Bedrieglijke Bankbreuk
EuroStaete . . . Kamerzetel 151 . . . Klokkenluiders <====> SDN . . . Euroramp . . . Geld

Prof. Knoester in de Telegraaf: De vertraging in het betalingsverkeer



de Telegraaf van 9 augustus 1996, pagina 23



Grote welvaartsverliezen door te weinig marktwerking

Door: Prof. Dr. A. Knoester

's-Gravenhage

Wat zoudt u doen als de groenteboer, bij wie u een kropje sla met een biljet van honderd gulden wilt afrekenen, zou voorstellen dat u uw wisselgeld pas over drie tot vijf dagen kunt komen ophalen? Vermoedelijk maakt u rechtsomkeert om naar een andere groenteboer te gaan. Maar wat als mocht blijken dat alle Nederlandse groenteboeren met elkaar hebben afgesproken om pas na een kleine week uw wisselgeld te geven? Dan zoudt u vermoedelijk, na een paar dagen op junkfood geleefd te hebben, toch maar tandenknarsend een vers kropje sla bij de groenteboer gaan halen.

In werkelijkheid vinden deze praktijken niet bij de groenteboeren maar bij de Nederlandse banken plaats. Het zal u vast wel eens opgevallen zijn dat als u wat geld overmaakt van de ene naar de andere bank- of girorekening die op uw naam staat, het desbetreffende bedrag een aantal dagen eerder wordt afgeschreven dan bijgeschreven. Met andere woorden: Uw geld is zo maar een paar dagen 'zoek'. In de meeste gevallen merken wij er echter niets van. Als wij onze rekeningen betalen nemen wij ten onrechte aan dat de dag waarop bij ons geld wordt afgeschreven (de zogenaamde 'valutadatum') dezelfde datum is waarop het bij anderen wordt bijgeschreven.

U begrijpt dat als de banken dit bij iedereen doen, zij gemiddeld in een jaar over een flinke pot met geld beschikken waarop rente gevangen kan worden. Naar verluidt zouden banken deze stiekeme greep in uw portemonnee nodig vinden om mede daaruit de kosten van het betalingsverkeer te kunnen dekken. Maar dit is toch wel een heel vreemde manier van opereren.

Bij de groenteboer ziet u de kosten die door hem gemaakt worden heel gewoon terug in de prijs van een kropje sla. Maar bij de banken, waar zoveel knappe koppen werken zou dat ineens niet kunnen. Rara, hoe zit dit, zult u zich afvragen. Ook bij minister Zalm van Financiën is intussen een lichtje opgegaan. Nadat hij aanvankelijk zeer lauw gereageerd had op klachten over de bovenstaande valuteringspraktijken van het Nederlandse bankwezen, kwam daar recentelijk gelukkig verandering in. Intussen wil ook hij een nader onderzoek instellen. Het ligt voor de hand dat hieruit straks maar één conclusie getrokken kan worden. En die is dat deze praktijken zo snel mogelijk moeten worden afgeschaft. Zie ook Oude Koeien in Kleintje Muurkrant

Het gescharrel van het Nederlandse bankwezen met de valutadata is maar een voorbeeld hoe een goede marktwerking gefrustreerd kan worden. Velen van ons denken wellicht dat in ons land een regime van volledige concurrentie geldt. Niets is minder waar. Tot voor kort stond ons land bekend als een kartelparadijs, dat wil zeggen een land waarin bedrijven via onderlinge afspraken en marktverdedigingsregelingen de prijzen voor de consumenten kunstmatig hoger houden dan het geval zou zijn geweest bij volledige vrije concurrentie. Volgens de economische theorie zijn de maatschappelijke kosten van onvoldoende concurrentie enorm. Als gevolg hiervan treden nodeloze welvaartsverliezen op die zowel voor de consument maar uiteindelijk ook voor het bedrijfsleven bijzonder nadelig zijn.

Recentelijk zijn door topambtenaar dr. N. van Hulst van het ministerie van Economische Zaken de baten van een betere marktwerking in ons land nog eens op een rijtje gezet. Hij beperkte zich hierbij vooralsnog tot een aantal in het oog springende zaken, zoals de te hoge tarieven bij veel vrije beroepen (makelaars, notarissen, apothekers, advocaten en deurwaarders), de gebrekkige marktwerking in de energiesector en de kosten van de rente-kartelvorming door het bankwezen in de kredietverlening aan het midden- en kleinbedrijf. Zelfs deze nog beperkte opsomming van een verbetering van de marktwerking op bepaalde gebieden levert volgens van Hulst al een jaarlijks maatschappelijk voordeel op van tussen de 4,5 en 5,5 miljard gulden.

Zelfs als we de getallen van Van Hulst door twee of zelfs door drie zouden delen, dan nog zijn voor ons land de voordelen van een betere marktwerking enorm. Het is dan ook niet voor niets dat minister Wijers van Economisch Zaken het streven naar meer marktwerking tot een van de speerpunten van zijn beleid heeft gemaakt, door onder meer te streven naar de invoering van een nieuwe mededingingswet in 1997, het beperken van wet- en regelgeving bij overmatige concurrentiebeperkingen en door het toelaten van marktwerking in voorheen (semi-) publieke sectoren (telecommunicatie, Nederlandse Spoorwegen, liberalisering van de Mediawet, etc.).

Het zal duidelijk zijn dat dit beleid bijzonder veel perspectieven biedt. De Maatschappelijk baten hiervan lopen, ook bij conservatieve ramingen, immers in de miljarden guldens. Het is dan ook te hopen dat de minister van Economische Zaken voor zijn beleid gericht op meer marktwerking de steun zal krijgen die hij verdient; zowel vanuit de politiek als vanuit maatschappelijke organisaties. En dat er voor hem nog heel veel werk aan de winkel is werd deze week nog eens treffend geïllustreerd door het gedoe rond de verkoopprijzen van cd's. In ons land heeft de branche-organisatie van producenten van cd's, de NVPI, winkeliers eenvoudigweg verboden om goedkoop uit de VS en Canada geïmporteerde cd's onder de door hen vastgestelde verkoopprijzen te verkopen. Dit bewijst eens te meer dat er aan de marktwerking in ons land nog heel wat schort.

Dr. A. Knoester


    Commentaar

Op aanraden van Nobelprijswinnaar economie prof. dr. Jan Tinbergen, die mij in een korte brief liet weten 'niets van geld af te weten', nam ik ongeveer tien jaar terug contact op met professor dr. A. Knoester om het hierboven geschetste probleem door te spreken. Het is verheugend om een monetair onderwerp, dat door de hoofdredactie van de Telegraaf stelselmatig buiten de openbare discussie is gehouden, door een prominent columnist in diezelfde Telegraaf zeer uitgebreid besproken te zien. Voorwaar, een journalistieke en democratische doorbraak. Het heeft ongeveer vijftien jaar intellectuele incubatietijd gevergd om het bovenstaande in een groot landelijk dagblad aangekaart te krijgen. De Telegraaf was natuurlijk niet de enige krant die zorgvuldig om het hete hangijzer van de geldpolitiek heenliep. Ook de omroepen ontweken elke vorm van discussie. Politici en academici durfden evenmin hun vingers te branden aan dit wel zeer netelig onderwerp.

Wat prof. Knoester hier onverbloemd schrijft, is niets minder dan dat de Nederlandse banken - die verenigd zijn in het kartel van de 'Nederlandse Vereniging van Banken' - stelselmatig en structureel de burgerij beroven - in de betekenis van ontvreemding, ofwel stelen - van rond de 4,5 tot 5,5 miljard gulden per jaar aan rente over de tegoeden van de rekeninghouders. Dat Gerrit Zalm inmiddels een lichtje ziet branden verbaast mij niets. Met Internet in de buurt kun je niet blijven ontkennen van de hoed en de rand te weten; zoals ik met een zeer uitgebreide briefwisseling met o.a. Gerrit Zalm persoonlijk kan aantonen.

Knoester pleit er voor om zo snel mogelijk aan de struikroverspraktijken van de in driedelig grijs verpakte geldtransporteurs een einde te maken. Natuurlijk ben ik, als de allereerste voorvechter in Nederland, voor de afschaffing van deze hoogst brutale vorm van diefstal. Het sjoemelen van de banken werd door de politiek gewoon gedoogd, als ware het boven elke kritiek verheven fatsoenlijk gedrag. Ik stel dan ook, net zo onomwonden als prof. dr. A. Knoester, dat onze bankiers doodgewone dieven zijn, die volgens het wetboek van strafrecht stante pede achter de tralies zouden moeten verdwijnen.

Nu zult u misschien zeggen: 'Dat je dat zomaar in het openbaar durft te zeggen, ben je niet benauwd dat ze je voor de rechter zullen slepen wegens smaad of zoiets'. Ik zeg dan steevast: was het maar waar....!!!! Ze kijken wel uit; want roeren in een beerput moet je nalaten wanneer je een gevoelige neus hebt. Datzelfde verwijt geldt in onverminderde mate alle politieke partijen - op één na - die allemaal en jarenlang van deze zwendel op de hoogte zijn gebracht. Het bewijs daarvoor komt uit China alwaar een cd-rom is geproduceerd met honderden briefwisselingen over en weer met de Nederlandse politiek, met De Nederlandsche Bank NV, met de vakbonden, met de kerken en zelfs met tientallen Nederlandse gemeenten. Die correspondentie beslaat een periode vanaf 1982 tot en met vandaag.

Na dit kleine stukje geschiedenis wil ik de aanbeveling van prof. Knoester toch relativeren, omdat hij er zonder meer vanuit gaat dat afschaffing van de rentediefstal een waardevolle bijdrage zal leveren aan de ontwikkeling van onze economie. Knoester slaat de plank echter mis door te stellen, dat de concurrentieverbetering zal leiden tot gezondere verhoudingen in de economie en verhoging van de welvaart. Ook hij lijdt aan het schoenvetersyndroom waar de meeste economen mee behept zijn. Hij vergeet namelijk dat de kosten toch ergens vandaan moeten komen, en ook de winst. Zoals hij zou moeten weten, tapt het bankenkartel als een bloedzuiger de rente af van de geldstroom die door hun met marmer versierde kantoren stroomt. Die 'stroom' moet u zeer letterlijk nemen, want het betekent, dat met de huidige wijze van kostendekking vooral het bedrijfsleven en de rijken de kosten dragen voor het betalingsverkeer. De aderlatingsrente heeft hier zelfs een sociaal aspect.

De minima profiteren er nu nog van, omdat er nauwelijks enige geldstroom door hun betaalrekeningen vloeit, en zij anders dan door politiek Den Haag nauwelijks of niet geplukt worden door de bankiers. Een toevallige en onbedoeld sociale bijkomstigheid. Gaan we echter de ontvreemding van de rente door het bankenkartel aan banden leggen, bij wet bijvoorbeeld, door de overboekingstijd strak te regelen, dan betekent dat dat straks alle rekeninghouders - en dus ook de minima - een fikse rekening moeten gaan betalen die de derving van die 5,5 miljard gulden moet goedmaken. Althans wanneer men in beleggerskringen de waarde van de aandelen niet sprongsgewijs wil laten dalen. Kortom, het is niet zo eenvoudig om onrecht uit de wereld te helpen zonder nieuw onrecht op te roepen. Want welke politicus zal op voorhand vragen om reparatie van het koopkrachtverlies dat de minima zullen lijden bij de 'tarifering' van het betalingsverkeer, waarvoor Dr. W.F. Duisenberg zo sterk pleit ..?? Ik weet er één die het zal doen. Nieuwsgierig ..??

Hoe pseudo-geld Europa verstikt

AANTEKENEN

Huizen, 12 april 1985.

Ministerie van Economische Zaken
Postbus 20101
2500 EC Den Haag

Mijne heren,

Op verzoek van de heer H. Bos van het ministerie, zend ik u hier bij een kopie van het concept van het VOC-project.

In de analyse van het GELD, worden slecht twee van de zeven grote structuurveranderingen schematisch behandeld. De "strekking" van het verhaal is hier relevant en niet de cijfers. Het geldscheppingsbeleid van de Nederlandsche Bank N.V., dient in tegenstelling tot het huidige traditionele beleid, voor een zeer nauwkeurig te bepalen deel, nu aan de aanbodzijde van de economie plaats te vinden.

Zonder aanpassing van het beleid aan de economische werkelijkheid en de functiebepaling van het geld, met de plaatsbepaling die bij een functie behoort en omgekeerd, zal het economisch herstel niet mogelijk kunnen zijn. Het bezuinigen op een cirkel leidt slechts tot een "krimpende economie", zonder werkelijke verbetering in de infrastructuur daarvan. Nederland is op dit moment 'n koploper om te evolueren(?) tot een Taiwanese economie. 'n Lage-lonen-land (met armoede) dat jaagt op de koopkracht in het buitenland (export).

Koopkracht is een produkt net als enig ander produkt. Men kan het zelf maken [b.v. per CAO], indien de fysieke produktiecapaciteit aanwezig is (bezettingsgraad). Men kan koopkracht importeren met 'n goede of minder goede ruilvoet tegen produkten en diensten van eigen bodem. Men kan koopkracht ook genereren uit het natuurlijke vermogen [b.v. aardgas] waarvoor dan vrijwel geen arbeid geleverd behoeft te worden. Men kan het genereren uit kapitaal: a) actief, door te investeren in het bedrijfsleven (produktie) en b) passief, met investeren in kapitaalgoederen (onroerend goed), danwel in "papieren" vermogen; b.v. in spaartegoeden (bank) of in waardepapieren (obligaties).

De "integrale koopkracht" als resultante van het produktieproces, wordt los van de individuele koopkracht, uitsluitend bepaald door het totaal geactiveerde produktievermogen en het natuurlijke vermogen in de civiele marktsector. Het verdelen van deze koopkracht wordt slechts ten dele bepaald door de politiek in Den Haag en de sociale partners, omdat in ons stelsel steevast het verwerven van koopkracht preferent al wordt afgeroomd door de eigenaren van het niet-produktieve kapitaal. (bijv. huur, rente, aardgas) Het resterende deel van de integrale koopkracht, komt daarna voor verdeling ter beschikking van de factoren arbeid, uitkeringen, en winst.

Hoewel de integrale koopkracht slechts uit de 2 factoren: arbeid (produktie) en de export van het natuurlijk vermogen (liquidatie) voortvloeit, is het geen enkel bezwaar en zelfs noodzakelijk, die koopkrachtverdeling ook zonder arbeid tot stand te brengen.

De erg natuurlijke, pluriforme en individuele levenscyclus van de mens, vereist zowel in het kleine, als in het grotere verband een dergelijk mogelijkheid. Het eenzijdige afstemmen van de koopkracht van de factoren arbeid en uitkering, leveren nauwelijks een bijdrage tot sanering van de staatsfinanciën, omdat men vrijwel hetzelfde bedrag "bespaart" op de inkomsten als op de uitgaven van het rijk. Het tekort op de begroting wordt er niet of nauwelijks, en alleen slechts tijdelijk wat kleiner door. Het enige effect dat optreedt is dat de export aantrekt zonder dat de integrale koopkracht toeneemt. We werken gewoon wat harder voor het buitenland.

De in de bijlage voorgestelde oplossingen kunnen, wanneer het VOC zo gedragen wordt door maatschappelijk gevestigde instellingen en personen, dan bijdragen aan de integrale structuurverbetering van onze economie. De ondernemingen, waarin het grootste deel van de integrale koopkracht toch ontstaat uit arbeid en machines, kunnen slechts dan voldoende groei effectueren wanneer ze over voldoende "ECONOMISCHE CAPACITEIT" (= vermogen + liquiditeit en niet per definitie geld) kunnen beschikken. Slechts dàn zijn ze in staat om voldoende werk te bieden aan een ieder die wil en kan werken. Zij kunnen dàn de bedrijfsopleidingen bekostigen voor specialisatie en ook weer investeren in research en innovatie.

Tegelijkertijd genereren ze dan weer rendement voor de beleggers, koopkracht door loonvorming, integrale koopkracht door inkomensoverdracht en staatsinkomsten door belastingen om de tekorten dan terug te dringen. De totale werkgelegenheid in de marktsector (waar het overgrote deel van de integrale koopkracht gegenereerd wordt) wordt nadrukkelijk bepaald door de economische capaciteit van die marktsector, het vermogen om werkgelegenheid te creëren en de liquiditeit om die laatste te onderhouden.

Teveel eigen vermogen van de ondernemingen (ca. 80 miljard gulden) is nu niet meer ter beschikking voor de werkgelegenheid, de produktie, de koopkrachtgeneratie en de belastinggeneratie. Deze 80 miljard eigen produktievermogen van de marktsector is nu economisch dood geïnvesteerd (na belasting) in de "TRANSPORTFUNCTIE VAN 'T GELD". (dit is, per definitie, een nog niet onderkende overheidstaak !).

De monetaire politiek van het ministerie van Financiën en ook van de Nederlandsche Bank NV is (direct en indirect) gebaseerd op een verhouding tussen de "PRODUKTIE VAN DE BEDRIJVEN" en de "PRIMAIRE GELDMASSA M1" met 'n directe koppeling met het nationale inkomen. Men houdt daarbij geen rekening met de "transportfunctie" van het geld om het geld zelf te transporteren door onze economie. (bijv. inkomensoverdracht, belastingen en giraal verkeer). Hierbij wordt bedoeld dat tijdens het transporteren van geld, het geld ophoudt te bestaan als zodanig, en tijdelijk nog uitsluitend kapitaal (M2) vormt om ná 'n tijdsspanne, bij aankomst op de plaats van bestemming, weer te transformeren van kapitaal (M2) naar geld (M1).

Het permanent circulerende deel van het geld in 't girale verkeer - ruim 16 miljard in 1984 - wordt ten onrechte tot het gebied van M1 gerekend. Het invoeren van het NATIONAAL BETALINGEN CIRCUIT of het NBC bij de banken, zou prioriteit nummer 1 moeten zijn in het regeringsbeleid, waardoor zeker 10 miljard van de 16 miljard weer terug kunnen stromen naar het M1-gebied.

Alleen in het M1-gebied - waar geld gewoon geld is - vinden alle economische activiteiten plaats en kunnen deze 10 miljard guldens weer de werkgelegenheid van ca. 250.000 arbeidsplaatsen onderhouden. De produktie en de koopkracht kunnen dan met 8 % groeien, hetgeen aan besparingen en opbrengsten ca. 22 miljard voor onze schatkist op zal leveren, exclusief de noodzakelijke geldschepping om zo 'n nominale DEFLATIE te voorkomen.

Een ander direct gevolg hiervan is een directe verlichting van de rentelasten van integraal 1,7 miljard per jaar voor de bedrijven, welke dus automatisch ontstaat zonder dat de overheid deze behoeft te fourneren. Weliswaar komt deze 1,7 miljard verlichting van rentelasten uit de inkomstenderving van de banken, maar daar staat tegenover dat door deze 10 miljard vermogensversterking van het bedrijfsleven, de banken 'n nieuwe kredietmarkt verwerven van ca. 30 miljard. De financieringsbehoefte is overigens nog veel en veel groter.

De renteopbrengsten zijn dan ook groter dan de rentedervingen van de banken. Bovendien dalen de risico's voor de banken aanzienlijk omdat de gemiddelde betalingstermijn tussen de bedrijven nu terug kan lopen van 75 dagen naar ca. 56 dagen. De grote verliezen voor de stroppenpot (VAR) van de bank zullen sterk dalen, zowel direct (bank-cliënt) als indirect (domino-effect). Dit voordeel geldt al evenzeer voor de fiscus.

De invoering van het NBC, sinds 1974 al een technisch feit bij de Bondsspaarbank, kan slechts gedeeltelijk de economische problemen helpen oplossen. Een andere deeloplossing is de geldschepping, die met een negatieve belasting, gekoppeld aan de BTW, de afvloei van vermogen van de marktsector naar het M2-gebied zo compenseert die op grond van de structuur van de gulden bij nominale inflatie ontstaat.

Een nominale inflatie (stijgende prijsspiraal) van 5 % zullen wij tenminste moeten toestaan om onze economie "gezond te houden" (net als lucht om te ademen) waardoor we de integrale koopkracht beter kunnen verdelen. Inflatie is een verhaal apart en valt buiten het kader van deze brief.

De derde en grootste bijdrage tot het herstel, kunnen wij slechts realiseren wanneer we los van - maar wel in samenwerking met - de overheid via het toepassen van de VOC rekening-courant en middels moderne telecommunicatietechnieken het dode vermogen in de ondernemingen tot leven kunnen wekken; en zo de daaruit voortvloeiende liquiditeit onder degelijke garanties ter beschikking stellen van de deelnemende bedrijven. De werkgelegenheid, de produktie en de bezettingsgraad nemen weer toe, met alle positieve gevolgen van dien. Het V.O.C is en blijft echter uitsluitend een aangelegenheid van het bedrijfsleven zelf, wat betreft de "CLEARING".

Ten aanzien van de investering in het risicodragende vermogen van de Particuliere Participatie Maatschappijen van het VOC, kan ook de particuliere belegger en de beleggingsmaatschappij een uiterst aantrekkelijke mogelijkheid geboden worden, om vrijwel risicoloos (afdekking) te beleggen in binnenlandse werkgelegenheidscheppende projecten. De hefboomwerking die binnen het VOC op het rendement aanwezig is garandeert een uiterst aantrekkelijke beleggingsmogelijkheid. [4]

Zoals ik de heer H. Bos reeds voorstelde - om dezelfde weg te gaan bewandelen als J.M. Keynes na de aanval op Pearl Harbour - om het rustende kapitaal van de burgers in het M1 gebied te krijgen door aandelen VOC uit te gaan geven en daarmee het aanzwengelen van de economie te financieren. Er ontstaat dan civiele produktie met de voornoemde voordelen zonder "echte inflatie" te veroorzaken.

Om dit te verwezenlijken dient vanuit de basis van dit initiatief er voldoende vertrouwen te worden geboden in 't welslagen van het VOC-project. Zodat op korte termijn (essentieel) er een voldoende groot vermogen van particulieren en van bedrijven kan worden aangetrokken. Het is dan ook van evident belang dat 't ministerie t.a.v. dit initiatief een standpunt bepaalt dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. De basisfinanciering hiervoor, slechts enkele miljoenen, is ruimschoots voldoende om tot een succesvolle start te kunnen komen.

Ik hoop dat door een doortastende handelswijze van het ministerie het voorkomen kan worden dat in een mogelijke NBC-enquête er weer problemen gaan ontstaan. De RSV-affaire was een zuiver politieke aangelegenheid die door de politiek werd geëvalueerd. (rechter in eigen zaak) De NBC-enquête heeft echter naast een politiek aspect 'n zeer zwaar civielrechtelijke kant die niet zo eenvoudig valt te neutraliseren. De wettelijke aansprakelijkheid voor schade aan pensioenen, koopkrachtderving, kapitaalvernietiging enz., kan een juridische chaos teweegbrengen die z'n weerga in de geschiedenis niet zal kennen.

Ik hoop op een zo kort mogelijke termijn, van u een schriftelijke reactie te verkrijgen. Niet in de allerlaatste plaats omdat enige honderdduizenden staan te dringen om weer en normale leefsituatie te verkrijgen.

Hoogachtend,

R.M. Brockhus

Correspondentie:
Grondel 41
1273 RJ Huizen

Bijlage: VOC-concept

p.s. Het is naar mijn mening nuttig, ook uw juridische afdeling hieraan aandacht te laten besteden. Indien men de mogelijke consequenties beseft, kan dat de "besluitvorming" duidelijk versnellen. Tenslotte stijgt de maatschappelijke schade met ruim honderd miljoen gulden per dag excl. wettelijke rente. Hetgeen wel een aardige indicatie geeft voor verhaalsrecht.


MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN


                                        Aan: R.M. Brockhus
                                             Grondel 41
                                             Postbus 127
                                             1270 AC Huizen
15 juli 1985
AEP
985/106
6081

VOC-plan

Enige tijd geleden ontving ik van u een schets voor een systeem van ruilhandel per computer, dat u momenteel tracht in te voeren: het VOC-plan. Door drukke werkzaamheden is het mij tot op heden niet gelukt uw brief te beantwoorden. Na bestudering van die door u toegestuurde stukken begrijp ik dat uw VOC-plan, kort samengevat, op het volgende neerkomt. U tracht zoveel mogelijk bedrijven te interesseren om deel te nemen in een ruilhandel-systeem. Door het gebruik van de computer kan een snelle afstemming plaats vinden van de door een bedrijf aan u gemelde vraag op het door 'n ander bedrijf aangegeven aanbod.

Voorzover bepaalde goederen-ruiltransakties (met gesloten beurs) tot stand komen, zijn er geen geldmiddelen bij een ruil benodigd. In uw visie heeft dit zo het voordeel dat deze geldmiddelen nu op een andere wijze zouden kunnen worden benut, zodat de koopkracht stijgt. In het onderstaande wil ik enkele opmerkingen maken over het door u gepropageerde systeem. Wanneer we terugblikken in de geschiedenis, nemen we het volgende waar.

In een zeer ver verleden bestond er slechts ruilhandel van goederen. Dat was zeer onpraktisch en een sterke versoepeling in de handel trad op door het gebruik van geldstukken, waaraan later bankbiljetten werden toegevoegd. Tenslotte heeft zich in de afgelopen decennia een snel, efficiënt werkend giraal betalingssysteem ontwikkeld. De eerste vraag die men zich moet stellen is of het door u beoogde systeem een volgende stap voorwaarts is in de hierboven geschetste ontwikkeling. Ik meen dat dit niet het geval is. In de eerste plaats werkt het huidige girale betalingssysteem (ook per computer) zeker net zo snel als uw systeem.

Ten tweede heeft het girale systeem het grote voordeel dat het de betalingen m.b.t. alle mogelijke transacties kan omvatten. Dit is in tegenstelling tot uw systeem, dat immers beperkt is tot onderlinge leveranties van bedrijven. Leveringen van bedrijven aan de consument b.v. kunnen daarin niet worden opgenomen. Uw VOC-systeem richt zich derhalve alleen op bedrijven die intermediaire goederen en diensten produceren. Daarbij kan men zich overigens afvragen, of deze bedrijven wel in voldoende mate elkaars produkten betrekken om zo een afzonderlijk ruilsysteem van de grond te krijgen.

Samenvattend lijkt mij dat gegeven het reeds bestaande betalingssysteem, en gegeven de beperkingen waaraan uw systeem onderhevig is, dit laatste nu niet kan worden beschouwd als een stap vooruit naar een betere organisatie van produktie en handel. Alsdan kan ook geen sprake zijn van een "daadwerkelijke" bijdrage aan de vergroting van de nationale produktie. In de mate waarin het VOC-systeem evt. het beroep op geldmiddelen zal doen verminderen, zou sprake kunnen zijn van een liquiditeitseffekt. Vergroting van de hoeveelheid beschikbare liquiditeiten kan ook langs andere weg(vrijwel kosteloos) worden gerealiseerd en is dus volstrekt onvoldoende argument voor het VOC-systeem.

Bovendien bestaat er, gegeven ook de in de afgelopen jaren sterk opgelopen liquiditeitsquote, aan vergroting van de liquiditeitsmassa, geen behoefte. Het komt mij voor dat voorstellen voor een andere c.q. efficiëntere organisatie van het betalingsverkeer op eigen merites moeten worden beoordeeld, en niet moeten worden opgehangen aan macro-economische effecten ervan. U zult begrijpen dat ik - met alle sympathie die ik koester voor meedenkende burgers - niet veel economisch heil zie in uw plan.


Het hoofd van de Direktie Algemene Economische Politiek


G. Zalm



MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN

                                        Aan: R.M. Brockhus
                                             Grondel 41
                                             Postbus 127
                                             1270 AC Huizen

17 juni 1986
Alg. Econ. Pol.
986/242
797019

Uw brief van 9 juni j.l

Met interesse hebben wij kennis genomen van uw brief aan de Minister van Financiën van 9 juni jongstleden. De inflatieproblematiek belicht u onzes inziens te eenzijdig. Naast monetaire impulsen zijn ook andere factoren van belang. Gedacht kan hierbij worden aan de buitenlandse prijsontwikkeling (zeker voor een open economie als de onze van groot belang) en aan de loonontwikkeling

Zoals u zult weten, nemen zowel de buitenlandse prijzen als de lonen de laatste jaren veel minder toe dan in het vorige decennium. Het is momenteel inderdaad opvallend, dat de ruime binnenlandse liquiditeitsmassa niet leidt tot 'n extra bestedingsgroei; met name wat betreft de investeringen. Wel moet worden bedacht, dat de investeringen sinds 1984 nu weer sterk toenemen. Vooral in vergelijking met de terugval in de jaren daarvoor.

Gelet op de ruim aanwezige liquide middelen bij het bedrijfsleven mag in de toekomst een verdere toeneming verwacht worden. Om de investeringsgroei weer op het peil van de jaren zeventig te brengen is een versterking van de vermogensverhoudingen noodzakelijk. Deze is in de jaren zeventig danig verslechterd. Een deel van de liquiditeitsuitbreiding wordt aan die sanering van de vermogenspositie besteed.

Gezien de zich herstellende bestedingsgroei en de oplopende bezettingsgraden is het gevaar voor inflatie in de toekomst desalniettemin nog steeds aanwezig. Echter met een stijgende investeringsquote mede gedragen door een positief investeringsklimaat en een gematigde kostenontwikkeling, lijkt dit gevaar zeker voor de komende vier jaren toch niet al te klemmend.

DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
voor deze:
HET PLV. HOOFD VAN DE DIRECTIE
ALGEMENE ECONOMISCHE POLITIEK,



(W.C. Middelkoop)

.

Huizen, 21 juni 1986.

Ministerie van Economische Zaken
Postbus 20101
2500 EC 's-Gravenhage
t.a.v. afd. Algemeen Economische Politiek


uw referentie: 986/242

Geachte heer Middelkoop,

Hartelijk dank voor uw snelle reactie op onze brief - met de zes vragen - aan de Minister van Financiën.

We willen toch nog even op de inhoudelijke kanten van uw brief in gaan. Er zitten toch interessante gezichtspunten in. Heel terecht merkt u op dat er naast de monetaire aspecten m.b.t. de inflatie, ook nog andere factoren een rol spelen. We nemen aan - gezien het karakter van de vraagstelling - dat u heeft kunnen vermoeden dat ook met deze aspecten rekening was gehouden. De door u aangehaalde kostenontwikkelingen en de stabilisatie van het prijspeil geeft zeker geen goede verklaring voor de prijsontwikkeling in combinatie met de monetaire expansie.

Uit uw opmerking: "Dat het opvallend is dat die groei niet heeft geleid tot "extra bestedingen", is duidelijk af te leiden dat er voor u een onbekende factor moet zijn die zulks heeft verhinderd. Zeker bij de investeringen zou een grote liquiditeitsdruk, indien deze werkelijk algemeen aanwezig zou zijn, tot een meer verhoogde activiteit hebben moeten leiden. Ook de rente zou veel al sterker onder druk hebben moeten staan - ondanks buitenlandse invloeden - indien er van overliquiditeit sprake zou zijn.

De reële rente die nog steeds buitengewoon hoog is, laat daarover geen twijfel bestaan. Dat de investeringen weer aantrekken sinds 1984 - in uw optiek zelfs sterk - achten we geen maatgevende norm omdat deze nog steeds erg sterk achterblijven bij wat er minimaal noodzakelijk zou zijn, in verhouding tot het totaal ge‹nvesteerde vermogen in ons land. Zelfs het niveau van economische afschrijving wordt nog lang niet gehaald. De bouw is er 'n goed voorbeeld van.

U verwijst naar ruime liquide middelen, die bij het bedrijfsleven aanwezig zouden zijn. Dit in contrast met de liquiditeitspositie van de staat en van vele burgers. Waarbij dan voorstellen gedaan worden om tientallen miljarden m‚‚r te bezuinigen, hetgeen tot 'n nog veel grotere, kennelijk zo ongewenste overliquiditeit bij het bedrijfsleven zou gaan leiden dat nu reeds te ruim in de middelen zou zitten.

Het ligt natuurlijk dan wel voor de hand dat dit slechts voor een beperkt deel van het bedrijfsleven het geval is. Vooral de multinationale bedrijven en de exportsector, kunnen nu wat ruimer adem halen. De binnenlandse markt worstelt nu echter nog met geweldige tekorten. Temeer, daar van een "algemene liquiditeitsvoorziening" wordt uitgegaan. Ook in de economie zijn er hoge- en lagedruk gebieden. Het tekort voor de binnenlandse markt wordt dan extra versterkt door de accumulatie van middelen bij de exportsector en de multinationale ondernemingen.

U zou 'n kort en effectief onderzoekje kunnen doen naar de opinie van de ondernemers over dit onderwerp. Een willekeurige keuze van 200 bedrijven uit de beroepengids en een enquête bij ondernemers over hun liquiditeitspositie en hun belangstelling voor meer middelen ter beschikking te kunnen krijgen in de bedrijfsvoering, kan een goed beeld geven van de werkelijkheid. U zult verbaasd staan over de "schat" aan onwelvoeglijke uitdrukkingen welke onze christelijke cultuur rijk is. En meestal in de richting van het geprivatiseerde instituut voor liquiditeits- en vermogensvoorziening, namelijk: de bank.

Veel minder zult u te horen klagen over de kosten die er aan deze bedrijfsvoering vastzitten. De financieringsmogelijkheden van zowel vreemd als eigen vermogen blijken dermate beperkt, dat van zware frustratie en apathie gesproken kan worden. De fixatie van de beleidsmakers op de grote bedrijven, om de economische ontwikkeling te evalueren is o.i., de grootste blunder die ooit gemaakt is.

Grote bedrijven ontstaan namelijk door een natuurlijk groeiproces uit kleine bedrijven en de combinatie van markt- en financieringsmogelijkheden. In Japan heeft men dat al heel vroeg begrepen. Het eigen vermogen van de starter is het troetelkindje van de Japanse overheid. De resultaten zijn er dan ook naar. Onze archieven puilen letterlijk uit van de initiatieven, om door onze ondernemers welvaartbrengend en werkgelegenheid scheppend in produktie genomen te worden. Maar waar haalt de ondernemer met de ideeën de risicodragende financiering vandaan ..?? Vooral als het echt iets nieuws is.

Wat betreft de vermogenspositie waarvan u de sanering signaleert, is er een zekere tegenstrijdigheid in uw brief. U maakt gewag van een duidelijke overliquiditeit. Maar zoiets past slechts bij een bedrijf met een uiterst gezonde vermogenspositie en met 'n sterke potentie om te investeren; en met de mogelijkheden tot het verder aantrekken van vreemd vermogen.

Het uiterst klemmende beroep van de werkgevers om de kosten en de belastingen te verlagen om uit de rode cijfers te blijven, is in tegenspraak met de feitelijk geconstateerde overliquiditeit. Terecht merkt u op dat ondernemers hun vermogenspositie trachten te verbeteren door zoveel mogelijk bankkrediet weg te werken. Dit laatste wordt in bankkringen echt niet met gejuich ontvangen; en zeker niet wanneer de solvabiliteit van de ondernemingen sterk verbetert bij een afnemende kredietafname. Het gemiddelde risico voor de kredietverlening gaat daardoor omhoog, terwijl de dekking ervoor vermindert.

Uw opmerking dat de liquiditeitsuitbreiding aangewend wordt voor de sanering van de vermogenspositie is ons volstrekt onduidelijk. 't Zou namelijk betekenen dat de geldschepping in de particuliere sfeer is gekomen waarmee het eigen vermogen versterkt kan worden. Overigens een z‚‚r interessante gedacht. Uw opmerking betekent 'n omwenteling in de monetaire politiek. Wij meenden dat de geldschepping tot nu toe een aangelegenheid was van de staat en de onder toezicht staande banken. Vanuit de positie van het bedrijfsleven, kwam iedere vorm van geldschepping altijd als vreemd vermogen in de markt. Dit laatste is eveneens een onderwerp waarover bij de overheid 'ns grondig nagedacht dient te worden.

We zijn zo vrij geweest dat alvast maar te doen. En de conclusies zijn uiterst interessant te noemen. U signaleert verder een groei van de bestedingen en een verbetering van de bezettingsgraden. U voorziet daaruit een mogelijk gevaar voor het terugkeren van de inflatie in de toekomst, hoewel niet verontrustend. We denken dat uw vrees voor inflatie niet helemaal terecht is. Beide ontwikkelingen hebben, in tegenstelling tot uw uitgangspunt zelfs een prijsdempende werking. Zodat er eerder een "deflatoire" ontwikkeling verwacht kan worden. De verkoop- en produktiekosten dalen immers per eenheid produkt door die ontwikkeling. Waarschijnlijk ontstaat hier tegenover gelijktijdig een opwaartse druk op het prijspeil, omdat de neerwaartse druk op de prijsvorming door margeverruiming zal gaan afnemen. Met als gevolg: stijgende winsten, toenemende investeringen en 'n grotere belastingopbrengst bij lagere sociale kosten.

Wij zijn overigens voorstander van een gematigde inflatie van ca. 5% per jaar. Er zijn tal van hier nu niet genoemde redenen om dit inflatiepercentage als nuttig element in de economie te aanvaarden. Het zal nog een hele opgaaf zijn om het door ons gewenste inflatiepeil van 5 % te bereiken. Vooral wanneer er met een goede spreiding een zeer sterke verruiming van de liquiditeitsmassa zal ontstaan. De deflatoire impuls hiervan zal zeer substantieel zijn doordat er economische capaciteit geactiveerd wordt. Dit laatste zal u misschien wat raadselachtig overkomen, maar het is geheel logisch te verklaren. Net zo logisch en causaal als het fenomeen dat 9% groei van de geldmassa per jaar - los van de door u gesignaleerde aspecten - de prijsspiraal heeft doen verdwijnen.

Indien u meer wilt weten over dit "mysterieuze verschijnsel" zijn wij zeker bereid u onze medewerking te verlenen. De uitspraak van Prof. Rutten:

"Dat wij de beschikbare financiële middelen efficiënter zouden moeten gaan benutten !" zou men op een gouden schaaltje moeten wegen. Deze opmerking van Prof. Rutten en de groei van de geldmassa tezamen, vormen wel het geheime recept voor het bakken van 'n grotere nationale koek. Ook het begrip bezuinigen krijgt dan een ereplaats in het museum voor oude munten.

Met vriendelijke groet,


R.M. Brockhus

Grondel 41
1273 RJ Huizen


Huizen, 2 juli 1986.

Ministerie van Economische Zaken
Postbus 20101
2500 EC 's-Gravenhage

t.a.v. directie Algemene Economisch Politiek


Mijne heren,

In vervolg op de brief van 21 juni j.l., gericht aan de heer W.C. Middelkoop, verzoek ik u hiermede een cijfermatige beantwoording van de 6 vragen te verstrekken, die aan de Minister van Financiën per brief van 9 juni waren gesteld.

Het is onmiskenbaar in het algemeen belang, dat deze gegevens een onderdeel van het te voeren beleid zouden moeten gaan uitmaken.

Het is overduidelijk dat 'n herstelbeleid gebaseerd dient te zijn op actuele parameters, zodat deze als maar stijgende staatsschuld en de daaraan verbonden lasten, op een minder pijnlijke wijze van sanering tot stand kan worden gebracht.

Gaarne ontvang ik ook een inhoudelijke becommentariëring van mijn brief. Ter verduidelijking van het standpunt voeg ik ook nog onze maatschappelijke visie op het geld hier aan toe.

In afwachting van uw snelle reactie - de staatsschuld groeit toch tenslotte onnodig met honderd miljoen per dag - verblijf ik, met vriendelijke groet,


R.M. Brockhus

bijlage: Geld, het DNA van de Economie

Grondel 41
1273 RJ Huizen


MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN



                                             de heer R.M. Brockhus
                                             Westkade 227
                                             1273 RJ Huizen
    10 juli 1986
    Alg. Econ. Pol.
    986/279
    797019


Uw brief van 2 juli j.l

In goed orde ontvingen we uw schrijven van twee juli jongstleden. Het spijt me u te moeten meedelen dat we niet in staat zijn om,na eerdere kanttekeningen die we bij uw ideeën hebben geplaatst, opnieuw te reageren op uw suggesties. Zoals u zult begrijpen zijn er nog meer burgers die met beleidssuggesties komen en die om een reactie vragen.

Gelet op de normale taken die onze directie moet uitvoeren is het niet mogelijk, een semi-permanente discussie aan te gaan. Mogelijk kunt u uw visie omtrent het te voeren monetaire beleid dan voorleggen aan redakties van op dit terrein opererende wetenschappelijke tijdschriften.

Met vriendelijke groet,

HET HOOFD VAN DE DIRECTIE

ALGEMENE ECONOMISCHE POLITIEK,


(G. Zalm)




      (A) Bezuidenhoutseweg 30
      (B) Laan van N.O. Indië 123
          Postadres postbus 20101
          2500 EC 's-Gravenhage
          Telefoon 070-798911
              


MINISTER-PRESIDENT


   NR.:  36833601             'S-Gravenhage, 25 juli 1986.




      Zeer geachte heer Brockhus,




      Dank voor uw brief met de daarbij gevoegde uitvoerige bijlage.
      Aan de door u beschreven materie zitten zoveel specifieke
      aspekten vast dat ik de minister van Economische Zaken
      heb gevraagd de behandeling van uw brief over te nemen.

      Van hem zult u dan ook een reaktie ontvangen.


Met de meeste hoogachting




(Drs. R.F.M. Lubbers)





    Aan de heer R.M. Brockhus
    Westkade 227
    1273 RJ Huizen


Postbus 20001-2500 EA 's-Gravenhage - Kantooradres: Binnenhof 20.
Telefoon: 070-614031



    MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN
    
    
    
                                                 de heer R.M. Brockhus
                                                 Postbus 127
                                                 1273 RJ Huizen
    
    
    9 september 1986
    Alg. Econ. Pol.
    986/302
    797019

    Uw brief van 27 juni j.l

    
    
    
    De Minister-President heeft ons gevraagd de behandeling van Uw
    brief aan hem van 27 juni j.l. over te nemen.
    Uit onze brief van 10 juli j.l. zult U begrijpen dat wij geen
    aanleiding zien om verder op Uw schrijven in te gaan.


    DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

    voor deze:

    HET HOOFD VAN DE DIRECTIE

    ALGEMENE ECONOMISCHE POLITIEK,


    (G. Zalm)

    
    
    
    
                   Adres:
     Bezuidenhoutseweg 30
    
               Postadres:
            Postbus 20101
    2500 EC 's-Gravenhage
    
                telefoon:
             (070) 798911
    
    

    Politiek dynamiet: Bankfusies en de diefstal van rente door de banken
    De Bankiertjes, uit de Antifascist van juni 1998
    Stichting Bankrente Terug wil rentediefstal van banken aanpakken
    Comparitiezitting Stichting Bankrente Terug versus ABN AMRO
    Hoeveel voedselbanken wil de regering om weer concurrerend te worden??
    Prof. Knoester in Dagblad de Telegraaf over de diefstal van rente door de banken
    Prof. Knoester: Paars II als regelneef over wachtlijsten, criminaliteit en immigratiepolitiek
    Prof. Knoester over constant gezeur om AOW-leeftijd en optrekken naar 67 jaar

    Terug naar het begin