Verklaring van Robert Hörchner in de RAI over zijn uitlevering naar Polen
Ondersteuningsactie tegen onterechte uitlevering naar Polen van Robert Hörchner

Justitie zet grimmige klucht voort
Links ziet u Robert Hörchner van 2 juni 2009 en rechts de foto
van na zijn vrijlating uit de Poolse gevangenis, waar hij ziek en vermagerd vandaan kwam onder de schurft. De situatie is
baarbaars en middeleeuws. Wanneer bij overlevering volgens het Europese Verdrag van een verdachte ook een ambtenaar van Justitie of een politicus mee zouden moeten gaan en in dezelfde omstandigheden verblijven als de onschuldige verdachte Nederlandse burger, dan zal een voorarrest waarschijnlijk niet langer duren dan een week i.p.v. 10 maanden. Zie zijn toelichting op video
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Geacht Kamerlid,
Naar aanleiding van de discussie die is ontstaan na de uitzending van Zembla d.d. 31 januari 2010 wil ik het navolgende onder uw aandacht brengen.
De casus waar wij naar verwijzen staat op de lijst van 90, pagina 24 en 25, van Zembla, “Officieren van justitie in de fout”.
Op 1 februari 1999 zijn wij, Annelies Pijnenborg en Robert Hörchner, na onze aanhouding en inverzekeringstelling tijdens het eerste verhoor geconfronteerd met een passage uit een door politie uitgewerkte tapverslag van een telefoongesprek.
Het bewuste telefoongesprek van d.d. 12 november 1999, 19:40 uur was de grond van onze aanhouding. De “inhoud” van dit telefoongesprek was ons niet bekend, immers wij waren geen deelnemers aan dit gesprek. Volgens de recherche was een passage uit dit telefoongesprek, wat was uitgeluisterd en uitgewerkt door rechercheur M. Jager, belastend voor ons.
Annelies Pijnenborg heeft twee dagen in verzekerde bewaring doorgebracht en Robert Hörchner zes dagen. Na ontvangst van het strafdossier met de code ZD-01 bleek het ons voorgehouden tapverslag d.d. 12 november 1999 in een geheel andere uitwerking aan het strafdossier te zijn toegevoegd.
De context van de belastende passage uit het proces-verbaal was in zijn geheel veranderd en in de plaats daarvan een totaal andere passage ingevuld met toevoeging van liefst 26 woorden. In justitiële termen heet iets dergelijks, “knippen en plakken” en uit deze veranderde versie van het proces-verbaal bleek volgens justitie dat onze schuld aan een ernstig misdrijf hier onomstotelijk mee vast stond.
Op het bevel van aanhouding staat op dit ernstige misdrijf een eis van 10 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Annelies Pijnenborg en Robert Hörchner zijn na jarenlange strafrechtelijke vervolgingen tot met hoger beroep telkens vrijgesproken, maar hebben daardoor alles verloren.
Op 12 december 2001 hebben wij aangifte gedaan op het politiebureau Brabant-Noord van onze bevinding met betrekking tot de twee verschillende versies van één tapgesprek. Vanaf de dag van deze aangifte, was het openbaar ministerie hiervan op de hoogte. Echter tot op de dag van vandaag blijft het openbaar ministerie de vervalsing van het bewuste proces-verbaal hardnekkig ontkennen.
Justitie weigerde zelfs de geluidsopname met betrekking tot de gewraakte tapverslagen te verstrekken, opdat het nooit duidelijk kon worden welke van de twee uitwerkingen de juiste was. We zijn toen een gerechtelijk procedure opgestart om de bewuste geluidsopname op te eisen bij justitie.
Daarop besloot de voorzitter van het College van procureurs-generaal Harm Brouwer aan een senior bestuurlijk medewerker van zijn Parket een machtiging te geven om de inhoud van de geluidsopname GEHEIM te houden. (dit document is in ons bezit)
Dit argument werd gebruikt om de privacy af te schermen van de beide deelnemers aan het tapgesprek d.d. 12 november 1999. Daarop hebben deze twee personen met succes de geluidsopname opgeëist, die op 22 mei 2007 ook in ons bezit is gekomen.
Onze raadsman mr. Cees Korvinus heeft The Maastricht Forensic Institute gevraagd de geluidsopname met betrekking tot de gewraakte passages uit te luisteren en verslag te doen in een Stuk Van Overtuiging ook wel genoemd, een deskundige rapport. Het onderzoek is uitgevoerd door Dr. Schreuder en Prof. Dr. Broeders en afgerond op 31 juli 2009.
De samenvattende eindconclusie, zie pagina 6 van 8 in de meegestuurde bijlage: “Het uitgevoerde onderzoek naar de precisie inhoud van de betwiste passage geeft geen steun aan de transcripties van M. Jager en A. van Roy”.
Onder de leiding van officier van justitie T. de Jong hebben rechercheur M. Jager en rechercheur A. van Roy gezamenlijk en opzettelijk niet één maar twee uitwerkingen van een tapverslag uit het strafdossier vervalst en daarmee de rechter-commissaris en in navolging daarvan de rechters bewust misleid.
Op 2 november 2009 is van bovenstaande ambtsmisdrijven aangifte gedaan bij Bureau Interne Zaken van politie regio Brabant-Noord. Deze aangifte is gericht tegen T. de Jong, officier van justitie te ‘s-Hertogenbosch, M. Jager, rechercheur politie regio Brabant-Noord, A. van Roy, rechercheur politie regio Brabant-Noord, destijds hoofd van de tapkamer. Bovenstaande aangifte is doorgeleid naar officier van justitie W. Koolen van het openbaar ministerie te Breda.
Uitgerekend hetzelfde Parket te Breda dat twee weken geleden in opspraak is geraakt door een vervalste verklaring, met als gevolg dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is verklaard, waardoor 8 verdachten onmiddellijk op vrije voeten zijn gesteld. Het openbaar ministerie heeft de Rijksrecherche opdracht gegeven deze zaak te onderzoeken. Uiterlijk eind februari 2010 geeft officier van justitie W. Koolen bericht aan onze advocaat over zijn beslissing met betrekking tot bovengenoemde aangifte.
Wij richten ons tot uw commissie met het verzoek om een onafhankelijk onderzoek in te stellen, in plaats van intern onderzoek daar justitie tot op heden volhard in leugens. Tevens verzoeken wij u de minister van justitie kritische vragen te stellen met betrekking tot deze ernstige ambtsmisdrijven en waarom er in deze zaak tot nu toe geen Rijksrecherche is ingeschakeld.
De gemeenschap heeft een wezenlijk belang bij eerlijke en volledige verbalisering van de politie en goede invulling van diens verantwoordelijkheid van opsporing door het openbaar ministerie en juiste informering van de rechter. De bovenstaande feiten en omstandigheden maken dat het openbaar ministerie met grove veronachtzaming in deze strafzaak heeft gehandeld.
Met hoogachting,
A.E.C. Pijnenborg en R. Hörchner
Voor meer inhoudelijke informatie zie:
http://www.roberthorchner.nl/faq.htm en

Postbus 20018
2500 EA Den Haag
het videoverslag van de rechtszaak op 6 september 2007: xtc-kortgeding-uitlevering.wmv

Stichting Sociale Databank Nederland
E-mailadres: sdn@planet.nl
Internet site:
xtc-tweede-kamer.htm