Drs. N.C. Burhove Jaspers was hoofdsamensteller van het IRM-rapport m.b.t. de bijbanen van juristen in Nederland

Vierde brief van drs. Burhoven Jaspers aan Minister-president Kok

IRM . . Juristen . . EU Grondwet <==> SDN . . Klokkenluider . . N.C. Burhoven

De gerechtsauditeurs staan het gerecht in zijn werkzaamheden bij

drs. N.C. Burhoven Jaspers MBA

AANGETEKEND

AAN:
De Minister-president
PER FAX en PER POST


De heer W. Kok
Binnenhof 20, 2513 AA Den Haag
Postbus 20001, 2500 EA Den Haag


OPEN BRIEF


BETREFT: Mw. mr. W. Sorgdrager, minister van Justitie


Wassenaar, 10 mei 1998

    Zeer geachte heer Kok,

Over krantenberichten in de geest van "minister beschuldigt haar ambtenaren en wordt bij de premier op het matje geroepen" ben ik ronduit verontwaardigd. Natúúrlijk is de minister van Justitie verregaand afgeschermd door de ambtenaren van haar departement; dat is toch zeker perfect duidelijk. Ook ik heb dat ondervonden en aan u gemeld.

De kern van mijn situatie, die niet minder schandalig is dan de zaak Lancee, ligt daarin dat een gerechtsauditeur fiscale zaken van de Hoge Raad der Nederlanden in valse hoedanigheid een bancaire overval deed op een Zwitserse bankrekening voor een bedrag van circa fl 150.000. Zie de bijgaande bijlagen I en II.

De stelselmatige protectie tot aan de President van de Hoge Raad leverde mij 12 jaar bittere ellende op en een verwoest bestaan; de viezigheid gaat door tot op de dag van vandaag. Crimineel optreden, fraude, diefstal, oplichting of iets van vergelijkbare aard, kun je je als rechterlijk ambtenaar c.q. gerechtsauditeur van de Hoge Raad wel permitteren, want tot op de dag van heden wordt zij gesauveerd zowel wat betreft het afdekken van gedragingen, die door normale mensen en door de wetgever zonder meer worden beschouwd als ernstige delicten als wat betreft systematische materiële bevoordeling in het kader van een boedelscheiding, waarin ongeveer alle fundamentele rechtsregels in haar voordeel geschonden worden.

Zo ook heeft in een strafrechtelijke procedure de Procureur-generaal van het Hof te Den Haag cruciaal bewijsmateriaal achtergehouden voor de raadsheren van dat hof. De genoemde gerechtsauditeur werd geheel schoongewassen; alles werd met de 'mantel der liefde' bedekt. Protestbrieven hierover aan de minister van Justitie werden niet door of namens haar beantwoord, maar werden kennelijk in het ambtelijk apparaat onderschept en afgedaan met 'afpoeierbriefjes' van het college van procureurs-generaal. Op dat niveau werd zelfs geweigerd mij een formeel antwoord namens de minister te zenden.

In het najaar '97 stuurde ik een brief (aangetekend met bevestiging van ontvangst) naar het huisadres van Mw. Sorgdrager; die brief kwam onverrichter zake via de PTT terug. Deze nog ongeopende brief zond ik u met verdere toelichting d.d. 23 januari 1998.

Mijn brieven aan u d.d. 23 januari, 28 januari (aan de Staat der Nederlanden) en 22 februari 1998, zijn volgens uw ministerie doorgeleid aan de minister van Justitie. Het 'systeem' probeert nu mij, als voormalig hoger ambtenaar, klein te krijgen door mij te bestelen en mij de middelen van bestaan af te nemen; u dekt dat. Op mijn brieven aan u heb ik enige inhoudelijke reactie niet ontvangen, noch van uw zijde, noch van de minister van Justitie. De wettelijke termijn is verstreken, ja zelfs is met dit totale stilzwijgen iedere redelijke termijn overschreden.

De vraag dringt zich nu op of die brieven de minister hebben bereikt, of zijn 'onderschept' en nog ergens in een bureaula liggen. Ook antwoorden op kamervragen wijzen erop dat de minister tot op de dag van vandaag niet weet waar het om gaat. Zo blijft de minister nog immer volhouden dat er geen enkel vermoeden is van een strafbaar feit ! Dit wordt totaal gelogenstraft door de bijlagen I en II.

Mij lijkt het dat ten aanzien van Mw. Sorgdrager er slechts ruimte is voor twee mogelijkheden:

  1. als minister gebruikt zij eigen macht voor afdekken van het vermelde ernstig crimineel gedrag van een gerechtsauditeur van de Hoge Raad en zij volgt daarmee het voorbeeld van de top van de Hoge Raad. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van zo'n ambtenaar ligt volgens de wet in eerste instantie bij de President van de Hoge Raad en verder bij de Minister van Justitie. Zie bijlage III.

    Hier pleit tegen dat het moeilijk voor te stellen is dat iemand die koos voor een loopbaan in de bestrijding van het 'boevengilde', uiteindelijk als minister apert crimineel gedrag zou gaan afdekken ten behoeve van een eigen gildegenoot / medejuriste / rechterlijk ambtenaar. Dat zou toch vragen oproepen zoals: is de heler beter dan de dief ?

  2. Mw. W. Sorgdrager is te goeder trouw (en dat geloof ik eerder), maar dan moet de rond haar gesponnen cocon zó dicht en ondoordringbaar zijn dat zij die, tot op de dag van vandaag, in alle oprechtheid niet heeft kunnen doorbreken en daardoor zich de ware feiten oprecht niet bewust is.

Ik vind dat, al zou het alleen maar zijn vanwege elementaire eerlijkheid, Mw. Sorgdrager in de gelegenheid gesteld moet worden zich te rehabiliteren door aan te tonen dat de systematische tegenwerking en afscherming die zij als jonge vrouwelijke minister in haar ministerie ondervond, zo volledig en langdurig (tot op de dag van heden) is geweest, dat zij redelijkerwijs die afscherming niet heeft kunnen doorbreken. U dient haar die kans te geven. Of zal men, ook al is Mw. W. Sorgdrager wel te goeder trouw geweest, verkiezen deze kwestie af te doen conform Shakespeare: 'De Moor heeft zijn werk gedaan; de Moor kan gaan'.

Het lijkt mij volstrekt onacceptabel dat het juridisch en politiek gezag in ons land dezelfde kenmerken zou gaan vertonen als bij de Belgische Dutroux-affaire. Tot aan de hoogste instanties ondervind ik dat gehandeld wordt in strijd met fundamentele rechtsregels, Europese verdragen en elementaire gedragsnormen. Waar ik tegenaan loop is nu net wat men in België in de Dutroux-affaire niet heeft kunnen bewijzen: bescherming van hogerhand. Maar ik kan dit wel keihard aantonen; tot op het allerhoogste niveau in de juridische rangorde. Alleen wendt iedereen het hoofd af.

Zo is ook op de tekst van bijlage III niet gereageerd door u, niet door de minister van Justitie, niet door de Procureur-generaal bij de Hoge Raad en ook de President van de Hoge Raad der Nederlanden weigert te antwoorden. Kennelijk is de juistheid te pijnlijk, zodat men in doodzwijgen toestemt.

En ik kan mij niet voorstellen dat u door Hare Majesteit belast zou gaan worden met het vormen van een nieuwe regering, maar wel zou kiezen voor toedekken van een zaak met zo'n schandaalgehalte. Daarom verzoek ik u met klem vanuit uw verantwoordelijkheden als hoofd van de uitvoerende macht, om binnen 30 dagen een éénduidige beslissing te nemen ten aanzien van de vraag of u mijn zaak tot op de bodem en mede met externe, onafhankelijke deskundigen wilt doen onderzoeken.


Hoogachtend,

Drs. N.C. Burhoven Jaspers MBA


    Drs. N.C. Burhoven Jaspers MBA
    tel + fax: 070 5118922
    van Polanenpark 58
    2241 RS Wassenaar



Zie ook: Internet; Sociale Databank Nederland:http://www.sdnl.nl


Bijlagen:
Ongedateerde brief van mr. M.C.M. de Kroon aan Swiss Bank Corp.
Antwoordbrief d.d. 11 juli 1986 van de Swiss Bank Corporation
Notitie: De formele positie van en gerechtsauditeur (bij Hoge Raad)

Kopie: Kabinet der Koningin

Archief:
Eerste brief aan Minister-president W. Kok
Tweede brief aan Minister-president W. Kok
Derde brief aan Minister-president W. Kok