Hoger beroep tegen uitspraak Awb 95/3497 van 17 september 1997
EuroStaete . . EKC . . Klokkenluiders <===> SDN . . Wolmanzouten . . English

Ing. A.M.L. van Rooij

Milieu- en Veiligheidskundige
Henry George (1839-1897): De Aarde behoort toe aan alle levende wezens
                        Aantekenen + ontvangstbevestiging.

't Achterom 9a                Sint Oedenrode
5491 XD                       datum: 5 november 1997
Sint Oedenrode               
Tel. 0413-490387                 
Fax. 0413-490386

    Verstuurd met Ontvangstbevestiging op 5 november 1997 Tevens (ex. bijlagen) verstuurd per fax: 070-3651380 op 9 november 1997

Betreft: Hoger beroep tegen uitspraak Awb 95/3497 van 17 september 1997 (verzonden op 1 oktober 1997) van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch.

Mijn kenmerk: BSR/029/HB.


    Aan: De Raad van State,
    Afdeling Bestuursrechtspraak,
    Postbus 20019,
    2500 EA 's-Gravenhage.


Geacht College,

Hierbij teken ik hoger beroep aan tegen de volgende overwegingen uit de uitspraak Awb 95/3497 van 17 september 1997 (bijlage 1) van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch en wel op grond van de volgende motivatie:

    Overwegingen waartegen ik hoger beroep aanteken.

Op blz. 4 en 5 staat de volgende overweging:

    Ing. Van Dijk overweegt in zijn advies dat weliswaar een functionele verbinding bestaat tussen de verharding en het impregneerproces, te weten het verzamelen van hulpstof (regenwater), doch dat gelet op andere functies die de verharding heeft, zoals opslag, transport en bodembescherming en het ontbreken van constructieve verbindingen tussen de verharding, het rioolsysteem (met pompput) en de impregneerinstallatie, de verhardingen en de pompput niet kunnen worden aangemerkt als een geheel met de impregneerinstallatie. Ook de pompput en de verharding zijn naar zijn oordeel niet als een bouwkundige eenheid aan te merken, waarbij Ing. Van Dijk opmerkt dat er geen sprake is van een voorziening gericht op een functionele overdracht van krachten; put en verharding kunnen elk, onafhankelijk van elkaar, hun eigen functie uitoefenen.

    De rechtbank sluit zich aan bij voornoemd advies en maakt het hierin weergegeven oordeel tot het hare. Aldus stelt de rechtbank vast dat naar haar oordeel de terreinverharding en de pompput niet als één bouwwerk (al dan niet als onderdeel van de impregneerinstallatie) dienen te worden aangemerkt.


Op blz. 5 staat de volgende overweging:

    Ten aanzien van de terreinverharding is de rechtbank van oordeel dat gelet op het tweedimensionale karakter van de verharding niet kan worden gesproken van een "constructie van enige omvang", zodat geen sprake is van een bouwwerk. Het feit dat om de verharding een betonnen rand is aangebracht, doet hier niet aan af. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen de geringe hoogte van deze rand (20 centimeter) en het feit dat de beoogde functies van de verharding, waaronder afvang van regenwater, ook zonder deze rand kunnen worden uitgeoefend. Immers deze verharding is afwaterend aangelegd, waardoor het regenwater loopt naar de aangelegde straatkolken. Mitsdien valt de verharding niet aan te merken als een bouwwerk, zodat geen bouwvergunning vereist is.


    Hoger beroep tegen bovengenoemde overwegingen.

Ik kan mij met bovengenoemde overwegingen niet verenigen en wel op grond van de volgende motivatie: De afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State heeft bij onherroepelijke uitspraak G05.92.2426.p90 en B05.92.1484 van 13 april 1993 uitgesproken dat rondom de op het bedrijventerrein aangebrachte asfaltverharding een opstaande rand is aangebracht, waardoor een bak is gevormd waarin onder meer het (met arseen, chroom VI en koper verontreinigd) regenwater wordt opgevangen. (bijlage 2).

De rechtbank kan op basis van deze onherroepelijke uitspraak van de Raad van State nooit en te nimmer haar overweging staande houden dat de beoogde functies van de verharding, waaronder afvang van regenwater, ook zonder deze rand kunnen worden uitgeoefend. Bijgevoegd vindt U verder een 2-tal pagina's uit het rapport "waterhuishouding" met bijgevoegde managementverklaring van 10 juni 1992 van het bedrijf Gebr. Van Aarle B.V. (bijlage 3).

In betreffend rapport "waterhuishouding" staat dat de aangebrachte asfaltverharding met opstaande rand rondom als functie heeft om tijdelijk maximaal 14 m3 (met arseen, chroom VI en koper verontreinigd) regenwater op te slaan (bijlage 3). Ook op grond hiervan kan de rechtbank nooit en te nimmer haar overweging staande houden dat de beoogde functies van de verharding, waaronder afvang van regenwater, ook zonder deze rand kunnen worden uitgeoefend. In betreffend rapport "waterhuishouding" onder hoofdstuk 3.2 "lozen van overschotten" staat letterlijk de volgende tekst geschreven:

    In de situatie dat verzamelput/kelder 14a voor 90% gevuld is zal dit optisch gesignaleerd worden. Bij het aanhouden van het aanbod zal buffer 14a automatisch overstorten in buffer 14b zodat opvang van terreinwater gewaarborgd blijft. Op deze wijze kan bij droog weer een nieuwe regenbui worden geborgen ter grote van minimaal 13,15 m3 (a). In geval ook buffer 14b gevuld is zal het rioolstelsel zich volledig vullen (ca. 3 m3 bergingscapaciteit inclusief pompput (p.1.4.). Op deze wijze kan bij droog weer een nieuwe regenbui van maximaal 16,65 m3 (b) worden geborgen.

Indien de maximale capaciteit is geborgen zal inundatie van het opslagterrein optreden waardoor het mogelijk is een oppervlakteberging te creëren van maximaal 14 m3. In het extreme geval kan dus een nieuwe regenbui worden geborgen van 30,65 m3 (c). In deze situatie zal de overstortleiding van de pompput worden geopend. In bovenstaande beredeneringen is geen rekening gehouden met de dagelijkse afname van 3,7 m3.

Hiermede is onomstotelijk vast komen te staan dat buffer 14b, rioolstelsel en pompput en het opslagterrein met opstaande rand een gezamenlijke bufferfunctie heeft voor de opslag van 30,65 m3 (met arseen, chroom VI en koper verontreinigd) regenwater. Arseen is een zwarte lijstsof voor water, bodem en lucht. Dit betekent dat deze stof met de best bestaande techniek uit water, bodem en lucht moet worden geweerd. Dit betekent dat aan de blijvend vloeistofdichtheid van bovengenoemde gezamenlijke bufferfunctie vanuit de bouwverordening en bouwvoorschriften extreem hoge eisen moeten worden gesteld. Hiermede heb ik de overweging van de rechtbank dat de terreinverharding met bijbehorende ondergrondse riolering en pompput niet als één bouwwerk dient te worden aangemerkt volledig onderuitgehaald.

    Conclusie

Nu op grond van vorenstaande is vast komen te staan dat buffer 14b, tezamen met het rioolstelsel, pompput en opslagterrein met opstaande rand een gezamenlijke bufferfunctie heeft voor de opslag van 30,65 m3 met arseen, chroom VI en koper verontreinigd regenwater, betekent dat hier sprake is van één bouwwerk waarvoor één bouwvergunning is vereist. Vanwege het feit dat arseen een zwarte lijststof is voor water, bodem en lucht, wordt vanuit de bouwverordening en bouwvoorschriften aan de blijvend vloeistofdichtheid van die gezamenlijke bufferopslag van 30,65 m3 extreem hoge eisen gesteld. Het in geding zijnde bouwwerk is gebouwd in strijd met die extreem hoge eisen vanuit de bouwverordening en bouwvoorschriften. Als gevolg daarvan is de kans groot dat grond, grondwater en oppervlaktewater daardoor zijn verontreinigd en nog verder worden verontreinigd met arseen, chroom VI en koper.

Het in geding zijnde bouwwerk had op grond van artikel 15 lid A, 3 uit het vigerende bestemmingsplan buitengebied op tenminste 30 meter uit het as van de Ollandseweg gebouwd moeten worden. Het in geding zijnde bouwwerk is geheel binnen die 30 meter van het as van de Ollandseweg gebouwd en derhalve in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Op grond van vorenstaande verzoek ik U de bestreden uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Tevens verzoek ik U alle onderliggende besluiten van burgemeester en wethouders te vernietigen. Vanwege het feit dat onze grondeigendommen en ons kritische Dommeldal hierdoor verder verontreinigd dreigen te raken met arseen, chroom VI en koper verzoek ik U dit hoger beroep middels een spoedeisende procedure in behandeling te nemen.

Vanwege het feit het in geding zijnde bouwwerk achteraf nooit blijvend vloeistofdicht gemaakt kan worden en legalisatie ervan in het nieuwe bestemmingsplan buitengebied onmogelijk is, verzoek ik U burgemeester en wethouders met een oplegging van een dwangsom van f.10.000,- per dag te verplichten tot het onmiddellijk aanschrijven van de gebr. Van Aarle B.V. dat middels toepassing van bestuursdwang het in geding zijnde "bouwwerk" binnen 8 dagen van het bedrijventerrein moet zijn verwijderd.

Ook verzoek ik U burgemeester en wethouders op grond van de artikelen 8:73; 8:74 en 8:75 Awb te veroordelen tot betaling van alle door mij gemaakt kosten en geleden schade. Tevens verzoek ik U mij in dit hoger beroep in ieder geval te horen.



Hoogachtend,




Bijlagen:

  1. Uitspraak 95/3497 van 17 september 1997 van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, verzonden op 1 oktober 1997 (8 pagina's).
  2. Uitspraak G05.92.2426.p90 en B05.92.1484 van 13 april 1993 van de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State (5 pagina's).
  3. Een 2-tal pagina's uit het rapport "waterhuishouding" met bijgevoegde
  4. managementverklaring van 10 juni 1992 van de gebr. Van Aarle B.V. (3 pagina's).


Milieu-onderwerpen
Integriteit Rechterlijke Macht
Hoger beroep bij Raad van State Awb 94/9240