deze verantwoordelijk
voor de orde, veiligheid én zedelijkheid in de discotheek. Dit houdt
in dat ik mij verantwoordelijk voel voor én verantwoording afleg
bij mijn gasten. Hierin past geen drugsgebruik in de discotheek,
over handel in drugs maar niet te speken.
Bij het onderwerp handboeien ga ik dieper op mijn
verantwoordelijkheid in de discotheek in.
Tegen de bewering van dhr Vries dat ik coke verkoop
(bijlage 17) kan ik geen aanklacht indienen volgens artikel 188 Wetboek
Strafvordering, omdat de gegevens niet herleidbaar zijn tot één
specifieke persoon.
Het hoofd van het RCID dhr Vries schrijft verder
dat Lord Nelson een verzamelplaats van dealers en gebruikers aan het worden
is.
Op het moment van schrijven d.d. 29 september 1999
voldoet Lord Nelson dus nog niet aan de voorwaarde verzamelplaats te zijn.
De gebruikers uit Schoonebeek én Hardenberg
worden er ook al regelmatig gezien, schrijft dhr Vries verder.
Niet duidelijk komt uit dit proces-verbaal (bijlage
17) naar voren of dit een opmerking van de informant is, berust op suggestieve
bevindingen van het hoofd van de RCID, of afkomstig is van de werknemer
van dhr A. Vries.
Met andere woorden kent de informant de drugsgebruikers
uit Schoonebeek én uit Hardenberg om dit te kunnen uiten en in welke
context zou hij deze informatie aan dhr Vries hebben (willen/moeten) gegeven?
Beide vragen intrigeren mij en ik zou graag deze
onderwerpen nader gespecificeerd willen zien.
Tegen de stelling van dhr Vries dat de gebruikers
uit Schoonebeek en Hardenberg regelmatig in Lord Nelson worden gezien kan
ik geen aanklacht indienen volgens artikel 188 Wetboek Strafvordering,
omdat de informatiebron, die deze bewering doet niet herleidbaar is.
Het feit dat dhr Pt geheel doordraaide is eveneens
naast de waarheid (bijlage 17). Dhr Pt vernielde tijdens flipperen de glasplaat
van de flipperkast. Door aanwezigheid van enkele vrienden van dhr Pt ontstond
hierdoor een gespannen situatie, die niet escaleerde. De geleden schade
is momentaan met dhr Pt geregeld. Indien nodig kan ik een achttal getuigen
oproepen, dat onder ede, deze bevindingen kan staven en het vernielen van
de wc-pot kan weerleggen, naast het feit dat alles in harmonie is verlopen.
Omdat het Wetboek Strafvordering vermeldt dat één
getuige niet voldoende is en de oorspronkelijke informatiebron niet te
beoordelen is, noch de betrouwbaarheid van de informatie is bevestigd,
vraag ik mij af wat dit proces-verbaal (bijlage 17) van waarde is voor
eigenaar Frans?
Gerealiseerd moet wel worden dat dit proces-verbaal,
onder ambtseed opgemaakt door dhr Vries hoofd RCID een zestal jaren tegen
mij gebruikt kan worden. Deze draagwijdte is dus enorm.
Hierbij blijft de vraag of de opsteller van dit proces-verbaal
niet heeft gehandeld in strijd met artikel 188 Wetboek Strafvordering aan
mij knagen.
Samenvattend bevat dit proces-verbaal (RCID no 99008075,
bijlage 17) een groot aantal vormfouten, zodat in dit proces-verbaal niet
is te herleiden, dat door de beheerder van Lord Nelson, te weten dhr F.J.
Beukeveld, geboren d.d. 10 maart 1957 te Coevorden, enig strafbaar feit
is gepleegd.
In het proces-verbaal (RCID no 99008078, bijlage
16) verklaart dhr Vries hoofd RCID, dat H.A coke verkoopt aan b.v. Frans
Beukenveld, geb. 10-02-57. Mij is geen Frans Beukenveld bekend. Zelf heet
ik Frans Beukeveld en mijn geboorte datum is 10 maart 1957.
Over feiten gepleegd door Frans Beukenveld geb. 10-02-57
kan ik geen uitspraken doen. Wat hij heeft gedaan is aan hem.
Wat mij in dit proces-verbaal (bijlage 16) verder
opvalt is dat begin september1998 (bijna 9 maanden voor de inval in Lord
Nelson én 1 jaar na het schrijven van dit proces-verbaal)
bekend is dat H.A ook aan ene Frrk en diens vriend Dk (twee motorliefhebbers
en portier bij Lord Nelson) en aan ene Hld (barman bij Lord Nelson) verkoopt.
Wat H.A verkoopt is mij niet duidelijk. Waarschijnlijk
verkoopt hij coke, speed en pillen. Misschien ook achter-achter
lampjes voor de voorlamp van mijn fiets.
Daarnaast zijn ene Frrk en diens vriend Dk twee motorliefhebbers
en portier, schrijft dhr Vries. Taalkundig klopt dit niet en weet ik niet
wat hier wordt bedoeld. Hebben beide personen een baan als portier bij
mij, of mag ik de beste kiezen? Niet bekend is of zij naast deze werkzaamheden
ook nog portierswerkzaamheden in het gemeentehuis en/of het politiebureau
verrichten. Wel bekend is, dat zij in de discotheek Nelson te Coevorden
niet als portier bij deze discotheek bekend zijn, noch daar werkzaam
zijn, of zijn geweest.
Persoonlijk ken ik ook ene Albert en ene Hld.
Echter de ene Hld, die ik ken, is eveneens niet werkzaam in Lord
Nelson te Coevorden, vanwege het simpele feit, dat ik geen personeel
in dienst heb. Misschien bedoelt dhr Vries toch, die andere Hld en niet
die ene.
Wat de politie gedurende de 9 maanden vóór
de inval in Lord Nelson heeft gedaan, bestaat waarschijnlijk uit het doen
van waarnemingen, om een gegronde reden te hebben voor het doen uitgaan
van een eerste waarschuwing aan de beheerder van Lord Nelson met
de mededeling, dat de geconstateerde feiten niet stroken met de Opiumwet
en dat bij een recidief binnen drie maanden er een proces-verbaal volgt.
Het doen van waarnemingen heeft waarschijnlijk niet
plaats gevonden, het doen uitgaan van een eerste waarschuwing derhalve
ook niet. Want ik weet zeer zeker, dat ik, als beheerder van Lord Nelson
te Coevorden, een eerste waarschuwing niet heb ontvangen. Tenzij de
inval in Lord Nelson als een eerste waarschuwing wordt beschouwd.
Persoonlijk ervaar ik de inval niet als een waarschuwing,
maar als het gooien van een bom op onschuldige mensen, waarbij uiteindelijk
veel en veel minder dan 8 gram middelen in beslag zijn genomen.
Zou toch een strafbaar feit in het kader van de Opiumwet
hebben plaats gevonden, zoals de processen-verbaal RCID nrs, 98006528,
99008075 en 99008078 (bijlagen 16-18) doen suggereren dan, past daarbij
een eerste waarschuwing.
Het achterwege laten van de eerste waarschuwing is
dan in strijd met de gemaakte afspraken op het gebied van drugsbeleid,
opgesteld door de Lokale Driehoek.
Uiteraard heeft de burgemeester van Coevorden de
bevoegdheid om bij één ernstige overtreding van de Opiumwet
meteen een zestiental agenten op mij af te sturen. In zo'n geval mag er
geen sprake zijn van een ernstig geval van verstoring van de openbare
orde, veiligheid of zedelijkheid, maar moet een overtreding in het
kader van de Opiumwet plaats hebben gevonden (artikel 13b Opiumwet).
Het eerst feit verstoring van de openbare orde, veiligheid
of zedelijkheid staat een inval in een voor een publiek toegankelijk
ruimte niet toe, het laatste feit wel (Wet Damocles).
Een ernstige overtreding in het kader van
de Opiumwet moet dus in Lord Nelson te Coevorden hebben plaats gevonden,
anders krijg je niet zomaar een zestiental agenten met kogelvrije jassen
op je dak. Alhoewel? Op het onderwerp de directe aanleiding tot de inval
in Lord Nelson kom ik bij de behandeling van de Lokale Driehoek terug.
Samenvattend bevat het proces-verbaal (RCID no 99008078,
bijlage 16) een groot aantal vormfouten, zodat in dit proces-verbaal niet
te herleiden is dat door de beheerder van Lord Nelson, te weten dhr F.J.
Beukeveld, geboren 10 maart 1957 te Coevorden, enig strafbaar feit is gepleegd.
Wat mij verder aan het proces-verbaal (RCID no 99008078,
bijlage 16) opgesteld onder ambtseed door het hoofd RCID dhr Vries opvalt
is, dat het een andere weergave is van de feiten genoemd in het proces-verbaal
met dossiernr. RCID 98006528 (bijlage 18), eveneens onder ambtseed opgemaakt
door dhr Vries.
Dit heb ik al eerder vermeld. Door het hier nogmaals
aan te halen, wil ik nadrukkelijk het accent op herhaling van dezelfde
gegevens in twee verschillende processen-verbaal leggen, en laten zien
wat het effect van herhaling van gegevens te weeg kan brengen. Plotseling
krijg je door herhaling van dezelfde gegevens in een andere context er
een geheel nieuw proces-verbaal bij.
In het derde proces-verbaal (RCID no. 98006528, bijlage
18) van het hoofd RCID dhr Vries onder ambtseed opgesteld, verklaart het
hoofd RCID, dat via twee bronnen sinds oktober 1997 de navolgende informatie
bekend werd. Echter het proces-verbaal bevat een tweetal zeer verschillende
feiten. Voor elk feit haalt dhr Vries maar één informatiebron
aan, die ook nog niet te beoordelen is, naast het feit dat geen evaluatie
van de informatie heeft plaats gevonden, waardoor confirmatie ontbreekt.
De eerste zin van dhr Vries doet voorkomen, dat wordt
voldaan aan het criterium gesteld in artikel 342, derde lid van het Wetboek
van Strafvordering.
Daarnaast zijn beide informanten in dienst bij de
dhr Vries. Dhr Vries bedoelt dus duidelijk twee verschillen medewerkers
en niet één en dezelfde persoon.
In het proces-verbaal (RCID no 98006528, bijlage
18) staat dat sinds oktober 1997 het feit bekend is, dat in cafe Lord Nelson
met medeweten van de eigenaar Frans Beukeveld coke wordt gebruikt. In september
1998 (11 maanden later) wordt hier door de medewerker van dhr Vries
melding van gemaakt. Daarna heeft vanaf september 1998 tot aan mei 1999
geen schriftelijke rapportage meer over het drugsgebruik in Lord Nelson
plaats gevonden.
Van een recidief, voor het zoeken naar de aanleiding
van de inval in Lord Nelson, kan dus geen sprake zijn, alleen van
continuering van het reeds in oktober 1997 vastgesteld feit. Dat
wil zeggen, dat volgens het eerste proces-verbaal van dhr Vries (bijlage
18), tot aan de inval in mei 1999 veel coke in cafe Lord Nelson werd gebruikt
met medeweten van de eigenaar.
Wat schets mijn verbazing?
In het proces-verbaal (RCID 99008075, bijlage 17)
worden aldaar al gebruikers uit de wijde omgeving waargenomen én
handelen de eigenaar Frans én zijn dames achter de bar in middelen.
De ommezwaai van locaal laten gebruiken van middelen
naar regionaal gebruik en de ommezwaai van laten gebruiken naar medehandelaar
in middelen is gebaseerd op één getuigenverklaring. Tevens
is deze informatie verkregen ná de inval en niet van ervoor!
Van zorgvuldigheid, om één en ander
te staven, alvorens een inval in Lord Nelson te Coevorden te plegen, is
dus geen sprake. De politie heeft, na een eerste signalering, hiervoor
20 maanden de tijd gehad.
Dit onderwerp brengt mij wederom bij de directe aanleiding
van de inval. Echter dit onderwerp behandel
ik (zoals eerder vermeld) pas bij de Lokale Driehoek.
Het eerste proces-verbaal van dhr Huizenga
Via de 3 bijgevoegde processen-verbaal, onder ambtelijke
belofte opgemaakt, komt ik weer terug bij het allereerste proces-verbaal
van dhr Huizenga, eveneens onder ambtseed opgesteld. In dit proces-verbaal
schrijft dhr Huizenga: in het belang van (andere) lopende onderzoeken
kan op dit moment niet specifieker op de informatie inwinning worden ingegaan.
Volgens de officier van justitie mr D. ten Boer heeft
tegen mij geen vooronderzoek gelopen (bijlage 14), volgens de burgemeester
van Coevorden heeft er wel een vooronderzoek tegen mij gelopen (zie
bijlage 13).
Uit hetgeen dhr Huizenga hier schrijft maak ik op,
dat ik op zijn minst lid ben van een criminele organisatie met oogmerk
het maken van winst, waardoor bij elk recht op informatiewinning mijnerzijds,
dit zijn onderzoek kan schaden, of doen mislukken. Gelukkig heb ik mij
qua informatiewinning, omtrent deze lopende onderzoeken, bescheiden opgesteld,
zodat dhr Huizenga mij hopelijk niet ook nog beschuldigt van het
feit, zijn lopende onderzoeken in de war geschopt te hebben, WANT
in zijn herzien proces-verbaal (bijlage 9) zijn al zijn lopende onderzoeken
afgerond en rept hij met geen woord meer over deze lopende onderzoeken
én de resultaten, die uit deze onderzoeken zijn verkregen.
Gezien het feit, dat een herzien proces-verbaal bij
dhr Huizenga mogelijk is, verwacht ik eerdaags een herziening van de herziening,
waarin haarfijn wordt uiteengezet, wat sommige heren alsnog hebben bedacht,
naar aanleiding van de bevindingen uit de lopende onderzoeken van dhr Huizenga,
vermeld in het eerste proces-verbaal van bevindingen en niet in
zijn tweede (bijlage 3 en 9).
Mijn bezorgdheid in deze is, of in deze herziene
processen-verbaal de betrokkenheid met het vermeend wapen- en drugstransport
vanuit Heerlen dan wel beter uit de verf komen, dan nu het
geval is. Door wapens- en drugstransport ben je namelijk automatisch lid
van een criminele organisatie.
Wapens?
Zouden de 16 politieagenten daarom kogelvrije vesten
aan hebben gehad en niet vanwege het feit dat cocaine gebruikers zo gevaarlijk
zijn (bijlage 9)?
Ondanks het feit of er wel of niet nieuwe beschuldigingen
worden geuit, wil ik de resultaten van die lopende onderzoeken, op papier
gesteld, toegestuurd krijgen. Dit geldt ook voor de opmerking: ook is
bekend op grond van RCID informatie dat cafebezoekers van de bovenverdieping
gebruik maken om de middelen tot zich te nemen, die wel in het eerste,
maar niet meer in het tweede proces-verbaal wordt vermeld (bijlage
3 en 9). Hierbij beroep ik mij op de wet van Openbaarheid van Bestuur en
op artikel 33 Wetboek van Strafvordering.
Dhr Huizenga moet hierbij op de hoogte zijn van de
feiten, dat zijn opmerkingen twee hoorzittingen, twee kortgedingen, twee
commissies hebben meegemaakt, naast de sluiting van de discotheek gedurende
de periode van drie maanden met een nog immer dreigende intrekking van
de horecavergunning voor een periode van 5 jaren.
In de wet Openbaarheid van Bestuur staan termijnen
waarbinnen aan de eis van toezending moet worden voldaan. Als begindatum
hanteer ik voor dhr Huizenga de datum van de aangetekende brief, die ik
aan hem richt, als ambtenaar in de functie van brigadier van politie bij
de RCID.
Let wel: de lopende onderzoeken zijn afgerond en
er heeft bij mij geen vooronderzoek gelopen. De eventuele namen
kunnen in de rapporten van bevindingen worden genormaliseerd.
Mijn terugreis vanuit Heerlen naar Coevorden d.d.
27 mei 1999 met mijn paardentrailer moet maar eens boven water komen.
Vergelijking tussen beide processen-verbaal van
dhr Huizenga
Een drietal ander onderwerpen vallen mij bij een
eerste vergelijking van beide processen-verbaal van dhr Huizenga, onder
ambtseed opgesteld, op (bijlage 3 en 9). Het eerste is het weglaten van
mijn cocaïne-gebruik, dat mede aanleiding was tot de inval. Ten tweede
de grote accentverschuiving in de beschuldiging van cocaïne gebruik
naar mijn betrokkenheid in handel van middelen. Als derde, verbaast het
mij ineens een regionale verzamelplaats te zijn voor dealers én
gebruikers. Bij zo'n grote aardverschuiving in processen-verbaal verwacht
ik in het derde herziene proces-verbaal van dhr Huizenga nationale bekendheid
te hebben en bij zijn vierde beschuldigd te worden aanstichter te zijn
van de drugsoorlog tussen bv. Frankrijk en Nederland.
Voor het Feit, dat dhr Huizenga mij in het
eerste proces-verbaal van bevindingen (bijlage 3) beschuldigt van gebruik
van cocaïne, dien ik een aanklacht in waarbij ik mij beroep op artikel
188 Wetboek van Strafrecht. Het met voorbedachte rade én onder
ambtseed verklaren, dat ik een strafbaar feit heb gepleegd, wetende
dat dit feit niet heeft plaats gevonden. Het feit, dat deze beschuldiging
onder ambtseed van een politieagent is afgelegd is bijzonder kwalijk aan
deze zaak.
Als extra zout in de wond schrijft dhr Huizenga dat
dit drugsgebruik mede aanleiding was tot de inval (bijlage 3).
In het nieuwe proces-verbaal moest derhalve een andere
reden worden gevonden om de inval te rechtvaardigen en dat is hun gelukt.
Vanaf nu handelen mijn dames achter de bar én ik volgens dhr Huizenga
in middelen.
Voor het Feit, dat dhr Huizenga mij in het
tweede proces-verbaal van bevindingen beschuldigt van handel in middelen
(bijlage 9), dien ik een aanklacht in waarbij ik mij beroep op artikel
188 Wetboek van Strafrecht. Het met voorbedachte rade én onder
ambtseed verklaren, dat ik een strafbaar feit heb gepleegd, wetende
dat dit feit niet heeft plaats gevonden. Het feit, dat deze beschuldiging
onder ambtseed van een politieagent is afgelegd is bijzonder kwalijk aan
deze zaak.
Omdat brigadier H.I. Huizenga bij verdediging van
deze aanklachten geen gebruik van de ambtseed kan maken, omdat hij straks
voor de rechter onder ede staat, (hij wordt namelijk als getuige opgeroepen)
laat ik vanaf nu de opmerking, onder ambtseed verklaart, weg.
Ik heb deze opmerking bewust continu aangehaald,
om enerzijds aan te tonen, dat ambtenaren niet zomaar alles kunnen verklaren,
door zich voortdurend op hun ambtseed te beroepen en anderzijds aangehaald
om deze ambtseed een beetje te ondermijnen, door te laten zien welke grove
fouten en overtredingen sommige ambtenaren onder ambtseed maken,
door beweringen te uiten en vervolgens alles in werking stellen om een
en ander schoon te praten.
Het herziene proces-verbaal van dhr Huizenga
Komen wij weer terug bij het herziene proces-verbaal
van dhr Huizenga (bijlage 9).
Hoofdstuk: RCID informatie
Dhr Huizenga schrijft verder, dat sinds langere
tijd bekend is dat door bezoekers en personeel van café Lord Nelson
harddrugs, cocaïne, (middelen voorkomend op lijst 1 van de Opiumwet)
gebruikt worden.
Dat de bezoekers én het personeel uitsluitend
cocaïne gebruiken is mij een raadsel.
Aan de hand van welke onderbouwing, gebaseerd op
chromatografische analysetechnieken, heeft dhr Huizenga aangetoond, dat
voor de inval in Lord Nelson de bezoekers én het personeel
uitsluitend cocaïne gebruikten en bijvoorbeeld geen andere psychofarmaca
tot zich nemen?
Zelf ken ik een scala aan psychofarmaca, waaronder
nicotine, alcohol, harddrugs als wel softdrugs. Dat mijn bezoekers psychofarmaca
gebruiken is aan hen. Voor eigen gebruik mogen mijn bezoekers deze psychofarmaca
bij wet en/of gewoonte gebruiken.
Mijn verantwoording in deze is, dat zij in de
discotheek Lord Nelson te Coevorden nicotine en alcohol beheerst gebruiken
en dat zij in de discotheek Lord Nelson te Coevorden geen soft-
en harddrugs gebruiken.
Ik heb mij altijd actief ingezet het gebruik van
drugs in Lord Nelson te ontmoedigen. Handel in drugs in Lord Nelson heb
ik ten volste bestreden, daar ik wars van deze handelspraktijk ben.
Tijdens de inval in Lord Nelson heeft de politie
als voorbeeld geen rook afkomstig van sigaretten met middelen geconstateerd,
anders hadden zij dit wel vermeld. Dit geeft aan dat recent in Lord Nelson
geen verdovende middelen zijn gerookt.
Als men vanuit de buitenlucht de discotheek binnen
komt stormen, dan valt rook vermengd met verbrande middelen meteen op,
vooral bij terzake deskundigen in drugs, zoals dhr Huizenga meent te zijn.
Waarschijnlijk, nu hij op dit idee is gekomen, zal
eerdaags deze bevinding wel op papier worden gezet in een of ander proces-verbaal.
Omdat ik, zoals vaker gezegd, geen personeel in dienst
heb ga ik hier niet meer op dit onderwerp in.
Samenvattend schrijft dhr Huizenga dus, dat bezoekers
van cafe Lord Nelson cocaïne gebruiken.
Dit zou best kunnen, als zij dit maar buiten
de discotheek Lord Nelson te Coevorden doen.
Bij wet en gewoonte is gebruik van middelen in privé
situaties toegestaan.
Mijn verantwoordelijkheid strekt uit tot alles wat
in Lord Nelson te Coevorden gebeurt, inclusief het omdoen van handboeien
en tijdens de inval verkrachten van één van mijn bezoeksters
in de herentoilet van Lord Nelson te Coevorden door een politie-agente
van het team van dhr Huizenga.
Geintoxiceerde personen worden de toegang tot Lord
Nelson te Coevorden geweigerd.
Dhr Huizenga schrijft verder in zijn herzien proces-verbaal
(bijlage 9) onder het hoofdstuk RCID informatie het volgende: regelmatig
worden er al bij de politie bekende cocaïne gebruikers uit Hardenberg
gezien.
Mag ik hieruit concluderen dat het politiebureau
van Coevorden en/of van Hardenberg een verzamelplaats is van bekende cocaïne
gebruikers uit Hardenberg? Waar zijn dan de dealers gebleven én
de gebruikers uit Schoonebeek waar het hoofd RCID dhr Vries het in zijn
processen-verbaal over heeft (bijlagen16-18)?
Gezien de processen-verbaal opgemaakt door dhr Huizenga
en dhr Vries is de kans zeer groot, dat zij zich vertoeven in Lord Nelson
of onderweg zijn naar Lord Nelson. En ja hoor, kort na de inval verschenen
inderdaad twee bij de politie bekende harddrugsgebruikers uit Hardenberg
bij de discotheek Lord Nelson te Coevorden (waarschijnlijk rechtstreeks
vanuit het politiebureau gekomen) (bijlage 9).
Omdat de politie deze twee personen kent en zeer
waarschijnlijk met hen heeft gesproken, om ze tijdens de inval de toegang
tot Lord Nelson te weigeren, zijn beide personen te traceren. Een alibi
van beide personen, met het gegeven, dat zij zich tijdens de inval op zijn
minst in Coevorden hebben begeven, is hier duidelijk op zijn plaats.
Ook hier geldt dat de rechter tastbaar bewijs moet
hebben om zijn oordeel te kunnen onderbouwen. Tenslotte moet hij een met
rede omklede verklaring kunnen afleggen, waarom hij tot een oordeel is
gekomen.
Alibi's van beide harddrugsgebruikers uit Hardenberg
kunnen hem (mijns inziens) in dit kader, dan niet worden ontzegd.
Het volgende item in het hoofdstuk RCID informatie
vermeldt: ook is bekend dat nader te noemen H.A met medeweten van de
eigenaar Frans Beukeveld lijntjes cocaïne klaar legt enz. enz..
In het eerste proces-verbaal (bijlage 3) wordt de
persoon H.A in het geheel niet genoemd, tenzij hij schuil gaat achter de
lopende onderzoeken. Toch is bij de politie sinds oktober 1997 (20 maanden
voor de inval) bekend dat hij lijntjes zou leggen. Dat dit onderwerp
niet in het eerste proces-verbaal is aangehaald, verbaast mij niet.
Dat brigadier H.I. Huizenga dit proces-verbaal niet vanaf het begin heeft
meegeleverd als ondersteuning bij de twee kortgedingen, ligt zeer waarschijnlijk
aan het feit, dat ook hij weet dat dit proces-verbaal in een eerdere
procedure niet ontvankelijk is verklaard.
Dat het hoofd RCID dhr Vries alsnog met dit niet
ontvankelijk proces-verbaal komt geeft duidelijk aan dat er van een
eventueel bewijslast voor het organiseren en laten uitvoeren van de inval
geen sprake is geweest. Zij zijn dus met voorbedachte rade met niet
ontvankelijk bewijsmateriaal gekomen. Tegen het hoofd RCID dien ik een
aanklacht in volgens artikel 268 Wetboek van Strafrecht. De aanklacht luidt:
met voorbedachte rade indienen van een proces-verbaal wetende dat deze
niet ontvankelijk is verklaard.
Hierbij moet worden aangetekend dat dit niet ontvankelijk
verklaard proces-verbaal het enige tastbare proces-verbaal is geweest
voor en tijdens de inval.
De ander twee processen-verbaal van dhr Vries zijn
pas vier maanden ná de inval door hem op papier gesteld.
Met andere woorden ten tijde van de inval in Lord
Nelson was geen geldig én belastend proces-verbaal aanwezig, noch
liep tegen de beheerder van Lord Nelson, te weten, dhr Frans Beukeveld,
geb. 10-03-57 te Coevorden een gerechtelijk vooronderzoek (bijlage 14).
Tenzij de burgemeester van Coevorden alsnog met
een ernstig vermoeden komt, gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet, blijft
de inval een verstoring van de openbare orde en zijn alle tijdens deze
inval verzamelde gegeven oneigenlijk verkregen.
De burgemeester van Coevorden heeft dan oneigenlijk
gebruik gemaakt van de Opiumwet, heeft daarbij oneigenlijk gebruik gemaakt
van de bevoegdheden voortvloeiend uit zijn functie, heeft de openbare orde
verstoord, heeft huisvredebreuk gepleegd, heeft de integriteit van mijn
lichaam aangetast, heeft mijn persoonlijke spullen vernield en heeft inbreuk
gemaakt op de privacy van mijn kinderen, mijn vrouw, mijn familieleden
en van mij.
Daarna heeft de burgemeester van Coevorden, een
valse aangifte en valse verklaringen bij de Arrondissementsrechtbank te
Assen ingediend.
Tegen al deze feiten gepleegd door de burgemeester
van Coevorden dien ik aanklachten in.
Bij het vermeend middelen transport uit Heerlen,
dat dé directe aanleiding tot deze inval is geweest, blijven
bovenstaande aanklachten tegen de burgemeester van Coevorden gehandhaafd
en worden deze met enkele andere aanklachten aangevuld.
Hoofdstuk Locatie
De nooduitgang (van Lord Nelson) is aan de zijde
van de Bakkersteeg doch deze kan niet gebruikt worden omdat voor die deur
een speelautomaat is geplaatst, schrijft dhr Huizenga in zijn herzien
proces-verbaal. In het eerste rapport schrijft dhr Huizenga het volgende
over de nooddeur: in het cafegedeelte is de nooddeur/uitgang Bakkersteeg
afgesloten (en niet te openen). Tevens staat een speelautomaat voor de
nooddeur.
Aangezien ik het eerste proces-verbaal van dhr Huizenga
pas één werkdag voor het eerste kortgeding heb gekregen,
namelijk zaterdag 3 juli 1999 (ruim 1 maand na de inval) en ik voor en
na die datum de speelautomaat niet heb verplaatst, schrijven terzake wel
deskundigen, dhr Koning en mevr. Oele, beiden van de Brandweer van Coevorden
niets over de gevaarlijke situatie van de speelautomaat (bijlage 19). Zij
bezochten onder druk van de burgemeester van Coevorden de discotheek enkele
dagen na de inval (bijlage 1).
Oneigenlijk gebruik van de Opiumwet
Al eerder heb ik de opmerking geplaatst dat de Opiumwet
niet op bouwtechnische aspecten ingaat (bijlage 21). Alle informatie over
bouwtechnische aangelegenheden zijn in dit kader ook oneigenlijk
verkregen, aangezien de inval in Lord Nelson alleen maar verordend kan
zijn volgens artikel 13b van de Opiumwet.
Dit houdt niet in dat ik mij niet verantwoordelijk
voel voor de brandveiligheid van mijn bezoekers. Echter, ik heb naar aanleiding
van de opmerking van dhr Huizenga geen reden gevonden om de speelautomaat
te verplaatsen. Wel heb ik naar aanleiding van het rapport van dhr Koning
de bewoning van mijn privé-gedeelte boven de discotheek laten staken.
Hoofdstuk Locatie
Bij de gemeente moet bekend zijn dat medio 1982 mijn
broer gedurende een drietal jaren boven de discotheek heeft gewoond. De
ruimte boven de discotheek is dus geschikt voor bewoning (zie ook het rapport
van dhr Koning, bijlage 19).
Dat er bij de gemeente ten tijde van de inval niemand
in het perceel stond ingeschreven kan kloppen. Dit feit maakt van mijn
privé-gedeelte boven de discotheek nog niet een voor publiek toegankelijke
ruimte.
Hoofdstuk Doel
Zoals gezegd heeft alleen de Opiumwet de bevoegdheid
een inval te plegen in een voor publiek toegankelijke ruimte. Hierbij moet
wel sprake zijn van overtreding van de Opiumwet, waarbij een ernstig vermoeden
van de kant van de burgemeester moet stroken met de afspraken gemaakt in
de Lokale Driehoek. Een vermoeden alleen is niet voldoende.
In het eerste proces-verbaal wordt de horecagelegenheid
Lord Nelson betreden op grond van de Opiumwet.
Wat schets mijn verbazing!
In het herziene proces-verbaal worden de redenen
van inval uitgebreid met: openbare orde verstoringen in Coevorden gedurende
de afgelopen twee jaren, waarbij diverse ernstige geweldsmisdrijven zijn
gepleegd door daders, die kennelijk onder invloed verkeerden van middelen
vermeld in de Opiumwet (bijlage 9).
Zo, zo dat is nog wel wat. Verantwoordelijk te worden
gesteld voor geweldsdelicten in Coevorden gedurende een periode van 2 jaar.
Waar zijn dan de processen-verbaal, waaruit dit is
op te maken en waarom zijn deze niet mee geleverd?
Daarnaast, waar zijn de analytische gegevens om toch
met zekerheid te kunnen stellen, dat deze daders inderdaad onder invloed
van middelen zijn geweest en niet zoals dhr Huizenga beweert: kennelijk
onder invloed verkeerden.
De burgemeester van Coevorden is als eerste met deze
schriftelijke beschuldiging van verstoring van de openbare orde gekomen
(zie bijlage 13). De burgemeester van Coevorden beweert, daarnaast met
zekerheid, dat deze dader(s) cocaïne gebruiken.
De burgemeester van Coevorden spreekt in deze brief
over: de geplande inval in Lord Nelson welke een
rechtstreeks gevolg was van informatie verkregen uit
lopende onderzoeken in het kader van gerechtelijk vooronderzoek. Dit vooronderzoek
naar handel in middelen welke voorkomen op lijst I van de Opiumwet, is
een reactie op het feit dat de afgelopen 2 jaar in Coevorden diverse ernstige
geweldsmisdrijven alsmede brandstichtingen zijn gepleegd waarbij naderhand
bleek dat de dader(s) cocaïne hadden gebruikt en met name door hun
gebruik tot hun daden waren gekomen.
Zo, zo burgemeester van Coevorden daar beweert u
nog al wat. Geplande inval, rechtreeks verband met lopende onderzoeken,
gerechtelijk vooronderzoek, handel in middelen, geweldsdelicten, brandstichtingen,
cocaïnegebruik van de dader(s) en het verband tussen cocaïnegebruik
en hun daden.
Gelukkig stopt de burgemeester van Coevorden hier
voorlopig met nieuwe beschuldigingen en schrijft hij verderop: behoudens
deze feiten welke mij zijn aangereikt in het proces-verbaal d.d. 31 mei
1999 van rechercheur verdovende middelen, de heer H.I. Huizenga, is mij
ten aanzien van het Gerechtelijk Vooronderzoek geen nadere informatie bekend.
Maar burgemeester van Coevorden toch!
Waar in hemelsnaam staat in het proces-verbaal
d.d. 31 mei van rechercheur verdovende middelen, de heer H.I. Huizenga,
iets vermeld over: gerechtelijk vooronderzoek, naar handel in middelen
welke een reactie is op het feit dat de afgelopen twee jaar in Coevorden
diverse geweldsmisdrijven alsmede brandstichting zijn gepleegd, waarbij
naderhand bleek dat de dader(s) cocaïne hadden gebruikt en met name
door dat gebruik tot hun daden zijn gekomen?
Ik kan deze boute beweringen van de burgemeester
van Coevorden niet in het proces-verbaal met RCID nr PL033A/99-126991 (bijlage
3) vinden.
Zou er dan toch sprake zijn van een derde proces-verbaal
van bevindingen, of van een schaduw proces-verbaal? Nee ik verwacht het
niet.
Van de burgemeester van Coevorden is uit eigen ervaring
bekend, dat hij het niet zo nauw neemt met de waarheid. Twee onwaarheden
van de zijde van de burgemeester van Coevorden binnen 10 minuten en drie
binnen een half uur zijn mijn familie niet vreemd aan hem. Als getuige
in de laatste kwestie was dhr J. Buurman van de gemeente Coevorden aanwezig.
In een later stadium kom ik nog op enkele andere boute beweringen van de
burgemeester van Coevorden terug.
Het argument van verstoren van de openbare orde,
veiligheid en zedelijkheid in het herzien proces-verbaal is er alleen maar
bij gekomen om de vergunning van de discotheek voor een periode van 5 jaren
in te kunnen trekken. De Opiumwet laat dit namelijk niet toe. Op het motief
van deze daad, intrekken van de vergunning, kom ik ook nog terug.
Hoofdstuk Inval
Item: personeel
Ten tijde van de inval stond J.M. Ho niet als personeelslid
achter de bar omdat ik geen personeel in dienst heb (bijlagen 4-12).
Mevr. Ho is bereid gevonden tijdens de bodemprocedure
te willen getuigen over gebeurtenis van: voor, tijdens en na de inval.
Item: identificatie, doel van de inval en fatsoensnormen
Door verbalisant is kenbaar gemaakt dat zij van de
politie waren en hun kogelvrije vesten etaleerden ook iets in die richting.
Echter, alleen al uit oogpunt van fatsoen is aan mijn bezoekers en aan
mij als beheerder van Lord Nelson niet kenbaar gemaakt, dat de politie
de discotheek binnen kwam vallen in het kader van de Opiumwet.
Item: grof geschut
Bewust is gekozen voor de inzet van 16 politieambtenaren
opdat eventuele conflict situaties niet zouden escaleren, schrijft
dhr Huizenga (bijlage 9). Hier kan ik mee instemmen. Echter de redenen:
dat immers bekend was dat er cocaïne gebruikt wordt in het cafe en
dat bekend is dat gebruikers agressief kunnen reageren, slaan kant noch
wal.
Zeker in het licht van het grondig vooronderzoek
dat de politie in deze vlak voor de inval heeft verricht.
Item: bevoegdheden
Tijdens de inval waren twee inspecteurs van politie
in politie-uniform gekleed in het cafe aanwezig. Dat zou kunnen. Zij hebben
waarschijnlijk wel de bevoegdheid om in uniform én in functie publiek
toegankelijke ruimten te betreden. Op grond van de Wet op Binnentreden
hebben zij in ieder geval niet de bevoegdheid privé ruimten
zonder een machtiging van een officier van justitie en diens lijfelijke
aanwezigheid te betreden.
Met zo'n machtiging op zak te samen met de officier
van justitie moeten zij alsnog aan de beheerder toestemming vragen
de privé ruimte te mogen betreden. Dit vragen om toestemming aan
mij is niet gebeurd, noch heeft een bevoegd persoon mij een correcte, op
adres en juiste datum, gedateerde machtiging van de officier van justitie
getoond. Tegen de burgemeester van Coevorden dien ik dan ook, zoals eerder
gezegd, een aanklacht in wegens huisvredebreuk.
Item: fouilleren/boeien en geweldmisbruik
Op grond van verschillende regelingen is een aantal
vormen van fouillering te onderscheiden (bron Nationale Ombudsman). Dit
zijn onder meer de navolgende:
De strafvorderlijke fouillering
Politieambtenaren zijn bevoegd de aangehouden verdachte
tegen wie ernstige bezwaren bestaan aan zijn kleding te onderzoeken (art.
56, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).
De veiligheidsfouillering
Art. 33a, lid 3 van de Politiewet van 1957 (die per
1 april 1994 is vervangen door de Politiewet 1993) luidde als volgt:
"De ambtenaar van politie is bevoegd tot het onderzoek
aan de kleding van personen bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende
bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van de politietaak, indien
uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt
voor hun leven of veiligheid, die van de ambtenaar zelf of van derden en
dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar."
Art. 8, lid 3 van de Politiewet 1993 is nagenoeg
gelijkluidend.
Tot 1 april 1994 was de circulaire "Onderzoeken aan
de kleding en het aanleggen van handboeien in relatie tot het recht op
onaantastbaarheid van het lichaam" van kracht (circulaire van 20 december
1991 van de minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken,
kenmerk 175792/91/POL; Stcrt. 1991, 250).
Ingevolge deze circulaire was het standaard verrichten
van een veiligheidsfouillering niet toegestaan, maar was er een beoordeling
nodig in elk individueel geval.
Art. 10 van de Ambtsinstructie voor de politie van
1988 (die per 1 april 1994 is vervangen door de (nieuwe) Ambtsinstructie
voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar;
Besluit van 8 april 1994; Stb. 275) bepaalde dat de ambtenaar die een veiligheidsfouillering
als bedoeld in art. 33a, lid 3 Politiewet had uitgevoerd, daarvan onverwijld
schriftelijk rapport diende op te maken ten behoeve van zijn meerdere.
In het rapport moesten de redenen worden vermeld die tot dit onderzoek
hadden geleid.
Art. 21 van de nieuwe Ambtsinstructie is wat dit
betreft gelijkluidend.
Ook de fouillering die voorafging aan het insluiten
van personen in een politiecel (onderzoek aan de kleding van in te sluiten
arrestanten) betrof een veiligheidsfouillering in de zin van art. 33a,
lid 3 van de Politiewet van 1957. Deze fouillering is te beschouwen als
een ordemaatregel in het belang van de orde en veiligheid op het politiebureau
en ter bescherming van de in te sluiten persoon. Ingevolge de circulaire
"Onderzoeken aan de kleding en het aanleggen van handboeien in relatie
tot het recht op onaantastbaarheid van het lichaam", zoals die tot 1 april
1994 van kracht was, mocht de politie deze huishoudelijke fouillering standaard
verrichten. Uiteraard diende ook deze fouillering in overeenstemming te
zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het fouilleren van in te sluiten personen is per
1 april 1994 op overeenkomstige wijze geregeld in art. 28, lid 1 van de
(nieuwe) Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en
de buitengewoon opsporingsambtenaar; Besluit van 8 april 1994; Stb. 275).
Fouillering op grond van de Opiumwet
In de Opiumwet is met betrekking tot de fouillering
in art 9, lid 5 het volgende bepaald:
"Zij (opsporingsambtenaren; N.o.) zijn bevoegd een
persoon verdacht van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit,
bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze aan lichaam en kleding
te onderzoeken."
Het bestaan van ernstige bezwaren eist een zwaarder
'voorlopig bewijsoordeel' dan het redelijk vermoeden van schuld als bedoeld
in art. 27 van het Wetboek van Strafvordering. Het enkele redelijke vermoeden
van schuld is dan ook niet in alle gevallen voldoende om te kunnen spreken
van ernstige bezwaren.
De Hoge Raad oordeelde in zijn arrest van 8 november
1988 (NJ 1989, 667) dat een onderzoek "aan het lichaam" als bedoeld in
art. 9 lid 5 van de Opiumwet een onderzoek van de natuurlijke openingen
en holten van het lichaam omvat.
Alle aanwezigen, geen één uitgezonderd,
werden op grond van ernstige bezwaren aan de kleding onderzocht
volgens het herziene proces-verbaal (bijlage 9).
Hierbij is dhr Huizenga voorbij gegaan aan het feit,
dat niet alle aanwezigen als verdachte mochten worden aangemerkt.
Op basis van louter vermoeden mag zelfs in het kader van de Opiumwet
zomaar niet iedereen worden gefouilleerd. Dit is dus wel gebeurd.
Hetzelfde, als voor het fouilleren geldt, is ook
van toepassing bij het apriori omdoen van de handboeien om veiligheidsreden.
Dit is bij wet niet toegestaan en doet inbreuk aan de integriteit van
het lichaam (artikel 11 van de Grondwet).
Tegen beide procedures heb ik dan ook een aanklacht
ingediend. Deze aanklachten luiden: schending van de integriteit van mijn
lichaam: door het omdoen van handboeien en schending van mijn integriteit
door het fouilleren aan mijn kleding zonder ernstige redenen van bezwaar.
Dhr Huizenga schrijft dat ik niet werd geboeid, omdat
mij bekende politieambtenaren mij gedurende de politieactie gezelschap
hebben gehouden (bijlage 9).
Het niet geboeid zijn klopt niet en is een duidelijke
vormfout in dit proces-verbaal. Tijdens de actie ben ik wel degelijk geboeid
geweest.
Het is ook zeer onwaarschijnlijk dat een hoofdverdachte
niet wordt geboeid, terwijl alle niet verdachten wel worden geboeid.
De zekerheid dat dhr Huizenga problemen met mijn
handboeien zou krijgen, heeft hem waarschijnlijk doen weerhouden het omdoen
van handboeien te vermelden. Nu krijgt hij problemen door te ontkennen
dat ik handboeien heb omgehad.
Dhr Huizenga vermeldt niet het feit, dat tijdens
de inval in de herentoilet van Lord Nelson één van de
bezoeksters, te weten mevr. J.M. Ho, wonende te Coevorden, in haar
lichaamsholten en -openingen is onderzocht op middelen door een politie-agente
van zijn team. Het langdurig voorover gebogen in de urinoirbak van
de herentoilet moeten staan, terwijl haar lichaamsholten en -openingen
werden onderzocht op middelen, heeft de bezoekster als bijzonder vernederend
ervaren. Tegen deze handelingen dien ik een aanklacht in. Deze aanklacht
luidt verkrachting volgens artikel 242 Wetboek van Strafrecht. Deze aanklacht
is gericht tegen de burgemeester van Coevorden.
Nu zal meteen geroepen worden, dat deze verkrachting
mij niet aangaat.
Wel nu!
Als horecabeheerder van Lord Nelson wordt ik verantwoordelijk
gesteld voor de openbare orde, veiligheid én zedelijkheid in de
discotheek.
Als horecabeheerder van Lord Nelson te Coevorden
wordt ik ook verantwoordelijk gesteld voor de inhoud van broekzakken, tassen
en jassen van mijn bezoekers.
Als horecabeheerder van Lord Nelson wordt ik ook
verantwoordelijk gesteld voor de openbare orde, veiligheid én zedelijkheid
in de naaste omgeving van de discotheek én ver daarbuiten (in ieder
geval geheel Coevorden).
Als horecabeheerder van Lord Nelson te Coevorden
voel ik mij én ben ik verantwoordelijk voor de openbare orde,
veiligheid én zedelijkheid van al mijn bezoekers in de discotheek.
Wanneer nu de zedelijkheid in de discotheek in het
gedrang komt, valt dit rechtstreeks onder mijn eindverantwoordelijkheid
als horecabeheerder. Derhalve dien ik uit naam van eindverantwoordelijk
beheerder van Lord Nelson te Coevorden persoonlijk de aanklacht van bovenvermelde
verkrachting van Mevr. J.M. Ho, wonende te Coevorden in.
Geweldmisbruik
Art. 8, lid 1 van de Politiewet 1993 luidt als volgt:
"1. De ambtenaar van politie is bevoegd in de rechtmatige
uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken wanneer het daarmede
beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden
gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden
bereikt.
2. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een
waarschuwing vooraf."
Welk gevaar loopt een politiebeambte bij een geboeide
verdachte, die geknield en geleund tegen de muur moet verblijven?
Bij mijn weten geen enkel gevaar.
Toch meent een politiebeambte de bevoegdheid te bezitten
een van de verdachten met geweld tot de orde te moeten roepen, waardoor
zijn aangezicht verwond is geraakt.
Namens deze verdachte, die door de politie tijdens
de inval is verwond, dien ik een aanklacht in tegen de burgemeester van
Coevorden uit hoofde eindverantwoordelijk te zijn voor de veiligheid in
de discotheek Lord Nelson te Coevorden.
Hoeveel drugs en waar lag het?
Van de hoeveelheden gevonden middelen zal niemand
meer iets begrijpen.
Dhr Huizenga zelf ook niet meer want na manipulaties
weet hij precies op 15 gram uit te komen. Eenzelfde hoeveelheid, die ook
vermeld staat in het proces-verbaal met nummer PL033A/99-126991 (bijlage
3). De processen-verbaal van de verdachten komen met andere hoeveelheden
en met andere vindplaatsen (bijlagen 4-8).
Om een en ander voor altijd kort te sluiten, daag
ik alle gebruikers uit om als getuige op de bodemprocedure te moeten verschijnen,
zodat zij onder ede kunnen verklaren, hoeveel en welke middelen zij tijdens
de inval bij zich hebben gehad.
De politie mag van haar zijde met zijn zestienen
komen, indien zij daar behoefte aan hebben. Ook zij moeten dan maar onder
ede verklaren hoeveel middelen en bij wie zij deze hebben gevonden.
Vanaf nu ga ik niet meer inhoudelijk op de hoeveelheden
middelen in.
Intoxicatie door middelen
Wel moeten de permanent dreigende negatieve effecten
van drugsgebruik zoals agressiviteit en acuut gevaar voor zichzelf en de
naaste omgeving, waarnaar dhr Huizenga en de burgemeester van Coevorden
verwijzen even nader worden bekeken in samenhang met de toestand, waarin
dhr Ar. door dhr Huizenga in Lord Nelson tijdens de inval werd aangetroffen.
Hiervoor ga ik eerst in zijn algemeenheid iets dieper
in op intoxicatie door middelen.
Dit onderstaand gedeelte is partieel overgenomen
uit: Richtlijnen behandeling geintoxiceerden.
Onder geintoxiceerde dient te worden verstaan:
"Een persoon die onderhevig is aan de inwerking of
de nawerking van een overmatige hoeveelheid lichaamsvreemde stof of stoffen
zoals alcohol, psychofarmaca en gassen (b.v. koolmonoxyde).
De politieambtenaar heeft de bevoegdheid c.q. verplichting
om een geintoxiceerde in te sluiten indien hij onder invloed van een bedwelmend
middel een strafbaar feit heeft begaan. Hierbij wordt dan niet alleen gedacht
aan overtreding van artikel 426 en 453 van het Wetboek van Strafrecht,
doch ook aan andere feiten zoals vernieling, diefstal, mishandeling etc.
in zodanig geval dient echter niettemin bezien te worden of, gelet op de
aard van het delict en de ernst van de intoxicatie, verzorging elders de
voorkeur kan hebben. Al naar gelang de aard en de mate van intoxicatie
wordt de betrokkene overgedragen aan hetzij een eigen zorgkader hetzij
een sociaal-medisch zorgkader.
Indien een geintoxiceerde in geen van beide zorgkaders
kan worden ondergebracht of zulks niet wenst, dient beslist te worden dat
de geintoxiceerde in het politiebureau wordt ondergebracht.
Iedere geintoxiceerde dient in beginsel medisch te
worden onderzocht door een G.G. en G.D.-arts.
Deze arts is beter dan de politieambtenaar in
staat de toestand van de geintoxiceerde te beoordelen. In het geval
de arts van oordeel is dat betrokkene moet worden behandeld, doch de politieambtenaar
meent uit hoofde van zijn opsporingstaak, of anderszins dat betrokkene
moet worden ingesloten, vindt eerst de medische behandeling plaats van
betrokkene, zonodig onder toezicht van een politieambtenaar. Dit toezicht
kan bestaan uit het bewaken van de toegang tot de behandelingsruimte zodat
vluchten wordt verijdeld."
Iedere geintoxiceerde dient in beginsel zo spoedig
mogelijk medisch onderzocht te worden. Er dient in ieder geval een
arts te worden gewaarschuwd indien de betrokkene medicijnen bij zich heeft
of indien hoe dan ook mocht blijken dat de betrokkene op medisch voorschrift
regelmatig medicijnen gebruikt. De geintoxiceerden mogen nimmer medicijnen
worden toegediend - ook niet op eigen verzoek - zonder dat een arts daarvoor
toestemming heeft verleend.
Indien insluiting noodzakelijk is, dient er een voortdurende
zorg over de geintoxiceerde te worden uitgestrekt. Daarbij dient in het
bijzonder gelet te worden op de veranderingen die optreden in de toestand
van de betrokkene.
Indien er aanleiding voor is, dient de betrokkene
opnieuw medisch te worden onderzocht."
Dhr Huizenga bedoelt met de insinuaties over dhr
Ar. aan te geven, dat de minimale hoeveelheden drugs, die hij bij zich
had, hij alleen te wijten heeft aan het feit, dat hij zijn portie drugs
vrij recent (en zeer zeker in Lord Nelson) heeft gerookt, gesnoven en/of
oraal genuttigd, gezien de onder invloed verkerende toestand, waarin dhr
Huizenga hem aantrof.
Dat hij door deze enorme hoeveelheid tot zich genomen
middelen niet geintoxiceerd is geweest en daaraan niet is overleden, niet
de discotheek inclusief de wc-pot heeft vernield, vervolgens geen brand
in Coevorden heeft gesticht en na afloop geen geweldsdelict heeft gepleegd
moet voor dhr Huizenga een opluchting zijn geweest. Van opluchting hoefde
hij daarom geen proces-verbaal op het politiebureau te Coevorden
af te laten nemen van de bevindingen voor en tijdens de inval.
Als enige drugsdeskundige tijdens de inval heeft
dhr Huizenga, als enige, de penibele situatie van dhr Ar. opgemerkt. Daarna
heeft dhr Huizenga dhr Ar. gewoon links laten liggen, want ik heb geen
arts gezien, noch heb ik enig andere politiebeambte zich intensief met
dhr Ar. zien bemoeien. Vervolgens werd dhr Ar. heen gezonden met gevaar
voor zichzelf en geheel Coevorden. Gelukkig is brandstichting achterwege
gebleven.
Hoofdstuk Bovenverdieping (hangslotje)
Wat dhr Huizenga in overleg met de officier van justitie
van het Arrondissementsparket besloten heeft begrijp ik niet, evenmin begrijp
ik niets van de zinsnede, dat bij bewoning alsnog een gerechtelijk vooronderzoek
bij de officier van justitie gevorderd kon worden.
Een gerechtelijk vooronderzoek achteraf vorderen
lijkt mij moeilijk, maar is mogelijk. Ook lijkt het mij moeilijk om samen
met de officier van justitie van het Arrondissementsparket te beslissen
een privé-gedeelte te betreden als zijnde één voor
publiek toegankelijke ruimte. Niet voor niets moest een hangslot worden
vernield om toegang tot de privé-ruimte te krijgen.
Dit forceren van het hangslot werd in het eerste
proces-verbaal niet vermeld (bijlage 3).
De burgemeester van Coevorden meldt in zijn eerste
twee brieven ook niets over het hangslot, maar gaat wel uitgebreid in op
de compleet ingerichte gebruikersruimte op de bovenverdieping (bijlagen
1 en 13). In deze ruimte zijn volgens de burgemeester zaken aan getroffen,
die in samenhang beschouwd en de plaats (op tafel) waar deze werden aangetroffen
door gebruikers van verdovende middelen nodig zijn en gebruikt worden.
De burgemeester verwijst hier naar de huis-, tuin- en keukenspullen die
ook bij de Hema en Albert Heijn in grote partijen te koop zijn.
Zonder het hangslotje te noemen verklaart de burgemeester
van Coevorden dat deze bovenruimte tot de horeca-inrichting behoort (bijlage
13).
Tijdens de hoorzitting van 18 augustus 1999 betreffende
de behandeling van mijn bezwaarschrift tegen het besluit van de burgemeester
van Coevorden merkt de dhr J Buurman, namens de burgemeester van Coevorden,
allereerst op, dat het volgens reclamant door de politie geforceerde
valluik naar de bovenverdieping niet bekend is (bijlage 20). Vervolgens
komt dhr Buurman met de conventionele draai, dat twee dagen na de inval
de toenmalige gebruiker (van de bovenverdieping, van
middelen, of van beide?) de politie heeft verzocht om de spullen
mee te nemen. Naar aanleiding hiervan heeft de politie met een sleutel
het valluik geopend.
Hoe is de politie in vredesnaam aan deze sleutel
is gekomen, hoe heeft de politie toegang tot de hal in de discotheek verkregen
en waar hebben zij de bevoegdheid vandaan gehaald om een afgesloten voor-publiek-toegankelijke-ruimte
én een prive-ruimte te betreden, om wiens en welke spullen op te
halen is mij een raadsel?
Jammer voor dhr Buurman, dat een 14 dagen later,
de politie met de werkelijke versie in de herziene versie van het proces-verbaal
kwam (bijlage 9).
De conventionele draai, die dhr Buurman aan dit slotje
heeft gegeven staat zeer zeker niet op zich zelf. Een scala aan onwaarheden
op schrift gesteld door dhr Buurman, in naam van de burgemeester van Coevorden,
zijn via brieven aan mij gestuurd.
Het aantal vindplaatsen van middelen in de discotheek
en de hoeveelheden middelen per vindplaats stijgen in de tijd, in de brieven
opgesteld door dhr Buurman (bijlage 3, 13, 20, 24 , 25 , 26).
Tegen dhr J. Buurman dien ik een aanklacht in wegens
medeplichtigheid bij het overtreden van artikel 188 en artikel 268 Wetboek
van Strafrecht.
Bovenverdieping, vervolg
Even voor de duidelijkheid. De Algemene Wet op het
Binnentreden bevat onder meer de volgende bepalingen:
Artikel 1:
"1. Degene, die bij of krachtens de wet belast is
met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering
van een wettelijke voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan,
dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde
in een woning binnentreedt, is verplicht zich voorafgaand te legitimeren
en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. (...)
4. De persoon, bedoeld in het eerste lid, die met
toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, vraagt voorafgaand aan
het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken aan degene
die wenst binnen te treden."
Artikel 2:
"1. Voor het binnentreden in een woning zonder
toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging vereist,
tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden
van het openbaar ministerie en burgemeesters de bevoegdheid is toegekend
tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. De
machtiging wordt zonodig getoond."
In "Het wetboek van strafvordering", onder redactie
van A.L. Melai, bijlage 2, met betrekking tot de Algemene wet op het binnentreden
wordt onder de inleidende opmerkingen op pagina 32 tot en met 37 onder
meer het volgende opgemerkt over wie dient te worden opgevat als een bewoner
die derden de toegang tot een woning kan weigeren in verband met de Algemene
wet op het binnentreden (Awbi):
De betrokkene moet ook inzicht hebben in de situatie,
aldus de MvT (Memorie van Toelichting; N.o.) bij de Awbi, o.c., p. 21.
Artikel 8, tweede lid Awbi bepaalt het volgende:
Degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner
binnen te treden, kan zich door anderen doen vergezellen, voor zover dit
voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist en, indien
krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk
bepaalt."
Welnu waar is de schriftelijke verslaglegging over
binnentreden in mijn privé-gedeelte boven de discotheek, zonder
mij toestemming te hebben gevraagd?
Ik als betrokkene had vanaf het begin van de inval
geen zicht op hetgeen zich boven mij in mijn privé-gedeelte afspeelde.
Meteen na binnenkomst stormde een groep agenten naar
boven en vernielde het slot, dat toegang verschafte tot mijn privé-ruimte.
Vervolgens zijn de ambtenaren van politie de gehele
bovenruimte overhoop aan het halen geweest, gezien de enorme herrie, die
zij veroorzaakten.
Na afloop bleek dat zij systematisch de gehele bovenverdieping
overhoop hebben gehaald en een enorme bende hebben achtergelaten.
De opmerking van dhr Huizenga, dat het boven een
enorme bende was klopt Bijlagen 3 en 9).
Deze bende is echter wel door zijn eigen collega's
gegenereerd, niet door de bewoner.
In deze bende viel het dhr Huizenga op, dat de bedradingen
van mijn stereotoren niet geisoleerd waren (bijlagen 3 en 9)!
Dhr Koning en mevr. Oele kwamen niet tot de conclusie,
dat het boven een chaos en een onveilige situatie was.
Zij constateerden wel dat de ruimte boven de discotheek
recent bewoond is geweest (bijlage 19).
Samenvattend: op grond van de Algemene wet op het
binnentreden dienen politieambtenaren, die een woning willen binnentreden
met toestemming van de bewoner, deze toestemming te vragen voorafgaand
aan het binnentreden; voordat zij binnentreden, moet de toestemming van
de bewoner daartoe blijken.
Ik stond met handboeien om beneden in de discotheek
tussen collega's van dhr Huizenga mij af te vragen, wat er zich op de bovenverdieping
afspeelde.
Van een toestemming om deze ruimte te mogen bezichtigen
is geen sprake geweest, laat staan van het systematisch doorzoeken van
de bovenverdieping.
Een schriftelijke machtiging tot binnentreden is
vereist indien politieambtenaren een woning willen binnentreden zonder
toestemming van de bewoner. Van het binnentreden moet een proces-verbaal
opgemaakt worden. Al deze feiten zijn niet uitgevoerd.
Tegen de burgemeester van Coevorden dien ik dan ook
een viertal eerder vermelde aanklachten in: wegens het ongeoorloofd betreden
van mijn privé-ruimte (huisvredebreuk), wegens het vernielen van
mijn eigendommen (artikel 350 Wetboek van Strafrecht), wegens het op schrift
stellen én indienen van valse beschuldigingen omtrent de gebruikersruimte
(artikel 225 lid 2 en artikel 268 Wetboek van Strafrecht) en wegens het
achter houden van verplicht te verstrekken proces-verbaal (artikel 152
Wetboek Strafvordering).
De laatste aanklacht is nieuw.
Gebruikersartikelen
Het aantal aangetroffen gebruikersartikelen is sinds
het eerste proces-verbaal enorm uitgebreid. Nog even en ik zou boven een
winkel in spullen kunnen beginnen. De bestemming van het pand, horecagelegenheid,
laat dit echter niet toe. Alhoewel, als de vergunning voor 5 jaren wordt
ingetrokken, zou ik alsnog alle spullen, die boven liggen, kunnen verkopen.
Vanwege de belachelijkheid van dit enorme aantal
door Huizenga opgediste artikelen, dien ik tegen dhr Huizenga een aanklacht
in volgens artikel 188 Wetboek van Strafrecht.
Het feit dat deze spullen niet mee genomen zijn,
duidt op hun afwezigheid, c.q. hun onbelangrijkheid. Gezien het gebrek
aan scoringsmateriaal tijdens de inval, waardoor enkele politiebeambten
tijdens de inval duidelijk gefrustreerd raakten, zou het scala aan belastende
spullen van de bovenverdieping een welkome aanvulling op de totaal score
zijn geweest. Helaas dhr Huizenga heeft deze spullen laten liggen. Dit
is niet te wijten aan zijn scoringsdrift, maar aan de onbeduidendheid en
onbenulligheid van de aldaar aangetroffen spullen.
Hoofdstuk Bevindingen van de verhoren
Item: personeel
Dhr Huizenga schrijft:
-
Resumerend kan worden opgemerkt dat diverse betrokkenen
behulpzaam zijn bij barwerkzaamheden in het cafe.
-
Van enkele andere aanwezigen, die ten tijde van de
inval geen middelen in hun bezit hadden, is bij de politie bekend dat ze
hard drugs gebruiken.
-
Door mij verbalisant wordt nog opgemerkt dat het
onwaarschijnlijk voorkomt dat de aangetroffen pakketjes cocaïne achter
de bar in een kastje aan en ander dan personeel toebehoort daar het niet
waarschijnlijk is dat de klanten daar vertoeven.
Deze drie opmerkingen weerspiegelen het decadent denken
van de dhr Huizenga ten voeten uit.
Eerst kost wat kost aansturen op personeel en melden
dat ze betrokken zijn (waarbij is mij een raadsel). Dan verklaren, dat
enkele andere aanwezigen, dit keer de dans ontsprongen, maar wel bij de
politie bekend zijn (en waarschijnlijk ook wel bij de politie bekend blijven
gezien de scoringsdrang).
Vervolgens vindt de dhr Huizenga cocaïne, die
hij nog bij iemand in de schoenen wil schuiven.
U raad het al.
Het personeel kan als enige bij de vacante cocaïne
komen.
Dus handelt eigenaar Frans en zijn dames achter de
bar in cocaïne.
Het is alleen jammer voor dhr Huizenga dat zij niet
mee hebben gewerkt en ook niet mee willen werken (slecht personeel, je
hebt er niets aan).
Even voor de duidelijkheid van dhr Huizenga. Artikel
27 Wetboek van Strafrecht verstaat onder een verdachte, voor zover hier
van belang, het volgende:
Als verdachte wordt vóórdat de vervolging
is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden
een redelijk vermoeden van schuld aan eenig strafbaar feit voortvloeit."
Dit artikel stelt aan de mate van verdenking niet
de eis van een 'ernstig' vermoeden, maar eist wel dat het vermoeden van
schuld (het 'gedaan hebben') moet steunen op feiten of omstandigheden en
dat dit vermoeden bovendien naar objectieve maatstaven gemeten 'redelijk'
dient te zijn, dat wil zeggen "niet enkel in de oogen van den opsporingsambtenaar
doch redelijk op zichzelf" (Memorie van Toelichting). Een redelijk vermoeden
alleen op basis van subjectief inzicht is niet voldoende (bron Nationale
Ombudsman).
Hoofdstuk Cocaïne
Dat dhr Huizenga zelf alle analytische werkzaamheden,
zoals wegen en identificeren ter hand heeft genomen geeft om enkele redenen
geen vertrouwen in de resultaten.
Ten eerste is dhr Huizenga een dermate belanghebbende
in deze procedure geworden én gebleken dat van objectiviteit van
de analyses geen sprake meer is.
Ten tweede is dhr Huizenga geen analyticus maar een
politiebeambte. Zo kent hij niet het analytisch meetprincipe en kan hij
derhalve niet adequaat ingaan op foutendiscussies, kwaliteitsborging en
contaminatie van de meetmethode. Als voorbeeld zijn er een scala aan witte
poeders, die met de cocaïnemethode een vals positief resultaat geven.
Zijn deze storende stoffen bij dhr Huizenga bekend?
Kan dhr Huizenga de Standaard Operatie Procedure
van de gehanteerde methode aan mij opsturen en kan hij laten zien wat de
interne en externe controles aan meetresultaten hebben opgeleverd?
Heeft dhr Huizenga een certificaat en de bevoegdheid
om dergelijke metingen te verrichten?
Wanneer hebben voor het laatst controles van reagentia
en hulpmiddelen plaats gevonden en is het dhr Huizenga bekend dat alleen
chromatografische methoden gekoppeld aan een massaspectrometer de enige
methode is die onomstotelijk kan aantonen dat onderhavige stoffen cocaïne
bevatten.
Het Gerechtelijk Laboratorium te Amsterdam heeft
dergelijke apparatuur en voldoende kennis in huis om cocaïne metingen
te verrichten.
Heeft dhr Huizenga meetresultaten van de gevonden
middelen in Lord Nelson middels het Gerechtelijk Laboratorium?
Wat is er eerder de kip of het ei?
Het antwoord op de vraag wat er eerder is: de
inval of de aanleiding tot de inval in Lord Nelson, is gemakkelijk
te geven. De aanleiding tot de inval in Lord Nelson is er eerder,
dan de inval.
De inval wordt meestal door een (gerechtelijk) vooronderzoek
onderbouwd, tenzij één incident de burgemeester van
Coevorden meteen aanleiding geeft tot de inval in Lord Nelson.
Dus aan de inval gaat ALTIJD een aanleiding
vooraf.
Toch komen een officier van justitie en de Commissie
voor de rechtsbescherming (bijlagen 22 en 23) niet tot dit inzicht.
Dit is hoofdzakelijk te verklaren aan de duidelijke
stellingname in het eerste proces-verbaal van bevindingen van dhr Huizenga
(bijlage 3).
Hierin laat de eerste zin niets aan twijfel over
en wordt zo nadrukkelijk melding gemaakt van (andere) lopende onderzoeken
dat niemand twijfelt aan de betrouwbaarheid van deze gegevens.
De officier van justitie en de commissie concludeerden,
dan ook dat de burgemeester van Coevorden terecht de wet Damocles heeft
toegepast. De aanleiding van de inval kwam niet ter sprake (bijlagen 22
en 23).
Geheel anders wordt de situatie als blijkt dat
de redenen voor de inval dubieus zijn en er geen (gerechtelijk) vooronderzoek
heeft plaats gevonden.
In zo'n geval zijn in de eerste plaats alle gegevens
tijdens de inval oneigenlijk verkregen en is in de tweede plaats
er nu duidelijk sprake van een geheel ander strafbaar delict namelijk
valsheid in geschrifte! Deze situatie heeft zich bij affaire Lord Nelson
voor gedaan!
Gezien de 17 klachten, die het eerste proces-verbaal
van dhr Huizenga heeft opgelopen (bijlagen 10-12), naast het feit dat dit
proces-verbaal twee kortgedingen, twee hoorzittingen en twee commissies
heeft meegemaakt, zou je verwachten dat een rectificatie in een nieuw proces-verbaal
eerder op zijn plaats zou zijn met verontschuldigingen in een separate
brief, dan het doen uitbrengen van een tweede proces-verbaal met aanscherping
en uitbreiding van de valse beweringen. Hij weet namelijk als geen ander
de ware reden van de inval in Lord Nelson.
In plaats van verontschuldigingen doet dhr Huizenga
er nog een schepje bovenop en komt hij met de valse beschuldiging, dat
ik in middelen handel (bijlage 9).
Bij het tweede proces-verbaal is dus duidelijk geen
sprake meer van een vergissing of gebrek aan inzicht door de vele gebeurtenissen
tijdens de inval, maar van een doelbewust uitbrengen van een valse aangifte
op geschrift gesteld én ingediend bij de Arrondissementsrechtbank,
waardoor mijn eer én goede naam wordt aangerand. Tegen dhr Huizenga
dien ik dan ook voor dit feit een aanklacht in tegen overtredingen van
artikel 225 lid 1 en artikel 268 Wetboek van Strafrecht.
Brieven van de burgemeester van Coevorden
Aanklachten voor overtredingen van artikel 225 lid
2 en artikel 268 Wetboek van Strafrecht heb ik zoals eerder vermeld, ook
tegen de burgemeester van Coevorden ingediend en wel om redenen verwoord
in onderstaande brieven.
Brief van 3 juni 1999
In de brief van 3 juni 1999 (bijlage1) schrijft de
burgemeester van Coevorden: de bevoegdheid tot deze sluiting over te
gaan is mij gegeven in het eerste lid van artikel 13b van de Opiumwet.
Dan komt de burgemeester van Coevorden vervolgens
met een hele rij oneigenlijk verkregen bevindingen van de inval
en een aantal opsommingen, die niet met de werkelijkheid kloppen, zoals
zeven personen met cocainebezit, personeel dat gebruikt en de bovenverdieping
met verdachte attributen.
Deze feiten in Lord Nelson hebben een dergelijke
naar buiten stralend negatief effect dat de openbare orde wordt aangetast,
welke om een adequate maatregel van de kant van de burgemeester van Coevorden
vraagt. Schrijft hij verder.
Het coffeeshopbeleid van de gemeente Coevorden komt
aan de orde en het genereuze gebaar de discotheek niet voor de duur van
1 jaar maar voor drie maanden te sluiten, omdat de gemeente van Coevorden
hun richtlijnen nog niet klaar hebben!
(Hadden zij met de inval dan niet even kunnen wachten
totdat zij hun APV's klaar hadden?
Nee want het transport vanuit Heerlen meldde zich
aan.)
De bouwtechnische aspecten en de brandveiligheid
van het perceel Schoolstraat 18 komen aan de orde, maar met geen woord
wordt over de direkte aanleiding van de inval gerept.
Als uit een (gerechtelijk) vooronderzoek, vlak
voor de inval uitgevoerd, maar het geringste feit in overtreding met de
Opiumwet naar voren was gekomen in Lord Nelson te Coevorden, dan hadden
de burgemeester van Coevorden én dhr Huizenga dit zeer breed geëtaleerd
en opgeblazen en vervolgens continu naar dit feit gerefereerd.
Deze handelingen hebben zij niet kunnen uitvoeren,
omdat zo'n feit zich niet heeft voorgedaan en omdat zij geen
vooronderzoek hebben verricht.
Brief 28 juni 1999
In de brief van 28 juni (bijlage 24) verwijst de
burgemeester van Coevorden meteen naar artikel 13b dat recent in de Opiumwet
is ingevoerd.
De bovenverdieping is volgens de burgemeester een
essentieel onderdeel van het cafe, ondanks het feit dat ik deze ruimte
aan kennissen in gebruik heb gegeven. Met behulp van jurisprudentie wordt
de uitbreiding van het cafe onderbouwd en de uitlening aan een goede kennis
is niet relevant volgens de burgemeester van Coevorden.
En het slotje dan?
Ik bedoel het slotje aan het valluik waar dhr Buurman
zo'n mooi verhaal over vertelde.
JA, hetzelfde slotje, dat ook dhr Huizenga
bewust was vergeten, vergeet de burgemeester van Coevorden ook te vermelden.
De burgemeester van Coevorden heeft toch inzage in
zijn bestemmingsregister om aan de weet te komen, dat alleen voor de benedenverdieping
een horeca-vergunning is afgegeven.
Waarom word ik eigenlijk ook niet van illegaal drankverkoop
op de bovenverdieping beschuldigd? Omdat zij hiervoor niet binnen mogen
komen.
Over de cocaine verstrengeling schrijft alleen
de burgemeester van Coevorden het volgende: opmerkelijk was dat op de
pakketjes die aangetroffen zijn in de jaszak, handtas, en de kast achter
de bar identieke aantekeningen stonden. Daarbij heb ik de conclusie getrokken
dat ze uit een en dezelfde partij afkomstig zijn.
Zelfs dhr Huizenga komt in zijn beide processen-verbaal
niet met dit gegeven, wat toch essentieel moet zijn, indien locale
handel is geconstateerd.
Misschien wordt één en ander in latere
versies processen-verbaal verwoord?
Aan de burgemeester van Coevorden komt wederom de
eer toe, als eerste met nieuwe feiten naar buiten te zijn gekomen.
De geplande actie, het gerechtelijk vooronderzoek,
de geweldsdelicten en brandstichtingen door daders onder invloed van cocaine
zijn ook nieuw in deze brief.
Niet nieuw in deze brief zijn: lopende onderzoeken
en handel in middelen.
Hierbij refereert de burgemeester van Coevorden naar
de processen-verbaal van dhr Huizenga, terwijl dhr Huizenga in zijn
eerste proces-verbaal van bevindingen het alleen maar heeft over
mijn drugsgebruik, dat mede aanleiding is geweest tot de inval (bijlage
3) en nog niets vermeldt over de handel van mijn dames achter de bar en
van mij. Dat komt later pas in de herziene versie van het proces-verbaal
van bevindingen (bijlage 9)
Het plaatselijk gemeentebeleid in het kader van drugbestrijding
had ik volgens de burgemeester van Coevorden af moeten leiden uit plaatselijke
krantenberichten. Dit gemeentebeleid is er op gericht te voorkomen dat
de openbare orde ernstig wordt aangetast dan wel de woon- en leefklimaat
nadelig wordt beinvloed als gevolg van de handel of gebruik van drugs.
Verkleuring van informatie in kranten is de burgemeester
van Coevorden wel bekend, gezien het aantal krantenberichten dat hij de
laatste tijd (niet) haalt.
Inmiddels is een voorstel gedaan om de APV's van
de gemeente Coevorden, waarmee ik dus illegaal werd bestreden, aan te passen,
zodat zij wettig zijn.
In overleg met de inspecteur voor de Drankwetgeving
is besloten het college van de burgemeester en wethouders van deze gemeente
voor te stellen de aan de heer Beukeveld in het Kader van de Drank en Horeca
wet verleende vergunning in te trekken.
(P.S. later werd de vergunning van mijn vrouw ingetrokken
omdat zij en niet ik vergunninghoudster was. In het gehele proces van bevindingen
komt zij niet voor. Toch wordt haar vergunning ingetrokken om een reden
die tot op heden niet is omkleed!)
Brief van 14 juli
In de brief van 14 juli komen er ander valse beschuldigingen
van het adres van de burgemeester van Coevorden bij (bijlage 25).
In deze brief van 14 juli schrijft de burgemeester
van Coevorden: dit artikel bepaalt dat een vergunning wordt ingetrokken
indien zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de
vrees wettigen, dat het van kracht blijven de vergunning gevaar zou opleveren
voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Wij zijn van mening
dat er zich in de horeca-inrichting dergelijke feiten hebben voorgedaan.
Dat er in uw inrichting sprake is van handel
in harddrugs baseren wij op gegevens uit processen-verbaal die opgemaakt
zijn naar aanleiding van een inval op 28 mei 1999 in uw horeca-inrichting
(bijlage 3) enz enz.
U draagt als bedrijfsleider c.q. beheerder van
het cafe een zekere verantwoordelijkheid voor de gang van zaken in het
cafe. Het is aan u te rekenen dat in het cafe, verspreid over meerdere
en verschillende plaatsen, in totaal 15 gram cocaine is aangetroffen.
Een indicatie voor het aanwezig zijn van cocaine
voor de handel acht de president verder gelegen in het feit dat de cocaine
op meerdere plaatsen in het cafe is gevonden. enz. enz., schrijft de
burgemeester van Coevorden verder.
De bovenstaande gegevens hebben de burgemeester
van deze gemeente aanleiding gegeven gebruik te maken van de bevoegdheid
voor toepassing van bestuursdwang als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet.
De president van de Arrondissementsrechtbank te
Assen acht in zijn beslissing van 13 juli 1999 dat het voldoende aannemelijk
is geworden dat aan de voorwaarde van artikel 13b Opiumwet is voldaan.
Deze beslissingen bevestigen naar onze mening de hiervoor genoemde feiten
en omstandigheden met betrekking tot handel in harddrug, zo schrijft
de burgemeester van Coevorden verder.
Dus toch handel, of haalt de burgemeester van Coevorden
hier gevolg en oorzaak door elkaar?
Eerst komt de oorzaak van de inval in Lord Nelson,
dan pas het gevolg niet nadersom.
Eerst voldoende bewijzen van de handel in drugs in
Lord Nelson verzamelen en dan met artikel 13b in de hand deze bewijzen
staven.
Niet eerst in Lord Nelson te Coevorden binnen komen
vallen en dan vervolgens via kunstgrepen en valsheid in geschrift mij
van handel in drugs te betichten.
Hier geldt dat de politie anderhalve maand na de
inval met nog geen enkel feit over het gebeuren in Lord Nelson van voor
de inval naar buiten is getreden, heeft willen treden, of kon treden omdat
geen vooronderzoek heeft plaats gevonden.
In deze brief (bijlage 25) wordt door de burgemeester
van Coevorden ook met geen woord over vooronderzoek gerept!
De resultaten uit de (andere) lopende onderzoeken
zijn zeker nog niet bekend (bijlage 3).
Ook op d.d. 24 september 1999 waren de resultaten
van de lopende onderzoeken nog niet bekend en kon de burgemeester van Coevorden,
die de inval gepland had, niets over de resultaten aan mijn zwager
en mijn broer mededelen.
Dit was de derde onwaarheid, die de burgemeester
van Coevorden aan mijn familie vertelde, nu niet binnen 10 minuten, maar
binnen een half uur in een persoonlijk gesprek met hem. Hierbij was dhr
J. Buurman, als ambtenaar van de gemeente van Coevorden, aanwezig!
Enkele dagen later (29 september 1999) schreef de
officier van justitie mr D. ten Boer van het Arrondissementsparket te Assen
de processen-verbaal van de politie uit Coevorden te hebben ontvangen met
de mededeling dat tegen mij geen gerechtelijk vooronderzoek was geopend
(bijlage 14).
Brief 24 augustus 1999
In de brief van 24 augustus 1999 (bijlage 26) beschuldigt
de burgemeester van Coevorden mij ervan mij uitsluitend te baseren op een
aantal processen-verbaal, dat van de officier van justitie is ontvangen,
om zodoende mijn straatje schoon te vegen.
Tot op dit moment heb ik in deze brief deze processen-verbaal
van feiten, opgemaakt van de ten tijde van de inval in Lord Nelson aanwezige
personen, niet aangehaald om mijn gelijk in de affaire Lord Nelson
te krijgen.
Wel heb ik vermeld, dat al deze personen moeten getuigen
om de feiten boven water te krijgen.
Verder schrijft de burgemeester van Coevorden: het
betreffen uitsluitend processen-verbaal van verhoor van een aantal
klanten die op 28 mei 1999 tijdens de inval van de politie in "Lord Nelson"
aanwezig was. Tijdens zo'n verhoor tracht elke betrokkene zijn of haar
rol weg te cijferen en te bagatelliseren om op die manier aan een eventuele
strafrechtelijke vervolging te kunnen ontkomen. Wij zijn van mening dat
deze processen-verbaal geen getrouw beeld geven van de situatie zoals die
ter plaatse door de politiefunctionarissen is aangetroffen.
Indien de politie van Coevorden adequaat (gerechtelijk)
vooronderzoek had verricht dan zouden de discrepanties in bevindingen in
het voordeel van de politie zijn geweest. Nu verwijt de pot de ketel dat
zij zwart ziet.
Verder schrijft de burgemeester: opvallend is
dat in het onderhavig verzoek met geen woord gerept wordt over het
proces-verbaal van bevindingen welke na de politie-actie is opgemaakt.
Juist dat proces-verbaal vormt de basis voor het standpunt dat zich
in "Lord Nelson" feiten hebben voorgedaan als bedoeld in artikel 13b van
de Opiumwet. Een standpunt waarvan de fungerend president van uw rechtbank
in zijn beslissing van 13 juli 1999 kenmerk 99/388 wet P07/G07. heeft gezegd
dat "het voldoende aannemelijk is geworden dat de in artikel 13b van de
Opiumwet opgenomen voorwaarde voor toepassing van bestuursdwang vervuld
is"
De burgemeester van Coevorden gaat verder: wij
zijn van mening dat artikel 31 van de Drank- en Horecawet in de aanhef
imperatief (dwingend) voorschrijft dat een vergunning ingetrokken wordt
indien zich voordoet: enz. enz.
Verder meldt de burgemeester van Coevorden, dat Coevorden
aan één coffeeshop meer dan voldoende heeft, de specifieke
situatie aan de grens aanzuigende werking heeft (p.s.
voornamelijk vanuit Schoonebeek én Hardenberg in Nederland zeker?),
de kleine binnenstad een uitgaanscentrum en centrumfunctie voor de regio
is, waardoor alertheid op ongewenste situaties gewenst is en aldus gebruik
gemaakt moet worden van de in artikel 58 lid 4 van de APV opgenomen bevoegdheid
tot het vaststellen van nadere regels ter beteugeling en beheersing van
drugsoverlast in en rond horecabedrijven.
Uiteindelijk moet mijn horecavergunning voor een
periode van 5 jaren worden ingeleverd aldus de burgemeester van Coevorden.
Later wordt dit: het inleveren van de horecavergunning
van mijn vrouw en mij.
Aanklachten tegen de burgemeester van Coevorden
Bij het indienen van de twee brieven (bijlagen 13
en 26) aan de Arrondissementsrechtbank te Assen heeft de burgemeester mij
valselijk beschuldigd.
Tegen deze valse beschuldigingen dien ik volgens
artikel 188, artikel 225 lid 2 en artikel 268 Wetboek van Strafrecht aanklachten
in tegen de burgemeester van Coevorden.
Naast het schrijven van deze brieven en het vertellen
van onwaarheden heeft de burgemeester van Coevorden noch veel meer op zijn
geweten.
Hieronder volgt een overzicht van de mij bekende
activiteiten, die allemaal tot doel hebben het perceel Lord Nelson vervroegd
in gemeente bezit zien te krijgen, via slinkse compagnons, die provisie
opstrijken, zoals de bankdirecteur van de ABN/AMRO te Coevorden (bijlage
27).
Te snel schreef deze ABN/AMRO bankdirecteur van de
vestiging Coevorden niets met drugscafe's te maken te willen hebben en
sloot daarbij de geldkraan af, om op deze manier ook druk op mij uit te
oefenen. Deze brief blijkt voor dit soort aangelegenheden geen standaard
brief van de ABN/AMRO bank te zijn, maar een persoonlijke brief, met ambtsmisbruik
op briefpapier van de ABN/AMRO, gericht tegen mij.
De snelheid van uitgifte van deze brief in samenhang
met de inval en projectontwikkelingen in de binnenstad van Coevorden heeft
mij doen vermoeden, dat er een correlatie met de burgemeester van Coevorden,
de bankdirecteur en de inval in Lord Nelson bestaat.
De lijst van de activiteiten van de burgemeester
van Coevorden (B.) rondom Lord Nelson is bijgewerkt tot 30 september 1999.
-
De burgemeester en wethouders van Coevorden maken in
1982 een bestemmingsplan voor de omgeving Bakkersteeg/Schoolstraat, zodat
verlenging van een aantal winkels aan de Friesestraat plaats kan vinden
(bijlage 28 niet bijgeleverd). Dit bestemmingsplan wordt in 1986 goed gekeurd.
(Bijlage 29 laat de huidige plattegrond van de
naaste omgeving van de discotheek Lord Nelson te Coevorden zien en bijlage
30 vertoont het nieuw goedgekeurd bestemmingsplan met speciale aandacht
voor het rechttrekken van de Bakkersteeg).
-
B. gelast 27 mei 1999 de inval die d.d. 28 mei 1999
in Lord Nelson, gelegen aan de Bakkersteeg/Schoolstraat plaats vindt (bijlagen
13, 28-31).(Noot later is gebleken dat de politie op eigen
gelegenheid de inval heeft gepland. Deze aantijging tegen de burgemeester
wordt teruggenomen)
-
B. verstrekt actieve informatie met emotionele uitlatingen
richting de pers, waardoor een negatieve toonzetting wordt gecreëerd
(secundaire doel: actieve eliminatie van het pand Lord Nelson, waardoor
de handen vrij zijn voor het uitbreidingsplan Friesestraat) (bijlage 32).
-
B. verschaft actieve informatie richting derden, waardoor
de strafmaat eerder aan derden bekend is, dan aan de beheerders van Lord
Nelson (doel: verhoging stemmingmakerij omtrent Lord Nelson).
-
B. ordent een technische keuring van de discotheek (doel:
installatie-technisch afkeuren van het pand Lord Nelson) (bijlage 19).
-
B. eist vervolgens een bouwtechnische keuring van de
discotheek (doel: bouwtechnisch afkeuren van het pand Lord Nelson) (afgewimpeld
door mijn advocaat).
-
Beheerders moeten begin juni bij B. komen voor tekst
en uitleg, waar hen wordt verteld wat hun strafmaat is met als boodschap,
dat alles te wijten is aan eigen handelen (bijlage 33).
-
B. laat begin juni de APVs in het kader van de Opiumwet
aanpassen. Deze zijn op zijn vroegst medio juli door de gemeenteraad
Coevorden goedgekeurd (doel: niemand mag meer vanaf begin juni
van B. in het pand Lord Nelson komen) (bijlage 34).
-
B. laat begin juni mede door de Lord Nelson affaire
verordeningen in het kader van de wet Damocles aanpassen, die op zijn vroegst
medio juli door de gemeenteraad Coevorden goedgekeurd kunnen worden
(doel: Lord Nelson vanaf eind mei hiermee te veroordelen) (bijlage
35).
-
B. schrijft 23 juni een brief aan de officier van justitie
om zijn standpunten omtrent Lord Nelson kracht bij te zetten. In deze brief
vermeldt B. de tweede strafmaat: 5 jaren ontheffing van de horeca-vergunning
van de heer Beukeveld (doel: de horecavergunning van het pand in
te trekken, waardoor één van de beheerders failliet gaat
en deze het pand voortijdig moet verlaten) (bijlage 13).
-
De uitspraak van het eerste kortgeding is op 13 juli
(B. krijgt het voordeel van de twijfel, Lord Nelson moet drie maanden gesloten
blijven) (bijlage 22).
-
B. trekt op 14 juli de vergunning van de heer Beukeveld
én van mevr. Beukeveld v/d Belt voor de duur van 5 jaren
in wegens verstoring van de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid,
mede vanwege de zeer waarschijnlijke kans op een recidief. Veel van de
onderbouwende tekst wordt van de officier van justitie geleend (doel: alle
beheerders van Lord Nelson te treffen) (bijlage 25).
Bij de hoorzitting meldt de voorzitter van deze
hoorzitting wethouder E. Thiele van Ruimtelijke Ontwikkeling van de gemeente
Coevorden, dat de bestemming van Lord Nelson in deze kwestie niet in het
geding is (bijlage36 ).
-
B. schrijft op 24 augustus dat het proces-verbaal van
dhr Huizenga de basis vormt waarop de fungerend president en hij de standpunten
baseren. B. weet op dit moment nog niet dat hij in totaal 23 klachten krijgt
over zijn gedragingen en over de gedragingen van de politie (bijlagen 26
en 4-8).
-
Na het tweede kortgeding begin september vindt op aanraden
van de officier van justitie te Assen een gesprek met B. plaats, waarin
B. eist dat vijf personen voor een periode van 2 jaren niet meer in Lord
Nelson mogen komen. Uiteindelijk worden het vier personen, die middels
een brief deze mededeling toegezonden krijgen (doel: druk op Lord Nelson
te blijven uitoefenen).
-
Met B. is afgesproken dat het gezamenlijk persbericht
niet het woord voorlopig, in samenhang met de voorlopige opening
van Lord Nelson, zou bevatten. Nog geen uur na deze afspraak bevat het
gezamenlijke persbericht wel het woord voorlopig. Een dag later
vindt door druk van mij rectificatie plaats. Ook het gemeentelijk persbericht
van Coevorden op Internet bevat tekst die de overtuiging uitspreekt, dat
de rechter alsnog de onschuldige schuldig doet bevinden.
-
B. gelast de allereerste avond nadat Nelson weer
open is controle op de naleving van de afspraak, dat de vier personen niet
in Lord Nelson mogen komen en laat dit op een intimiderende wijze door
de politie uitvoeren.
-
B. gelast dat deze controle wekelijks plaats moet vinden
(doel: continue pressie op Lord Nelson te blijven uitoefenen)(informatiebron
is bij mij bekend).
-
24 september 1999 doen mijn zwager en broer een verzoek
aan B. om uit de impasse Lord Nelson te komen. B. komt met een drietal
onwaarheden en heeft geen belangstelling voor het perceel Lord Nelson (bijlage
36).
29 september 1999 schrijft de officier van justitie
mr D. ten Boer te Assen het proces-verbaal van de politie Coevorden te
hebben ontvangen (bijlage 14).
Op 30 september 1999 vindt in het gemeentehuis van
Coevorden de hoorziting plaats over de klachten van de gedragingen van
de politie, tijdens de inval in Lord Nelson. Eén dag voor deze hoorzitting
verandert dhr Huizenga zijn porces-verbaal van bevindingen.
Hieraan vooraf gaand is een brief naar de klachtencommissie
gestuurd met de mededeling uitsluitend een advies van de korpsbeheerder
te willen ontvangen, conform de richtlijnen in de Politiewet beschreven
(bijlage 37).
Deze brief is geschreven omdat de burgemeester van
Coevorden de klachtencommissie om advies had gevraagd (bijlage 38).
-
B. vraagt illegaal de klachtencommissie om advies over
gedragingen van zijn politie-ambtenaren, die hij opdracht heeft gegeven,
zodat B. hierover een advies uit kan brengen (bijlage 38) (verstrengeling
van belangen en bevooroordeling zijn hier in het geding).
-
B. beschuldigt mij chronologisch van: drugsgebruik,
het in dienst hebben van personeel dat drugs gebruikt, handelaar van harddrugs
met aspiraties om een coffeeshop te willen beginnen, aanstichter van bepaalde
geweldsdelicten in Coevorden in samenhang met drugs, verstoring van de
openbare orde, zedelijkheid en veiligheid met een zeer grote kans op herhaling
van deze feiten én aspiraties voor een nieuw op te richten sex-gelegenheid
in Coevorden.
-
B. dient 29 september 1999 in het kader van de Opiumwet
een aanklacht in tegen mij bij de officier van justitie, waarbij waarschijnlijk
de handel in middelen van mij en mijn dames achter de bar als strafbaar
feit over blijven (bijlagen 13 en 14).
Wegens gebrek aan bewijs is de kans aanwezig, dat het
niet tot een veroordeling komt en dan zit ik met emotionele en financiële
katers!
Overdracht van bevoegdheid over perceel Schoolstraat
18
In een gesprek van mijn zwager W. Muller (wonende
Rogat 5 te Rogat en mijn oudste broer, dr G.J.J. Beukeveld (wonende Renoirhof
161, te Hoorn) met de burgemeester van Coevorden en de heer J. Buurman
van de Bestuurlijke Ondersteuning om 9.00 uur d.d. 24 september 1999 in
het gemeentehuis te Coevorden ten kantore van de burgemeester, betrapten
mijn zwager en broer de burgemeester binnen tien minuten op drie, maar
minimaal op twee, onwaarheden. Later kwam de derde zoniet de vierde onwaarheid
hier nog bij.
Mijn zwager en mijn broer voerden namens mij een
gesprek met de burgemeester van Coevorden met het voorstel na financiële
genoegdoening de rechten van de discotheek aan de gemeente over te dragen,
zodat zij het vigerend bestemmingsplan uit kunnen voeren en om de publiciteitstroom
een halt te doen roepen.
Mijn vrouw en ik zijn niet meer opgewassen tegen
de hetze rondom de discotheek, de reden waarom mijn zwager en mijn broer
mij bij de burgemeester vertegenwoordigen. Vrij vroeg na kennismaking zei
de burgemeester geen belangstelling voor het pand Lord Nelson te hebben
en niets van zin is met het pand. Hij is niet op de hoogte van recente
ontwikkelingsplannen van dit pand.
Vervolgens gaat mijn zwager over op een ander onderwerp
en hij vraagt de burgemeester naar de aanleiding van de inval.
Hierop vertelt de burgemeester dat gezien het lopend
gerechtelijk vooronderzoek hij niet op de aanleiding van de inval in
kan gaan. Hij vertelt verder dat er een gerechtelijk vooronderzoek bij
mijn broer loopt.
Bij nadrukkelijk navragen van mijn zwager vertelt
de burgemeester nogmaals dat in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek
hij niets kan zeggen en hij verwijst ons voor informatie naar de officier
van justitie te Assen, mr D. ten Boer, die hij bij naam noemt.
De burgemeester vertelt dat alle gegevens opgestuurd
zijn naar de genoemde officier van justitie te Assen.
Op dit moment weet hij dat er geen gerechtelijk
vooronderzoek bij mij heeft gelopen (mijn zwager en mijn broer weten
dit op dat moment nog niet).
Een paar dagen later krijgen wij van onze advocaat
te horen, dat er helemaal geen gerechtelijk vooronderzoek bij mij
heeft gelopen (bijlage 14).
De reden waarom de politie in naam van de burgemeester
de inval in Lord Nelson heeft uitgevoerd is dan nog niet duidelijk.
Wel is duidelijk dat de burgemeester in deze heeft
gelogen.
Een paar uur na ons gesprek met hem staat in een
persbericht, dat een strafrechtelijke procedure tegen mij is gestart naar
aanleiding van eerdere bevindingen.
Ook het feit dat de burgemeester vertelt dat de stukken
zijn opgestuurd klopt niet. Dhr A. Vries moet dan nog als een bezetene
zijn twee processen-verbaal schrijven! Kijk hiervoor maar naar de datum
van schrijven onder de processen-verbaal RCID no 9900808078 en RCID no
99008075 (bijlagen 16 en 17)!
Hiermee is de actieve rol van dhr A. Vries hoofd
RCID in de Lord Nelson affaire bewezen.
De datum van bovenstaand gesprek met de burgemeester
van Coevorden was 24 september 1999 (bijlage 40).
Na dit onderwerp komt mijn broer wederom bij de burgemeester
van Coevorden terug op het voordeel, dat ik met de discotheek kan stoppen
en de aantrekkelijkheid van het perceel Schoolstraat 18 voor de gemeente
Coevorden. Hierbij wordt wederom getracht de impasse omtrent de discotheek
te doorbreken met een win-win situatie voor beide partijen.
De burgemeester zegt wederom geen ontwikkelingsplannen
voor het gebied Schoolstraat en omgeving te hebben en te kennen.
Na het neer leggen van een gescande kaart van de huidige situatie rondom
de Schoolstraat en omgeving (bijlage 29) wordt de burgemeester op de aantrekkelijkheid
van het gebied rondom de Rooms Katholieke Kerk en Schoolstraat te Coevorden
gewezen en wordt hem vertelt dat zij actief bezig zijn met panden achter
de discotheek (Bakkersteeg), waarin nu o.a. een naai-atelier is gevestigd.
Vertelt wordt dat uit naam van de ARBO-wet dit pand
wordt afgekeurd voor industriële doeleinden. Dhr Buurman en de burgemeester
beamen dit volmondig. Echter deze situatie is niet van toepassing voor
Lord Nelson (Schoolstraat 18) vertellen zowel de burgmeester als dhr Buurman.
Daarna laat mijn broer de burgemeester van Coevorden het vigerend ontwikkelingsplan
van de Schoolstraat, Bakkersteeg en Friesestraat van de gemeente Coevorden
zien (bijlage 30) met de mededeling dat de burgemeester van Coevorden nu
een probleem heeft.
Hij als hoofd van de gemeente, die beleids- en ontwikkelingsplannen
moet maken, de plannen moet laten goedkeuren, uitvoeren en vervolgens de
voortgang van deze plannen moet bewaken, kan niet ontkennen, dat hij niets
van de omgeving Schoolstraat, Bakkersteeg en Fiesestraat af weet.
De burgemeester van Coevorden wordt uitgelegd wat
de gevolgen voor Lord Nelson zijn als de Bakkersteeg recht wordt getrokken.
Lord Nelson kan dan niet meer bestaan.
Deze uitleg is noodzakelijk omdat dhr Buurman de
situatieschetsen (bijlagen 29 en 30) in eerste instantie niet begrijpt.
De burgemeester begrijpt zeer zeker de ernst van
de situatie.
Vervolgens wordt de burgemeester van Coevorden een
lijst met zijn activiteiten gegeven, die hij ontplooid heeft met het doel
Lord Nelson omzeep te helpen en waaruit af te leiden is dat hij wel degelijk
actief met het perceel en pand Schoolstraat 18 bezig is.
Op deze activiteiten is niet inhoudelijk ingegaan
om de zaak niet verder te laten escaleren. Aangeboden wordt een win-win
overeenkomst indien de gemeente Coevorden alsnog op een legitieme manier
de rechten van Lord Nelson koopt.
Omdat mijn broer boos werd, omdat de burgemeester
aangaf dat het gesprek niet liep, zoals hij dat wilde, is de burgemeester
duidelijk gemaakt, dat hij binnen tien minuten tegen hen had gelogen en
dat wij een groot aantal stappen zullen ondernemen wanneer hij niet binnen
een week positiever op ons voorstel zou in gaan.
Een klacht, die wij dan bij de officier van justitie
neer zullen leggen, is: met voorbedachte rade actief ruineren van een
goed renderende discotheek.
De burgemeester zegt toe met de gemeenteraad te zullen
overleggen.
Wij van onze kant zullen dan geen klacht indienen.
Na nogmaals op de aanleiding van de inval terug te
zijn gekomen, waarop wederom naar het vooronderzoek wordt verwezen, wordt
het onderhoud met de burgmeester, door hem wederom te wijzen op de geen-verlies-methode
voor beide partijen, die wij voorstaan, gestopt.
Een drie kwartier later staan mijn zwager en broer
weer buiten zijn kantoor en gaan naar huis.
Een uur na thuiskomst staat in het persbericht dat
de strafrechtelijke procedure tegen mij is ingegaan, nadat de burgemeester
het oordeel van zijn commissie heeft over genomen (bijlage 23).
De burgemeester krijgt een week de tijd om op ons
aanbod te reageren.
Op de achtste dag (30 september 1999) krijgen wij
uit persoonlijke hand van dhr Buurman een brief van de burgemeester van
Coevorden (zie bijlage 40) waarin hij wederom zegt geen belangstelling
voor het perceel Schoolstraat 18 te hebben.
Brief 29 september 1991
Over deze brief (bijlage 40) heb ik een aantal opmerkingen:
Het door ons aan de burgemeester voorgelegde plan
(bijlage 30) is een goedgekeurd plan en dus bekend bij burgemeester,
wethouders en gemeenteraad van Coevorden.
Na een winterslaap van 12 jaar bespeuren wij (broer,
zwager, ik en vele anderen) duidelijk lente in de nabije omgeving van de
Schoolstraat.
Ook de activiteit omtrent de machinefabriek (nu naai-atelier)
achter de discotheek Lord Nelson is alom bekend en is met de burgemeester
van Coevorden en met dhr Buurman besproken.
De grootste blunder in de brief van de burgemeester
van Coevorden, met onbekend kenmerk, is de bestemming van het perceel Schoolstraat
18 (bijlage 40).
Volgens de burgemeester van Coevorden behoudt deze
zijn horecabestemming, ondanks het feit dat dit perceel in de nieuwe situatie
niet meer kan bestaan en dus niet meer bestaat indien de nieuwe situatie
is gerealiseerd.
Het voorste gedeelte van het perceel wordt geïntegreerd
met de uitbreiding van de winkel aan de Friesestraat en het achterste gedeelte
zou dan midden op de inmiddels recht getrokken Bakkersteeg komen te liggen
(bijlage 30).
Nogmaals met andere woorden, 12 jaar geen activiteiten
omtrent een goedgekeurd ontwikkelingsplan te hebben uitgevoerd, verplicht
het de gemeente het inhalen van de schade door overactief en agressief
te werk te gaan, waarbij over lijken wordt gelopen (niet allen bij ons
maar ook bij het naai-atelier en ander projectontwikkelingen in Coevorden).
Ook wethouder E. Thiele van Ruimtelijke Ontwikkeling
heeft omtrent dit onderwerp (actieve eliminatie van Lord Nelson) tegen
mij gelogen door te stellen dat de bestemming van Lord Nelson niet in het
geding was (bijlage 35). Hij als hoofd van de ruimtelijke ontwikkeling
weet wel beter.
Ook ondertekende wethouder Thiele, via de secretaris,
de brief met datum van 24 augustus 1999, verzonden aan de Griffier van
de sector Bestuursrecht van de Rechtbank te Assen (bijlage 26).
Tegen de wethouders van Coevorden dien ik een aanklacht
in wegens overtreding van artikel 268 en artikel 225 lid 2 Wetboek van
Strafrecht, door in de brief met datum van 24 augustus 1999, verzonden
aan de Griffier van de sector Bestuursrecht van de Rechtbank te Assen mij
vals te beschuldigingen van het bezit van een gebruikersruimte boven de
discotheek en van handel in middelen.
Dan de werkelijke reden van de inval: vermoed
wapen- en drugstransport vanuit Heerlen
Vermoed wapen- en drugstransport vanuit Heerlen
Feiten:
26 mei j.l. was mijn neef G. wonende te Heerlen jarig
en hij belde mij vlak voor die tijd op om de paardentrailer mee te nemen,
omdat hij hout heeft voor mijn onlangs gekochte boerderij te Coevorden.
In Heerlen wordt samen met Hld N. (wonende te Coevorden)
uit de garagebox aan de Schaersbergerweg het hout in de trailer geladen.
Wat ik toen niet wist (omdat een normaal mens zich
daar nooit mee bezig houdt) is dat twee garageboxen verderop een partij
drugs en wapens lag opgeslagen, waarmee de politie al meer dan twee jaar
bezig is om de eigenaar te achterhalen. Tijdens het inladen van het hout
kwam de politie van Heerlen vermoedelijk op het idee dat wij binnendoor
de verdachte drugs uit de garage verderop haalden en naar mijn woonplaats,
Coevorden, transporteerden.
Hld en ik kwamen op 27 mei om 19.00 uur 's avonds
in Coevorden aan en mijn vrouw laadde de trailer uit, terwijl ik even ging
slapen, omdat ik daarna naar mijn discotheek Lord Nelson te Coevorden moest.
Hierbij is de paardentrailer nooit in de buurt van
de discotheek Lord Nelson geweest!
Om half twee 's nachts (28 mei 1999) bestormt een
grote politiemacht inclusief een hond mijn discotheek. Mijn eerste gedachten
waren een vrijgezellengrap, maar mijn plezier ging al snel over. Wij werden
geboeid, moesten op de knieën met het hoofd tegen de muur en wij werden
grondig gefouilleerd.
Het resultaat van de inval viel tegen en sommige
politie-beambten reageerden hierdoor tamelijk gefrustreerd.
Enkel dagen na de inval in Lord Nelson werd door
de politie van Veldhoven de garagebox in Schaersbergerweg te Heerlen
leeg gehaald, alwaar alle rommel nog onaangeroerd stond.
Na afloop van de inval zocht de burgemeester van
Coevorden meteen de publiciteit en sprak zijn afschuw uit over wat er in
mijn discotheek is gebeurd (bijlage 32).
Hij zou disciplinaire maatregelen treffen en dat
heeft hij gedaan.
Met behulp van de wet Damocles werd de discotheek
voor 3 maanden gesloten en is mijn horecavergunning voor 5 jaar afgenomen.
Dat laatste wegens schending van de openbare orde,
zeden en veiligheid in openbare ruimten (bijlage 13).
De publiciteit en schending van mijn privacy omtrent
de inval waren dermate ernstig dat mijn oudste dochter mij 's middag huilend
kon vertellen, dat de discotheek drie maanden dicht moest, omdat zij dat
op school had gehoord, terwijl ik pas tegen het eind van de middag het
officiële bericht van de burgemeester moest ontvangen.
Binnen twee werkdagen na de inval verbreekt
de directeur van de ABN-AMRO bank te Coevorden de financiële relatie
met mij (bijlage 27). -Alleen bij het binnenhalen van grote sommen geld
reageert zo'n bank zo snel. Activiteiten in verband met hun moraal en zeden
moeten doorgaans langer op zich laten wachten. Indien de directeur van
deze bank wil optreden als projectontwikkelaar voor de locatie Schoolstraat,
Bakkersteeg en omgeving dan blijf ik hem volgen.
Ook enkele horecahouders in Coevorden menen, door
mijn publiciteit en mijn betrokkenheid bij drugszaken, hun zaken te schaden
en gooiden mij uit ons samenwerkingsverband van horecaondernemers Coevorden
(bijlage 43).
Dat het stoppen met de discotheek niet is gebeurd,
is hoofdzakelijk vanwege het feit dat in een te korte periode mij teveel
onrecht is aangedaan. Op een gegeven moment was het genoeg.
Alle media heb ik over mij heen gekregen, terwijl
ik nog niet eens veroordeeld ben. Sterker nog, 4 maanden later is over
mijn handelen van voor, tijdens en na de inval nog geen proces-verbaal
op gemaakt.
Dit zou ook nooit gebeurd zijn ware het niet dat
de burgemeester van Coevorden zich versprak in het gesprek met mijn zwager
en broer. In dit gesprek maakte hij melding van het gerechtelijk vooronderzoek
dat tegen mij liep.
Meteen moest in allerijl het proces-verbaal van bevindingen
worden herschreven, want ook de burgemeester van Coevorden kwam tot de
conclusie, dat het eerste proces-verbaal van bevindingen (bijlage 3), gezien
het aantal klachten dat er tegen aangespannen was, geen kans van slagen
had.
In allerijl wordt dan het proces-verbaal (RCID
dossiernummer: PL033A/99-104595) door dhr H.I. Huizenga, brigadier van
politie Drenthe district Zuid geschreven (bijlage 9).
De burgemeester van Coevorden heeft nu het grote
probleem dat er in werkelijkheid geen (gerechtelijk) vooronderzoek
heeft plaatst gevonden om de ware reden van de inval namelijk het vermeend
drugstransport uit Heerlen te kunnen verzwijgen.
De RCID komt met het niet-ontvankelijk verklaard
proces-verbaal (RCID no: 98006528) en ook zij weten dat dit niet voldoende
is voor bewijslast, omdat hierin maar sprake is van één getuigenverklaring
(bijlage 18).
Dhr A. Vries hoofd RCID schrijft in allerijl twee
nieuwe processen-verbaal (RCID no: 99008075 en RCID no: 99008078), waarvan
één een herhaling van weergaven is van het niet-ontvankelijk
verklaard proces-verbaal. De andere gegevens zijn enkele maanden
na de inval, verzameld.
Beide processen-verbaal bevatten daarnaast een groot
aantal vormfouten (bijlage 16 en 17).
De drie recente processen-verbaal worden samen met
het niet-ontvankelijk verklaard proces-verbaal opgestuurd naar de Arrondissementsrechtbank
te Assen (bijlage 14).
Vanwege het feit dat mijn advocaat zo alert op de
verspreking van de burgemeester reageerde is deze procedure in een stroomversnelling
geraakt.
Mr D. ten Boer verklaart als officier van justitie
spoedig met een dagvaarding voor mij te komen.
Tot op heden, een maand na zijn schrijven, is dit
nog niet gebeurd en ik verwacht dat deze dagvaarding lang op zich zal laten
wachten.
De Lokale Driehoek
Bron: Drugsbeleid: justitie en bestuur
Opsporings- en vervolgingsbeleid
Het Openbaar Ministerie (OM) is belast met de
handhaving van de verbodsbepalingen in de Opiumwet. Het OM heeft richtlijnen
opgesteld voor de opsporing en vervolging van overtredingen van de Opiumwet.
Hoogste prioriteit heeft de in- en uitvoer van
harddrugs. Opsporing en vervolging van het bezit van kleine hoeveelheden
soft- en harddrugs voor eigen gebruik heeft de laagste prioriteit. In het
Nederlandse strafrecht is het opportuniteitsbeginsel opgenomen.
Dit geeft het OM de bevoegdheid om in het kader
van het algemeen belang van vervolging van strafbare feiten af te zien.
Op basis van dit beginsel kunnen prioriteiten in de opsporing en vervolging
worden aangebracht. Voorrang wordt gegeven aan de opsporing en vervolging
van de handel in en productie van drugs door criminele organisaties. Indien
er sprake is van georganiseerde criminaliteit kan tevens artikel 140 Wetboek
van Strafrecht worden toegepast. Hierin wordt deelname aan een organisatie
die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft strafbaar gesteld.
Uitvoering
Voor de uitvoering van het drugsbeleid zijn vanuit
opsporingsoptiek belangrijk: de douane, de 25 regionale politiekorpsen
met speciale Criminele Inlichtingendiensten (CID's), het Korps Landelijke
Politiediensten (KLPD) en de divisie Centrale Recherche Informatie (CRI)
die een coördinerende taak heeft in de strijd tegen de drugshandel.
Ieder van de 25 regionale politiekorpsen staat onder leiding van een korpschef.
In de hoedanigheid van korpsbeheerder draagt de burgemeester van de grootste
stad in de regio de verantwoording voor de inzet en beheer van politie
in het kader van openbare orde en veiligheid.
Driehoeksoverleg
Het lokale beleid met betrekking tot o.a. bestrijding
van de drugsoverlast is een zaak van gemeenten, politie en het OM. De burgemeester,
de korpschef van politie en de officier van Justitie komen daartoe bijeen
in het zogenaamde driehoeksoverleg.
De in de lokale driehoek vertegenwoordigde partijen
kunnen, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid, bijdragen
aan een samenhangend en effectief beleid. Elk van de partijen zorgt namelijk
voor een deel van de handhaving: de officier van justitie kan vervolgen,
maar kan een koffieshop/ drugspand niet sluiten, de burgemeester kan wel
sluiten, maar niet strafrechtelijk vervolgen en de politie kan pas effectief
worden ingezet als prioriteiten bij de aanpak gesteld zijn en er duidelijkheid
bestaat over de capaciteit die vereist is voor bestuursrechtelijke handhaving
én strafrechtelijk opsporing.
Ook vindt er in driehoeksverband overleg plaats
over districtelijke en regionale afstemming.
Toevoeging van artikel 13b aan de Opiumwet geeft
de burgemeester de bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen tegen koffieshops,
cafés en andere voor het publiek toegankelijke lokalen en de daarbij
behorende erven, indien hard- of softdrugs worden verkocht, afgeleverd
of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig zijn. Zo kan direct tegen cafes
en koffieshops worden opgetreden. Ook drugspanden waar (voornamelijk) harddrugs
worden verkocht vallen onder de werking van de Damocles regeling, mits
deze panden voor publiek toegankelijk zijn. Drugspanden die in gebruik
zijn als woning vallen buiten het toepassings-bereik van de Damocles regeling.
Tegen overlast uit deze panden kan worden opgetreden op grond van artikel
174a Gemeentewet.
Dan komen wij weer terug bij de aanleiding én
de verantwoordelijken voor de inval in Lord Nelson te Coevorden.
Vanuit Veldhoven krijgt de politie in Coevorden
een tip dat een paardentrailer met drugs en wapens uit de Schaersbergerweg
te Heerlen afkomstig is. De bestuurder van de personenauto blijkt de beheerder
F.J. Beukeveld van de discotheek Lord Nelson te Coevorden te zijn.
Een discotheek waar al 20 maanden lang qua drugsoverlast
niets over gehoord is.
Op 28 mei 1999 om 01.30 uur wordt deze inval gepleegd
en de politie vindt geen drugs en wapens uit Heerlen!
Wat nu?
Heeft dhr Beukveld deze dan toch ergens anders verstopt?
Een bevel voor huiszoekingsbevel kan niet worden
afgegeven omdat dhr Beukeveld daarvoor een verdachte met een ernstige mate
van verdenking moet zijn. En als hij dat is, waar heeft hij die rommel
dan verstopt?
Enkele dagen later wordt door de politie van Veldhoven,
voortijdig de bende, drugs- en wapenhandel in Heerlen opgeruimd en wat
het meest vervelend is voor de politie te Coevorden, alles ligt nog
onaangeroerd in de garagebox aan de Schaersbergerweg te Heerlen!
In Coevorden is inmiddels de hel los gebroken door
actieve informatie verstrekking gepaard gaande met emotionele uitlatingen
van burgemeester van Coevorden richting de pers (bijlage 32). De plaatselijke
APV's zijn niet klaar en worden in een noodvaart klaar gemaakt, evenals
de aanpassingen voor de wet Damocles.
Ondertussen wordt mijn horecagelegenheid voor de
duur van drie maanden gesloten, omdat de APV's nog niet klaar waren (bijlage
1).
Tegen dit besluit van de burgemeester van Coevorden
ga ik in beroep, dat op 6 juli 1999 in de Arrondissementsbank te Assen
heeft gediend.
Tijdens deze zitting wordt met geen woord over de
directe aanleiding van de inval (nl het transport vanuit Heerlen) door
de burgemeester van Coevorden én de officier van justitie mr Venema
gesproken, alleen de gevolgen van de inval komen uitvoerig aan bod.
De officier van justitie mr Venema én de burgemeester
van Coevorden zijn op dat moment op de hoogte van het feit, dat alle informatie
verkregen met behulp van de wet Damocles oneigenlijk is verkregen.
Dhr Huizenga had namelijk in zijn eerste proces-verbaal
van bevindingen duidelijk genoeg verwoord met de woorden: in het
belang van (andere) lopende onderzoeken kan op dit moment niet specifieker
op de informatie inwinning worden ingegaan, dat hiermee voor insiders
het onderzoek uit Heerlen werd bedoeld (bijlage 3).
Ten tijde van het schrijven van dit proces-verbaal
(bijlage 3) kende dhr Huizenga de resultaten uit Heerlen nog niet.
Ten tijde van het kortgeding waren deze resultaten
in justitionele en politionele kringen alom bekend.
Desondanks, of juist vanwege de miskleun, zwijgen
alom en continue veroordeling van de gezochte maar niet gevonden handel
in Lord Nelson als afleiding voor de werkelijke aanleiding.
Verdoezelen van de reden van inval en vertragen van
de rechtsgang vond en vindt vervolgens plaats.
Anders gezegd: conventionele draaien worden aan het
gebeuren gegeven, waarbij positieve evidentie stelselmatig wordt genegeerd.
Oneigenlijk gebruik van de wet Damocles
De vraag of de wet Damocles wel correct is toegepast
is cruciaal in deze procedure.
Door niet het transport vanuit Heerlen op
de weg naar Coevorden te onderscheppen, maar af te wachten totdat deze
middelen verhandeld zouden worden in Lord Nelson, is door passiviteit,
actief meegewerkt aan handel in middelen in de discotheek Lord Nelson te
Coevorden, ware het niet dat er geen middelen te verhandelen vielen.
Dezelfde passieve medeplichtigen aan handel in
verdovende middelen zouden dan een paar uren later de actieve medeplichtigen
betichten van handel in middelen (IRT-praktijken!).
Passiviteit bij een misdaad, die door actief te
handelen nog voorkomen had kunnen worden, is strafbaar!
De politie bezit de bevoegdheid bij handel en/of
transport van middelen actief op te treden.
Waarom hebben zij dan niet gehandeld, maar wel
een dubieuze inval georganiseerd?
Opsporing en Vervolging van transport
van middelen bezit in Nederland hogere prioriteit dan Opsporing en Vervolging
van het bezit van kleine hoeveelheden soft- en harddrugs
voor eigen gebruik.
Waarom heeft men dan niet besloten om het transport
vanuit Heerlen naar Coevorden te onderscheppen?
Een willekeurige discotheek hiervoor uitzoeken met
de kans en groot aantal onschuldigen als verdachten aan te moeten merken
en als verdachten zonder ernstig vermoeden te behandelen, door het omdoen
van handboeien en aan de kleding c.q. aan het lichaaam te fouilleren
ligt meer voor de hand, dan de hoofdverdachten onderweg in hun auto aan
te houden! Het aanhouden mag zomaar niet. De wet Damocles geeft voldoende
ruimte om een voor publiek toegankelijke ruimte te betreden, van daar?
Tegen iedereen, maar in het bijzonder de enige
twee transporteurs vanuit Heerlen, kan zo maar ernstige bezwaren van
overtreding van de Opiumwet worden vermoed. Hadden zij zich maar niet
in de discotheek moeten begeven, zou men denken!
Vanuit een logistiek oogpunt is het ook onlogisch
om de grote voorraad middelen vanuit Heerlen in een voor een publiek
toegankelijke ruimte te op te bergen.
Mocht ik dus drugs vanuit Heerlen vervoerd hebben,
zoals is vermoed door de politie van Veldhoven, dan is het toch absurd
de discotheek als afleverpunt te bestempelen.
Een voor publiek toegankelijke ruimte, bestaande
uit een hal, een klein magazijn, toiletten, caferuimte en de ruimte boven
de discotheek.
De ruimte boven de discotheek?
Dat is het!
Ik snap het, daar moet alles liggen, vandaar
het hangslotje.
Welk hangslotje.
Ik zal toch dhr Buurman even vragen moeten vragen
om een en ander uit gelegd te krijgen, hij weet immers veel te bedenken,
persoonlijk begrijp ik het nu ook, enige uitleg is echter nooit
weg.
Een bankdirecteur en de burgemeester van Coevorden
zagen de kans schoon, in navolging aan de illegale inval, schoonschip met
de discotheek te kunnen maken, waardoor het bestemmingsplan na zoveel jaren
eindelijk ten uitvoer kon worden gebracht. De eerste twee schreven derhalve
brieven om de druk op het perceel Schoolstraat 18 op te voeren.
De burgemeester van Coevorden vond daarbij dat mijn
horecavergunning voor een periode van 5 jaren moest worden ingeleverd,
zodat ik wel met de discotheek moest stoppen.
Allerlei acties van de burgemeester van Coevorden
duiden op deze actieve eliminatie van de discotheek.
Als laatste actie voor het sluiten van deze brief
kan worden gemeld, dat afgelopen zaterdagavond, d.d. 23 oktober 1999,
wederom twee agenten van politie bij mij in de discotheek Lord Nelson kwamen
controleren of ik mij wel aan mijn afspraak hield, te weten het op onwettige
gronden uitsluiten van bezoek van vier bezoekers aan uitsluitend mijn discotheek.
Deze maatregel is mij, onder aanwezigheid van mr L.R.G. Uneken, door de
burgemeester van Coevorden opgedrongen na een voorstel van de officier
van justitie mr H.C.P. Venema om eerst met de burgemeester van Coevorden
te gaan praten, alvorens hij een uitspraak zou (moeten) doen.
Dit gesprek met de burgemeester van Coevorden heb
ik tot op de dag van vandaag betreurd!
Een van de GROTE emotionele problemen heb ik nog
met mevr. J.M. Ho, wonende te Coevorden, die met een gebruikershoeveeldheid
aan middelen in haar bezit in de discotheek aanwezig was, is verkracht,
vervolgens enkele keren door de politie is aangehouden en op middelen is
onderzocht, daarna is beschuldigd van middelen gebruik, handel in coke
in de discotheek en vervolgens afgeschilderd wordt als de dame achter de
bar die coke verstrekt.
Dat door de politie niet alleen de beheerder voor
een zestal jaren wordt afgeschilderd als een zwaar crimineel maar ook onschuldige
bar bezoekers, die zomaar twee gram cocaine toebedeeld krijgen is betreurenswaardig
(bijlage 9). Mevr. Ho loopt op dit moment rond met een gigantische trauma
door de inval opgelopen alsmede met een schuldgevoel, mede veroorzaakster
te zijn van mijn premature sluiting van de discotheek Lord Nelson.
Resume
De burgemeester van Coevorden heeft veel in het werk
gesteld en velen aan het werk gezet om financieel voordeel uit de affaire
Lord Nelson te kunnen behalen.
Het feit dat in een te kort moment mij teveel gebeurd
is, heeft mij aan het denken gezet.
Hieronder volgt een opsomming van de die personen
die een negatieve rol in de affaire Lord Nelson hebben gespeeld.
Mr J.B. Jansema burgemeester van Coevorden, als planner
en animator.
Dhr H.I. Huizenga als opsteller van twee dubieuze
processen-verbaal
Dhr J. Buurman als medeplichtige door het schrijven
van de vele brieven voor de burgemeester van Coevorden met o.a. de conventionele
draai aan het hangslotje, waar ik dankbaar gebruik van gemaakt heb.
Dhr A. Vries als opsteller van de recente processen-verbaal
om de primaire aanleiding tot de inval te verdoezelen. Hij als hoofd RCID
moet beter weten hoe de coordinatie tussen verschillende politie-eenheden
oorzaken en gevolgen hebben.
Dhr E. Theile, als wethouder van Coevorden, die meer
weet dan doet vermoeden en als wethouder een valse aanklacht bij de Arrondissementsrechtbank
heeft ingediend.
Dhr A.J. Kuipers, wijkchef van de politie van de
gemeente Coevorden, die tegen mijn zus heeft beweerd, dat het verhaal over
het transport van Heerlen, de grootste onzin is, die hij de laatste tijd
heeft gehoord.
Enkele officieren van justitie te Assen die mij geen
vertrouwen hebben gegeven in het uitvoeren en uitoefenen van een eerlijke
rechtsgang.
De bankdirecteur van Coevorden waarvan ik waarschijnlijk
de eer en goede naam van de bank heb bezoedeld door onwaarschijnlijk drugsgebruik.
Waarschijnlijk wordt voor mijn procedure het opportuniteitsbeginsel
toegepast of wordt wegens gebrek aan bewijs de affaire Lord Nelson geseponeerd.
Tegen deze rechtsgeldige procedures probeer ik mij
te pareren, door gewag te maken van een scala aan strafbare feiten die
voor, tijdens en na de inval in Lord Nelson hebben plaats gevonden.
Een van de strafbare feiten is verkrachting van een
van mijn bezoeksters door een politiebeambte van het team van dhr Huizenga.
Artikel 44 van het Wetboek voor Strafrecht is voor
dit feit ook van toepassing voor al die gene, die naast de burgemeester
van Coevorden, mede de opdracht hebben gegeven, Lord Nelson als doelwit
voor het vermeend transport uit Heerlen te kiezen.
Na de inval zijn de politie-agenten vanwege hun ambtseed
persoonlijk verantwoordelijk voor hun eigen processen-verbaal
Ten tijde van de inval in Lord Nelson d.d. 28 mei
1999 tot aan 28 oktober 1999 was mr. J.B Jansema burgemeester van de gemeente
Coevorden.
Ten tijde van de inval in Lord Nelson d.d. 28 mei
1999 tot aan 28 oktober1999 was E Thiele wethouder van Ruimtelijke Ontwikkeling
van de gemeente Coevorden.
Hij heeft als wethouder de brief van 24 augustus
1999, die verzonden aan de Griffier van de sector Bestuursrecht van de
Rechtbank te Assen (bijlage 26) mede ondertekend.
Gezien de verwevenheden van een burgemeester in het
kader van drugsbestrijding, handhaving van de openbare orde, de ontwikkeling
van beleids- en bestemmingsplannen en als hoofd van lokale politie moet
ook rekening met artikel 44 Wetboek van Strafrecht worden gehouden.
Bij deze aanklachten dien ik een schadeclaim in bij
mr J.B Jansema burgemeester van Coevorden van 2, 2 miljoen gulden, zegge
en schrijve twee komma twee miljoen gulden voor de materiele schade,
die ik zou lopen, heb gelopen, heb moeten uitgeven en heb geleden door
de illegale inval in mijn discotheek Lord Nelson.
Voor een berekening van de materiele schade wordt
naar tabel 1 verwezen.
Tabel 1. Los van de emotionele, sociale en psychische
schade is de materiele schade over een periode van 5 jaar met levenslange
consequenties als volgt:
5 jaren omzetverlies Lord Nelson f 130 k/j f 650.000
Inboedel- en goodwillverlies f 200.000
Rechtenverlies eerste koop van het perceel# f 300.000
Faillissement en verkoop huidige boerderij* f 800.000
Rechtshulp f 100.000
Omscholing en ingroei in ander beroep f 100.000
Verlies aan pensioensopbouw f 50.000
Totaal f 2.200.000
# Het perceel Schoolstraat 18 ligt in een goedgekeurd
bestemmingsplan, met volop activiteiten in de naaste omgeving. Op korte
termijn moet het perceel voor dit plan beschikbaar worden gesteld.
* Hiermee wordt bedoeld dat de vermogensopbouw via
de boerderij wordt gestagneerd. Door het faillissement blijft een restschuld
over van f 300.000, die het gehele verdere leven op de verzwakte schouders
blijft rusten.
Een vrije ondernemer kan niet terug vallen op sociale
voorzieningen, tenzij eigen vermogen is verbruikt. Omscholing en op zoek
naar ander werk is dus verplicht om te overleven. De vragen blijven: welk
beroep en is daarin wel werk te vinden?
Eisen
In de krant komt een bericht met de mededeling dat
de inval in Lord Nelson op een misverstand berustte en dat alle aanklachten
worden ingetrokken. Excuus is door betrokken aan dhr F.J. Beukeveld beheerder
van Lord Nelson te Coevorden aangeboden.
Alle processen-verbaal worden ingetrokken of worden
gemarkeerd met de mededeling dat zij oneigenlijk zijn verkregen. Tegen
oneigenlijk gebruik staat een boete van f 100.000 per gebeurtenis.
Alle personen krijgen een excuusbrief met genoegdoening
naar rato van de psychische en emotionele schade, naast de mededeling dat
hun proces-verbaal nietig is verklaard.
Hieronder volgt een overzicht van belangrijke wetten
en artikelen die bij mij zijn overtreden:
- Artikel 242 Wetboek van Strafrecht
- Artikel 44 Wetboek van Strafrecht
- Artikel 225 Wetboek van Strafrecht
- Artikel 268 Wetboek van Strafrecht
- Artikel 188 Wetboek van Strafrecht
- Artikel 326 Wetboek van Strafrecht
- Artikel 10 van de grondwet, evenals eerste lid artikel 8 en artikel 17 (resp. EVRM en IVBPR) van het door Nederland geratificeerde Europese Verdrag tot beschermingvan de rechten van de mens, de fundamentele vrijheden, burgerrechten en politieke rechten.
Voor het laatste geldt dat niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn prive leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam. (Opiumwet)
met vriendelijke groeten,
F.J. Beukeveld
Weijerswold 8
7742 PJ Coevorden