Klacht jegens de weigering van officier van Justitie E. Boelen om vervolging in te stellen


EKC homepage . . . . . SDN Homepage . . . . Schandpaal

         H.J.A. Kerkhof

        OPEN BRIEF    





Aangifte bij het Openbaar Ministerie te Leeuwarden


Aan het Arrondissementsparket
Tav. de Milieuofficier van het O.M., dhr. Boelen
Postbus 21035
8900 JA Leeuwarden
fax. 058-2341631

Heerenveen, 20 februari 2003.


Om tijdverlies en strubbelingen, die de vorige aangifte kenmerkten, te voorkomen wordt deze aangifte-brief rechtstreeks gestuurd naar de Milieuofficier, dhr. Boelen. Om toch een correcte aangifte-procedure mogelijk te maken, zal er tevens een afschrift van deze brief worden gestuurd naar de Gemeente Politie Heerenveen, t.a.v. dhr. W.H. de Vries, Haskeruitgang 105, 8447 CK Heerenveen, zodat van deze schriftelijke aangifte een passend proces-verbaal kan worden gemaakt.


    Geachte heer Boelen,

Hierbij doet ondergetekende H.J.A. Kerkhof, mede namens de Stichting Milieu Platform e.o. aangifte van hieronder genoemde misdrijven, zoals die zijn begaan door de gemeente Heerenveen en Rijkswaterstaat (RW) inzake de aanleg van parkeeropvangplaatsen in het natuurgebied van Oranjewoud en het kappen van bomen op het talud van de oude rijksweg N-32 bij Heerenveen. In het belang van normhandhaving en behoud van de integriteit van het openbaar bestuur verzoek ik u, om vervolging in te stellen tegen de Gemeente Heerenveen en Rijkswaterstaat.

Het doel van deze aangifte is tevens, dat de overtreders zullen worden gestraft, in die zin, dat tenminste de door hen aangerichte schade zal worden hersteld en vergoed.


Toelichting

Van verschillende van de hieronder genoemde strafbare feiten heb ik reeds eerder aangifte gedaan. Bij uitspraak van het Gerechtshof in Leeuwarden van 29 november 2002 inzake nrs. 02/00170, 02/00171 en 02/00172 zijn deze strafbare feiten als werkelijk gepleegde feiten erkend. Ze zijn toen evenwel aangemerkt als "overtredingen", die op het moment van de uitspraak reeds zouden zijn verjaard. Mijn klachten zijn daarop als kennelijk niet-ontvankelijk afgewezen, zonder dat ik daarover ben gehoord.

Nader onderzoek naar feiten en omstandigheden en voortschrijdend inzicht heeft nieuwe feiten en omstandigheden aan het licht gebracht. Nieuwe feiten zijn tenminste, dat de in deze aangifte/brief genoemde strafbare feiten niet als "overtredingen", maar als "misdrijven" moeten worden aangemerkt. Immers, de hieronder genoemde strafbare feiten zijn tenminste in strijd met de Boswet Art. 2 en 3, Natuurbeschermingswet Art.12, Vogelwet-1936 Art.8, welke alle staan genoemd in Wet Economische Delicten (WED) Art. 1a onder 2o, terwijl in Art.2 lid 1 de hierin genoemde delicten als misdrijven worden aanmerkt, vooropgesteld dat de delicten opzettelijk zijn begaan. Deze opzettelijkheid wordt door mij aangetoond. De onder punt A.1 en A.6. genoemde strafbare feiten zijn misdrijven, omdat ze ondermeer vallen onder de Artikelen 225 en 226 van het Wetboek van Strafrecht(Sr) en alle in dit wetboek genoemde strafbare feiten misdrijven zijn.

    Misdrijven verjaren pas na zes jaren; Wetboek van Strafrecht(Sr) Art. 70 lid 2.

De hieronder genoemde misdrijven zijn dus nog lang niet verjaard.

In het licht van bovengenoemde nieuwe feiten en omstandigheden doe ik (opnieuw) aangifte, waarbij verschillende strafbare feiten nu, zoals ik heb aangetoond, als misdrijven moeten worden behandeld. Voortschrijdend inzicht heeft er toe geleid, dat ik de verschillende strafbare feiten op een iets andere wijze aangeef en deugdelijker onderbouw. Tevens heb ik nieuwe strafbare feiten toegevoegd. Enkele strafbare feiten uit de vorige aangifte heb ik weggelaten, omdat mij is gebleken dat dit inderdaad overtredingen betreft die nu reeds verjaard zijn.

A.  Mbt. de aanleg van parkeeropvangplaatsen in het natuurgebied aan de Marijke Muoiwei
      en de Bieruma Oostingweg in Oranjewoud vanaf 30 april 2000 betreft het de volgende misdrijven:

A.1.
Het overtreden van de Wet Ruimtelijke Ordening door het aanleggen van parkeeropvangplaatsen aan de Marijke Muoiwei en de Bieruma Oostingweg in Oranjewoud in strijd met het vigerende bestemmingsplan, zonder vergunning en zonder wettig vrijstellingsbesluit-Art.19 WRO. Zie hiervoor de bestemmingsplanbepalingen (Bijlage: 6 van het dossier dat reeds in uw bezit is).

NB.1. Het vrijstellingsbesluit van 12 oktober 1999 is onwettig, omdat daaraan een tekening is gehecht, die substantieel afwijkt van de tekening, zoals die is gehecht aan de Verklaring van geen Bezwaar die GS op 28 september 1999 hebben afgegeven. Het vrijstellingsbesluit treedt daarmee buiten de grenzen van deze Verklaring v.g. Bezwaar en is derhalve in strijd met de WRO Art. 19 genomen. Zie ook de rechterlijke uitspraak inzake de Beslissing op Bezwaar, 3 april '00, nrs. 2000/248 en 2000/249. De onwettigheid c.q. het wettelijk niet-bestaan van dit vrijstellingsbesluit van 12-10-'99 wordt nader aangetoond in punt A.6. lid 1.

NB.2. Nadat de bomen waren gekapt, is de verdere aanleg aan de Bieruma Oostingweg op last van de eigenaresse gestaakt. Als de werkzaamheden worden hervat, zal ik opnieuw een vervolg-aangifte doen van dan te constateren strafbare feiten.

A.2.
Het overtreden van de Natuurbeschermingswet Art.12 door voornoemde parkeeropvangplaatsen aan te leggen in gebieden met de bestemming "natuurgebied". Zie ook (Bijlage: 6).

NB. De bestemmingsplanbepalingen van deze natuurgebieden hebben in Artikel 31 juncto 28 t/m 30 en WRO. Art. 59 (Bijlage: 6) deze handelingen uitdrukkelijk verboden en strafbaar gesteld. Deze bepalingen zijn door de Gemeente zelf opgesteld en moeten dus als "bij haar bekend" worden beschouwd. Daarmee is opzet aangetoond. Het tonen van het onwettige vrijstellingsbesluit van 12 okt.'99 (zie punt A.1 en A.6) maakt dit nog meer exlpiciet.

A.3.
Het overtreden van de Boswet Art. 2 lid 3 nu de kapmeldingen, zoals deze conform de Boswet zijn gedaan bij Staats Bos Beheer(SBB) en Laser-Noord, vals en ongeldig zijn, daar de motivering ervan middels een wettig vrijstellingsbesluit ontbreekt en er evenmin sprake is van uitvoering van een goedgekeurd bestemmingsplan. Voor het aantonen van opzet: zie punt A.2 en A.6.

A.4.
Het overtreden van de Boswet Art. 3 door aan de in de Boswet vastgelegde herplantverplichting binnen drie jaren tot nu toe niet te voldoen. Ook dit is een onmiskenbaar geval van opzet, daar de inhoud en betekenis van dit wetsartikel bij de Gemeente als "bij haar bekend" moet worden beschouwd. Iedere burger en rechtspersoon wordt geacht de Wet te kennen; bij de gemeentelijke juristen is dit per definitie het geval.

A.5.
Het overtreden van de Vogelwet 1936 Art.8 door de voor de aanleg noodzakelijke bomenkap uit te voeren in de periode van het vogelbroedseizoen (15 maart - 15 juli). Bij deze bomenkap, in een beschermd natuurgebied en in het broedseizoen, zijn er zeker vogels verstoord en nesten beschadigd.

NB. De gemeente Heerenveen heeft hiernaar geen onderzoek vooraf uitgevoerd, noch op andere wijze overtuigend aangetoond, dat verstoring en/of vernieling zou zijn uitgesloten. Ook hier is opzet onmiskenbaar. Het staat vast dat deze bepaling in de Vogelwet bij de Gemeente bekend is, omdat de Gemeente, net als een ieder, de Wet moet kennen, maar ook omdat dezelfde bepaling is opgenomen in het Gemeentelijk Kapvergunningenbeleid en tevens uitdrukkelijk staat vermeld in alle kapvergunningen die de Gemeente verleent.

A.6.
Het overtreden van de bepalingen van Wetboek van Strafrecht Art. 225 en 226 juncto Wetboek van Strafvordering Art. 356 = Valsheid in geschrift.

  1. De gemeente heeft opzettelijk valselijk voorgewend, dat gebruik kon worden gemaakt van het vrijstellingsbesluit van 12 okt. '99, terwijl men wist dat dit besluit onwettig was en feitelijk niet meer bestond. De wetenschap van zowel valsheid, onwettigheid, als het feitelijk niet meer bestaan van dit Vrijstellingsbesluit blijkt uit tenminste vier feiten:
    • Nadere bestudering van het besluit met de daaraan gehechte tekening en vergelijking met de Verklaring van geen Bezwaar van 28-9-'99. Zie tevens de uitspraak genoemd in A.1. NB.1.
    • De gemeente is een geheel nieuwe art.19-procedure is begonnen onder het regiem van de nieuwe WRO, om een nieuw wettig vrijstellingsbesluit te verkrijgen.
    • In de Commissie Bezwaarschriften (26 sept.'00) heeft dhr. S. Doelman namens de gemeente verklaard, dat de parkeeropvangplaats(en) inmiddels zonder vrijstelling waren aangelegd.(Bijlage: 7a, b, c).
    • Uit het zelfde verslag(Bijlage: 7a) kan worden opgemaakt, dat de gemeente het vrijstellingsbesluit van 12-10-'99 als niet meer bestaand beschouwt en daarom de intrekking ervan niet meer zou hoeven publiceren.

  2. De gemeente heeft opzettelijk valse kapmeldingen gedaan(zie A.3.), terwijl men wist van de onwettigheid en het feitelijk niet meer bestaan van het vrijstellingsbesluit van 12 okt.'99. (zie punt 1.a,b,c,d hierboven). De kapmelding is dus met een vals document gemotiveerd. Zie Wetboek van Strafvordering Art. 356.

  3. De Gemeente heeft valsheid in geschrift gepleegd, door de Verklaring van geen Bezwaar (1 aug.'00), die met de nieuwe Art.19-procedure, onder het regiem van de nieuwe WRO, was verkregen, niet te gebruiken als onderbouwing van een nieuw vrijstellingsbesluit, maar in plaats daarvan feitelijk te gebruiken, om het onwettige en volgens haar zelf niet meer bestaande vrijstellingsbesluit van 12 okt.'99 met terug werkende kracht, te wettigen.

    Zij heeft valselijk gehandeld door voor te wenden, dat het onwettige besluit van 12 okt.'99 niet meer in overeenstemming hoefde te zijn met de oude Verklaring v.g. Bezwaar (28 sept.'99), maar op die zelfde datum 12 okt.'99 zou kunnen worden gedekt door de nieuwe Verklaring v.g. Bezwaar, die pas een jaartje later op 1 aug.'00 zou worden afgegeven ter dekking van een geheel ander vrijstellingsbesluit, dat de Gemeente voorwendde te gaan nemen. Dit gebruik van deze Verklaring is een chronologische onmogelijkheid, die slechts schijnbaar mogelijk leek doordat de Gemeente overging tot de verboden handeling van het feitelijk anti-dateren van deze nieuwe Verklaring v.g. Bezwaar van 1-8-'00 terug naar 12-10-'99.

U kunt zich van dit schier onnavolgbare gesjoemel op de hoogte stellen door het bestuderen van de inhoud van de brief van 2 okt.'00 inzake de "Beslissing op Bezwaar" van 2 okt.2000, kenmerk: StD-00.3003849 inzake vrijstelling bestemmingsplan Buitengebied voor parkeeropvangplaatsen. Zie (Bijlage: 9 a-f)

Let wel !!

  • Deze Beslissing op Bezwaar, die dateert van 2 okt.'00 is dus niet een Vrijstellingsbesluit; niet van 2 okt.'00 en kan ook chronologisch onmogelijk een Vrijstellingsbesluit van 12 okt.'99 zijn.
  • Deze Beslissing is op 2 okt.'00 genomen en kan dus nooit een legitimatie zijn voor de aanleg van parkeeropvangplaatsen, die (op 30-4-'00) ver voor deze datum is uitgevoerd.
  • Het onwettige en feitelijk niet meer bestaande Vrijstellingsbesluit van 12 okt.'99 is feitelijk niet gewijzigd, zoals in deze Beslissing op Bezwaar wordt gesuggereerd:
    De zgn. nieuwe tekening die er aan zou zijn gehecht, is feitelijk gelijk aan die welke reeds aan het oude Vrijstellingsbesluit was gehecht (en is dus evenzeer in strijd met de oude Verklaring v.g. Bezwaar van 28-9-'99); ook dit zgn. nieuwe Besluit is derhalve in strijd met de Wet R.O. Art.19 lid 1 en dus evenzo onwettig.

    De gemeente wil ons evenwel doen geloven in het sprookje, dat zij op 2 okt.'00 in haar Beslissing op Bezwaar wel zou kunnen vertellen, dat zij het oude Besluit zou hebben kunnen herroepen en vervolgens een nieuw Besluit zou hebben kunnen nemen, of eigenlijk dit oude Besluit toch in stand zou hebben kunnen laten, maar het nu (12-10-'99) zou kunnen laten dekken door de nieuwe Verklaring (1-8-'00) en dat dit alles al zou kunnen zijn geschiedt op 12 okt.'99. Of anders gezegd: Dat het zo zou kunnen zijn, dat het Besluit van 12 okt.'99 op dezelfde datum zou kunnen worden gedekt door een Verklaring v.g. Bezwaar, die pas een jaartje later zou worden afgegeven voor een heel ander (feitelijk niet genomen) Vrijstellingsbesluit in een geheel andere procedure.

  • Het betreft hier een Beslissing op uitsluitend de bezwaren die er waren ingediend tegen het oude Vrijstellingsbesluit(12 okt.'99). Hier wordt dubbel spel gespeeld. Immers, aan de ene kant wil de gemeente de bedenkingen, die er in de nieuwe procedure zijn ingediend, door het niet nemen van een nieuw Vrijstellingsbesluit, buiten beschouwing laten, maar krijgen de indieners van deze bedenkingen wel deze Beslissing op Bezwaren toegestuurd en zouden er zelfs beroep tegen kunnen instellen bij de rechtbank. Het dubbele hiervan is ook, dat geen nieuwe bezwaren konden worden ingediend, omdat er geen nieuw Vrijstellingsbesluit is genomen (zie a. hierboven), maar er door de gemeente kennelijk wel op zulke niet-ingediende bezwaren beslist zou kunnen worden.

    Omdat de gemeente heel goed weet hoe zulke procedures lopen en moeten worden opgevat, hebben we hier te maken met opzettelijke misleiding en feitelijke valsheid in geschrift. De opzet wordt nog explicieter, nu de gemeente heeft volhard in deze onjuiste handelwijze, ook nadat zij meerdere malen mondeling en schriftelijk (o.a. brief 1 juli '00 = Bijlage: 5) op deze onjuistheden is gewezen; in haar antwoord worden de feitelijke onjuistheden nogmaals herhaald.

    Het doel van deze misleiding lijkt te zijn, dat het oude onwettige en feitelijk niet meer bestaande vrijstellingsbesluit van 12-10-'99 (A.6.lid 1 a,b,c,d) op enigerlei wijze toch als een wettig besluit kan worden voorgesteld, om daarmee de feitelijk illegale aanleg van de parkeeropvangplaatsen te kunnen legitimeren en rechtvaardigen. Tegelijk lijkt men op deze wijze de "ongemakkelijke" zienswijzen en bezwaren van de nieuwe bezwaarmakers te kunnen omzeilen en een beoordeling daarvan door de rechter te kunnen ontlopen.

  • Nu de gemeente het doet voorkomen, alsof zij toch een nieuw aangepast Vrijstellingsbesluit heeft genomen, schrijft de Wet voor, dat dit Besluit wordt bekend gemaakt en belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld daartegen ook weer nieuwe bezwaren in te dienen. Een nieuwe Beslissing op oude (reeds gegrond verklaarde bezwaren) is, zowel chronologisch als procedureel uitgesloten. In het onwaarschijnlijke geval dat er wel een nieuw Besluit is genomen, dan moet dit worden gevolgd door een nieuwe Beslissing op nieuwe bezwaren. Hoe dan ook, procedureel kon en kan er op 2 okt.'00 geen sprake zijn van een beslissing op welke bezwaren dan ook.

    Ik bied u mijn verontschuldigingen aan voor dit lange verhaal, maar ik zag geen kans om u op een kortere wijze enigszins wegwijs te maken in het onwaarachtige doolhof, dat de Gemeente Heerenveen ons hier heeft voorgetoverd. Ter verificatie van het hierboven genoemde, alsmede voor een beter inzicht in de materie wijs ik u op de Beslissing op Bezwaar die ons op 4 okt.'00 is toegestuurd. (Bijlage: 9 a, b, c, d, e en f)

B. = Mbt. de illegale bomenkap op het talud van de voormalige N-32 langs Heerenveen
        door Rijkswaterstaat (RW) doe ik aangifte van de volgende misdrijven:


B.1.
Het overtreden van de Boswet Art. 2. door het kappen van een groot aantal bomen op voornoemd wegtracé zonder de daarvoor benodigde vergunning = "Kapmelding" c.q. "Kennisgeving van voorgenomen velling".

NB. De door Rijkswaterstaat (RW) getoonde Kapmelding (7 nov.1996) was ongeldig, omdat:

  • Deze was verlopen. De geldigheidsduur van een kapmelding is één jaar. Nu de Kapmelding is gedaan op 7 november 1996 liep de geldigheid ervan op 6 nov.'97 af. De kap c.q. velling vond plaats rond 5 juni 1998. De Kapmelding was op dat tijdstip verlopen en dus ongeldig. Zie het Bedrijfscontrolerapport van de Algemene Inspectiedienst (AID) nr. 1781/98/0110 van juni '98 van A.J. Kemperman en M. Hamstra. (Bijlage: 13 a-f)

  • De Kapmelding c.q. Kennisgeving van voorgenomen velling was niet gedaan middels het voorgeschreven meldings formulier kennisgeving. Zie voornoemd AID-rapport, Bijlage:13.

  • De Kapmelding/Kennisgeving is aan de verkeerde instantie gedaan. De mandatering is op 01-10-1998 van DLG overgegaan naar de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) in casu het regionale kantoor van LASER. De Kapmelding aan DLG had na deze datum geen rechtskracht meer. Zie eveneens het rapport-AID, (Bijlage: 13).


B.2.
Het overtreden van de Boswet Art. 3. door het geen gevolg geven aan de in de Boswet Art.3 opgelegde verplichting tot herplant op dezelfde plaats binnen drie jaren nadat de bomen zijn gekapt.

  1. Ten tijde van de illegale velling was er geen goedgekeurd bestemmingsplan; er kan dus geen sprake van zijn, dat Art. 2 en 3 geen toepassing zouden vinden wegens uitvoering van een goedgekeurd bestemmingsplan.

  2. Ter bevestiging van deze herbeplantingsverplichting heeft LASER op 16 september 1998 een zogenaamde ILL-melding, nr. ILL 021.98.0002 gezonden aan RW, omdat RW als eigenaar van de gekapte bomen nu eenmaal krachtens Art.3 lid 1van de Boswet verplicht is deze boompercelen te herbeplanten. Het feit, dat de bomen op het moment van kappen feitelijk niet vielen onder de Boswet, maar onder het regiem van het Gemeentelijk Kapvergunningenbeleid (zie punt B.3 lid 2), maakt deze verplichting niet anders. Zie ook AID-rapport. (Bijlage: 13).


B.3.
Het overtreden van de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht Art. 225 en 226 juncto Wetboek van Strafvordering Art. 356 = "Valsheid in geschrift".

  1. Rijkswaterstaat heeft valselijk gebruik gemaakt van de ongeldige Kapmelding van 7 nov. '96, die valselijk was opgesteld. Zie punt B.1.a,b,c en zie rapport-AID, (Bijlage: 13).

    NB. Omdat moet worden aangenomen, dat RW bekend is met de procedures, die verband houden met het vellen van haar eigen bomen op hun eigen grond, is bewezen dat hier sprake moet zijn van opzettelijke misleiding. Daar komt als belastend feit nog bij, dat RW de juistheid van de constateringen van de AID feitelijk is blijven ontkennen, de consequenties ervan niet heeft willen aanvaarden en heeft volhard in haar valsheid.

  2. Het feit, dat de Bebouwdekom-grens van de Boswet al op 4 februari 1997 was verschoven van de oude N32 naar de nieuwe A-32, waardoor de betreffende bomen niet meer onder de Boswet vielen, onder het regime van het gemeentelijk Kapvergunningenbeleid en RW dus feitelijk een Kapvergunning bij de Gemeente Heerenveen had moeten aanvragen ipv. het doen van een kapmelding, maakt bovengenoemde misdrijven niet anders. Immers:

    • Zie de bevindingen van de AID in haar rapport 1781/98/0110 (Bijlage: 13 d): "Alle vellingen zowel binnen als buiten de bebouwde kom van de Boswet worden uitgevoerd t.b.v. de aanleg van Rijksweg 32 en de afbraak van het oude tracé van deze weg, alsmede herinrichting van de vrijkomende ruimte. De werkzaamheden zijn gestart met goedkeuring van gemeentelijke- en provinciale overheden, e.e.a. in afwachting van de definitieve goedkeuring van het bestemmingsplan. Als deze is verkregen, dan treedt de Boswet overeenkomstig Artikel 5, lid 1, terug". "Deze goedkeuring zal naar alle waarschijnlijkheid worden verkregen in 1999".

      NB. De onderhavige bomenkap viel op het moment van kappen (juni '98) dus onder het regime van de Boswet.

    • De feitelijke misleiding, die hier door RW en Gemeente gezamenlijk is toegepast, wordt door deze verschuiving nog vergroot, ook al omdat beide instanties de feiten betreffende de grens van de Boswet steeds hebben ontkend en de rechtsgevolgen daarvan hebben genegeerd en feitelijk hebben volhard in hun misleidende valsheid.

    • Ook de AID stelt in haar rapport, dat RW en de gemeente Heerenveen moeten zorgdragen voor de herbeplantingsverplichtingen in het kader van de APV/Kapverordening en de herinrichting van terreinen gelegen binnen de bebouwde kom van de Boswet.

    • Ter bevestiging van de herbeplantingsverplichting werd op 16 september 1998 door LASER middels het schrijven van een ILL-melding nummer: ILL 021.98.0002 aan RW de verplichting opgelegd, om de gekapte percelen te herplanten conform Art. 3, lid 1 van de Boswet. Zie ook punt B.2.lid 2.

C = Vervolgbaarheid en Immuniteit

Gelet op het door dhr Bunk reeds eerder genoemde probleem, dat overheden, met name de Rijksoverheid, niet zouden kunnen worden vervolgd, omdat de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake uitspraken in de beide Pikmeer-arresten en het Volkel-arrest vervolging in de weg zou staan wegens immuniteit, herhaal ik de argumenten dienaangaande, zoals ik die in Klachtschrift 1. onder C, van 10 juni 2002 aan het Gerechtshof heb verwoord. Tevens wijs ik u op het artikel uit "Overheid en Aansprakelijkheid" mei 2002 nr. 1 = Bijlage: 8. Ter verduidelijking van mijn zienswijze wil ik daaraan nog het volgende toevoegen:

  1. = mbt. niet-specifieke taken van lagere overheden.
    De Hoge Raad overwoog in het Pikmeer II-arrest mbt. lagere overheden: "Dat de immuniteit voor strafvervolging van een openbaar lichaam slechts dan dient te worden aangenomen, als de desbetreffende gedragingen naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van een aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen".

    Meteen na het Pikmeer II-arrest heeft het College van Procureurs-Generaal de zgn. "Aanwijzing voor de opsporing en vervolging van overheden" gepubliceerd (Stcrt.1998.82). Daarin wordt beklemtoond dat het "Gelijkheidsbeginsel" ertoe noopt dat, voor zover strafrechtelijke immuniteit daaraan niet in de weg staat, door (lagere)overheden gepleegde strafbare feiten actief worden opgespoord en vervolgens genuanceerd worden vervolgd.

    De Commissie Roelvink heeft de immuniteit getoetst aan:

    • de eis van Legitimiteit: overheidsoptreden moet in overeenstemming zijn met het recht en geloofwaardig zijn.
    • de eis van Effectiviteit: de maatschappelijke voordelen van vervolging moeten opwegen tegen de maatschappelijke nadelen. De Commissie stelt, dat het niet zozeer gaat om de hoogte van de sanctie, maar om de normbevestigende werking ervan en ziet naast politieke controle nog een nuttige aanvullende rol voor het strafrecht.
      NB. Ook de uitspraken van de Procureurs-Generaal en de Commissie Roelvink is jurisprudentie !!

    De onder A. 1-5 aangegeven misdrijven zijn in ieder geval niet specifieke overheidstaken, omdat het uitvoeren van werken zonder vergunning en het overtreden van wetten en bepalingen strafbare feiten zijn, die door ieder ander kunnen worden begaan. De Gemeente Heerenveen kan op grond van bovenstaande jurisprudentie voor deze misdrijven gewoon strafrechtelijk worden vervolgd en veroordeeld; er is hier geen sprake van immuniteit.

  2. = mbt. wel-specifieke taken van lagere overheden ?
    Het in A.6. aangegeven misdrijf "Valsheid in Geschrift" zou door u mogelijk wel als een specifiek overheids-delict kunnen worden opgevat, omdat het nemen van Besluiten e.d. uitsluitend is voorbehouden aan de Gemeente. In dat geval vraag ik u, of deze opvatting wel houdbaar is, c.q. of het inderdaad een specifieke overheidstaak is, om derden opzettelijk te misleiden en valselijk te informeren ?

    De Commissie Roelvink overweegt in deze, dat voor toepassing van het strafrecht de rechtspersoon (de Staat, of Gemeente) zou moeten worden opgesplitst in organische eenheden (afdeling of dienst) die zelfstandig aan het maatschappelijk verkeer deelnemen en als zodanig vervolgbaar zouden moeten zijn. Deze zelfstandige eenheden dienen vervolgens niet voor alle strafbare feiten, maar slechts voor overtredingen van ordeningswetgeving vervolgbaar te zijn. Het betreft in deze aangifte echter niet overtredingen, maar misdrijven. De Commissie stelt in geval van misdrijven, dat dan de individuele aansprakelijkheid voorop moet staan. (Bijlage: 8d)

    De Commissie bepleit voorts een uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van individuele overheidsfunctionarissen: feitelijk leiding- en opdrachtgevers, zouden, in tegenstelling tot de in de jurisprudentie ontwikkelde leer (Pikmeer 1), vervolgbaar moeten worden gemaakt, óók wanneer de publieksrechtelijke rechtspersoon om een of andere reden immuun zou zijn. Daarbij wijst de Commissie tevens op een opzienbarende ontwikkeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheden: "Het heilige huisje van de strafrechtelijke immuniteit lijkt, mede naar aanleiding van een aantal tragische gebeurtenissen (Volendam en Enschede), in te storten".

    De komende jaren zal de aandacht gericht zijn op deze uitdijende aansprakelijkheden van de overheid. Gelet hierop en gelet op de eisen tot Legitimiteit en Effectiviteit, zou wellicht overwogen kunnen worden, om dit specifieke misdrijf van valsheid in geschrift, de "Ambtsmisdrijven" (Sr. 355 en 361) ook van toepassing te laten zijn op individuele overheidsfunctionarissen van lagere overheden. Met name 361 lijkt daarvoor mogelijkheden te bieden.

  3. = mbt. niet-specifieke taken van de Staat c.q. Rijkswaterstaat.
    Het (illegaal) kappen van bomen en het herbeplanten van gekapte perscelen zijn niet specifieke Staats taken, maar kunnen door ieder ander worden uitgevoerd. Gelet op bovenstaande jurisprudentie is RW, als zelfstandige dienst, derhalve niet immuun voor strafvervolging.

    Gelet op hetgeen de Commissie Roelvink heeft gesteld, zou Rijkswaterstaat (RW) moeten worden opgevat als een organisatorische eenheid die zelfstandig deelneemt aan het maatschappelijk verkeer. Zo zou ook de dienst, die belast is met de taak om wegen aan te leggen, e.d. als een zelfstandige eenheid kunnen worden opgevat. RW c.q. de dienst-wegenaanleg zou vervolgens voor de gepleegde misdrijven moeten worden vervolgd.

    In geval de zelfstandige dienst niet verantwoordelijk zou kunnen worden gesteld voor de gepleegde misdrijven, omdat deze misdrijven uitsluitend te wijten zou zijn aan individuele overheidsfunctionarissen en daarom misschien niet als rechtspersoon vervolgd zou kunnen worden, zouden wellicht deze individuele overheidsfunctionarissen aansprakelijk kunnen worden gesteld. Hier lijkt het Wetboek van Strafrecht "Ambtsmisdrijven" Art. 355 e.v. met name 361 mogelijkheden te bieden.


D = Motivatie

Er is een duidelijke trend te onderkennen, dat besturen en bestuurders steeds meer hun eigen weg gaan en zich daarbij afkeren ván of zich zelfs keren tégen de burgers die zij heten te vertegenwoordigen. Zij blijken in toenemende mate hun machtspositie te misbruiken, om persoonlijke ambities te bevredigen en hun eigen- en/of groepsbelangen veilig te stellen, zelfs tegen algemene belangen in.

In hun poging om dit gedrag tegenover hun burgers te rechtvaardigen, blijken besturen en bestuurders bij herhaling de argeloze burgers onjuist te informeren, opzettelijk te misleiden en zonodig te intimideren. De feiten in deze aangifte, die waarschijnlijk slechts een tipje van een ijsberg zijn, maken duidelijk, dat men er zelfs niet voor terug deinst, om Wet- en Regelgeving aan de laars te lappen en strafbare feiten te begaan, tot het plegen van Valsheid in geschrift toe. De geloofwaardigheid en integriteit van het openbaarbestuur en bestuurders staat hiermee zeer nadrukkelijk op de tocht.

Met deze aangifte wil ik pogen deze gevaarlijke trend openbaar te maken en tevens te doen stoppen. Tegelijk hiermee wil ik bereiken dat de schade die met het begaan van deze misdrijven is aangericht, zal worden hersteld en gedupeerden schadeloos zullen worden gesteld.

Ik wil u daarom verzoeken, om de negatieve afwerende houding, die de beoordeling van mijn vorige aangifte kenmerkte, te laten varen en deze toch zeer deugdelijk onderbouwde aangifte positief te benaderen en in het licht van hierboven genoemde wetgeving en jurisprudentie te bezien.

Als rechtzoekende burger van onze rechtstaat meen ik te mogen verwachten, dat u deze aangifte, waarmee toch onmiskenbaar grote algemene belangen als geloofwaardigheid en integriteit van het openbaar bestuur gediend zijn, zult behandelen met de oprechte intentie, om recht te doen en alles in het werk te stellen, om tot vervolging van de Gemeente Heerenveen en Rijkswaterstaat over te gaan.

Tenslotte:

Ik wil u graag helpen in het uitvoeren van deze taak. Ik vraag u daartoe, om in een persoonlijk gesprek deze aangifte nader te mogen toelichten en zonodig met nog meer bewijs(stukken) te mogen staven.

Bijvoorbaat dank ik u voor de door u te nemen moeite. Mag ik ten spoedigste van u horen?

Hoogachtend, mede namens Milieu Platform Heerenveen e.o.


H.J.A. Kerkhof
Sjollemastraat 6
8442 JS Heerenveen
tel. 0513-624907
fax. 0513-645700
E-mail: hjakerkhof@zonnet.nl



Disclaimer  Free counter and web stats