Juridische hulp en de valkuilen voor de cliënt
IRM . . Juristen . . EU Grondwet <==> SDN . . Klokkenluider . . N.C. Burhoven

De verplichte procesvertegenwoordiging blijkt rem op het recht

JURIDISCHE ADVISEURS en BURGERLIJK RECHT.

De voormalige Amerikaanse advocaat en later leider van een grote onderneming, Mark H. McCormack, schreef in de tachtiger jaren een boek over juridische adviseurs, waarvan de Nederlandse titel luidt: "Verschrikkelijke verhalen over juridische adviseurs". (Uitgave Veen 1987.) Hij beoordeelde de kwaliteit zowel uit het oogpunt van een advocaat, alswel uit het oogpunt van de cliënt. In beide posities had hij ervaring opgedaan. Uiteraard zijn zijn ervaringen gebaseerd op Amerikaanse wetgeving en omstandigheden. Niettemin lijken sommige van zijn uitspraken evenzeer van toepassing op Nederlandse juridische adviseurs, zoals b.v. de zaken in het honderd laten lopen. Hierover komen we verderop terug.

Als we juridische hulp nodig hebben is het een veel voorkomende fout om zo maar naar een willekeurige advocaat te gaan waarvan men niet, of nauwelijks, weet of hij ervaring heeft en betrouwbaar is, feiten waaraan U, als gewoon burger bij een sollicitatie naar een betrekking, aan de hoogste eisen moet voldoen. Soms wordt een advocaat aanbevolen door mensen die regelmatig met de advocatuur te maken (kunnen) hebben. Hierbij valt te denken aan vertegenwoordigers van grotere ondernemingen, accountants enz. Wij kennen gevallen die, ondanks goedbedoelde adviezen, leidden naar advocaten die er een potje van maakten.

Bij een advies voor een advocatenkeuze dient men rekening te houden uit welke bron zo'n advies komt. Voor grotere ondernemingen zal een advocaat zijn uiterste best doen om deze niet als cliënt te verliezen. Doorgaans zijn deze cliënten ook zelf beter geïnformeerd, in tegenstelling tot iemand die nooit iets met de advocatuur te maken heeft gehad. Ook voor een accountant zal een advocaat zijn uiterste best doen, daar dit altijd een potentiële klant is en zijn tevredenheid uit kan stralen naar derden. Overigens is hier niets ten nadele van de accountant mee bedoeld, hij zal zijn oordeel vormen op grond van eigen ervaringen.

In tegenstelling tot het vorenstaande is een eenmalige cliënt een gemakkelijke prooi voor minder-betrouwbare advocaten. Jammer genoeg zijn die niet aan hun neus te herkennen, en ook niet door hun praatje in het gratis halfuur bij het eerste consult. Er zijn meer dan genoeg gevallen bekend waarbij de advocaat zijn toezeggingen niet waar maakte, waarvoor hij lang niet altijd reële redenen voor aanvoert, maar toch grote rekeningen schrijft. Het resultaat doet er toch niet toe bij de vaststelling van zijn honorarium.

Dat het verschil kan uitmaken met welke partij een advocaat te maken heeft blijkt wel uit een artikel in het dagblad "De Stem" van 3 oktober '97. Volgens dat artikel kreeg fotograaf Roel Visser een opdracht van de Socialistische Partij om foto's te maken voor het samenstellen van een boek over de verschillen tussen arm en rijk in Nederland.

Op één van zijn foto's stond een dame die misprijzend naar een bedelaar kijkt. Daarover kreeg Visser een brief van een heel duur advocatenkantoor die de negatieven opeiste wegens schending van privacy. (Waarschijnlijk had de betreffende dame zichzelf herkend op de foto.) Visser zegt hierover: "Ik laat mijn eigen advocaat terugschrijven, krijg ik weer een brief, nu met de eis vijfduizend gulden te betalen. Laat ik via Het Parool, ook een heel duur bureau, een brief schrijven en vervolgens hoor ik er niets meer van".

Als kunstgrepen noemt McCormack:

  • het rekken van tijd,
  • altijd op zoek naar technische en soms twijfelachtige middelen om de wet naar hun hand te zetten,
  • de zaken in het honderd laten lopen,
  • zorgen dat de mensen elkaar in de haren vliegen,
  • zakelijke onderhandelingen onnodig duurder maken,
  • nu en dan een ogenschijnlijk bruikbare afspraak de grond in boren.

Hoewel McCormack zelf jurist was geweest, had hij geen hoge hoed op van de studie voor advocaat. Hij stelt dat 90 % van de studie waardeloos is voor de praktijk en dat 90 % van wat in de praktijk nodig is, nog in de praktijk geleerd moet worden. Dat wil zeggen dat de (argeloze) cliënt voor het lesgeld opdraait in de vorm van teveel benodigde tijd voor de betreffende zaak, die in het honorarium berekend worden door een advocaat met te weinig ervaring en/of inzicht. Dit laatste treft men ook nog wel bij oudere advocaten aan.

Of, en in hoeverre de genoemde stellingen van McCormack voor Nederland gelden, zullen de meningen wel uiteenlopen. Er zullen wel verschillen zijn, maar die liggen meer in de verschillen binnen de wetgeving, dan in de mentaliteit van advocaten. Langdurige rechtszaken worden zelden veroorzaakt door de ingewikkeldheid van het onderhavige probleem, doch veel meer door toedoen van de betreffende advocaten. Hierbij trachten zij door gewichtigdoenerij de cliënt te imponeren. Ook rechters kunnen er een potje van maken. Mensen die te maken hebben gehad met Raad- en/of Hof van Discipline (de tuchtraad voor advocaten) kunnen daarover mee praten, zoals o.a. in de zaak Rem/OHRA, Van der Westen/Consumentenbond, Exota-fabriek/VARA. En de rechters maar klagen dat ze de hoeveelheid werk niet aan kunnen.

Wat te denken bijvoorbeeld van de gang van zaken waarbij een medicus zijn praktijk overdoet aan zijn opvolger. Partijen krijgen een meningsverschil over de schriftelijk gesloten overeenkomst, betreffende de financiële vergoeding. Het geschil komt voor de rechter, waarbij de eiser verliest omdat zijn advocaat "vergeet" de overeenkomst bij het dossier te voegen. Overigens is dat een vrij veel voorkomende fout van advocaten, naast het laten verlopen van termijnen om in beroep te gaan of nalaten andere bewijsstukken in te leveren. Maar dat leest U niet in de krant, wel als een officier van Justitie een dergelijke fout maakt.

In plaats dat zo'n advocaat zijn fout ruiterlijk erkent en tracht te herstellen of goed te maken, is hierdoor in bovengenoemd geval een reeds meer dan tienjarige juridische strijd ontstaan, met als resultaat een aantal goedgevulde ordners met vuil gemaakt papier en rekeningen van advocaten die zich met de zaak bemoeid hebben. En nog is de strijd niet gestreden, de betreffende advocaat is nog steeds van mening dat hij geen fout heeft gemaakt (gebrek aan inzicht?) en legt de veroordeling door het Hof van Discipline naast zich neer. Volgens het Hof staat het een advocaat vrij om dat te doen. Tel uit je winst. Het betreft hier een advocaat die aanbevolen was door een register accountant. Het is niet het enige bekende geval.

Aleer we naar een advocaat stappen dienen we eerst goed te overwegen of het wel noodzakelijk is om te gaan procederen. Is er niet een andere weg om met de tegenpartij tot overeenstemming te komen? Vast staat dat de advocaat altijd de winnende partij is. Of dat het geval is met zijn cliënt is nog maar de vraag. "(Schijn)recht" en "Gerechtigheid" liggen soms heel ver uit elkaar. Bij procederen om geldvorderingen gebeurd het wel dat er weinig overblijft van de vordering na betaling van de advocaatkosten, of blijkt, na een gewonnen procedure, dat het geld slechts gedeeltelijk of helemaal niet invorderbaar is, b.v. wegens faillissement van de schuldenaar. Vooral B.V.'s zijn daar berucht om. Men laat de zaak failliet gaan, en de feitelijke schuldenaar begint gelijk weer met een nieuwe, ongrijpbare, B.V. Soms kan men de schuldenaar persoonlijk van wanprestatie beschuldigen. Maar dan verzeild men toch weer in een jarenlange juridische strijd met een twijfelachtige uitkomst.

In het dagblad "De Telegraaf" van 3 april '93 merkte de toen pas benoemde hoogleraar Burgerlijk Procesrecht, prof. Brinkmeijer, hierover op: "Het heeft weinig zin zich in een jarenlang conflict te storten, waarvan de uitkomst een fiasco zal zijn". Samenvattend stelde hij: "Rechtszaken waarvan alleen advocaten beter worden; liever akkoord met een schikking voor de helft van het bedrag waarop je recht hebt dan naar de rechter om te procederen; niet procederen als het om minder dan 20 000,- gaat; een proces winnen en dan toch met lege handen achter blijven".

Dr. P.J. van Koppen en mr. dr. Malsch hebben een onderzoek gedaan (De Telegraaf van 3 oktober '92) naar de afwikkeling van civiele procedures. Uit het onderzoek bleek dat 45 % van de mensen die een rechtszaak wonnen, na drie jaar nog helemaal niets van het hen toegewezen bedrag hadden gekregen. Na zo lang wachten geven de meesten het maar op. In 8% van de gevallen werd alleen een deel van het bedrag, waar de schuldeiser recht op had, daadwerkelijk betaald. Het is niet te verwachten dat nadien daarin enige verbetering is opgetreden.

Uit een commentaar over genoemde opvattingen van prof. Brenninkmeijer, in het Advocatenblad van april '93, blijkt dat de advocatuur daar niet zo blij mee is. Maar wat kunnen we anders verwachten? Advocaten hebben nu eenmaal een andere denkwijze (en soms belang) dan de cliënt. Een toezegging van een advocaat onder vier ogen heeft geen enkele waarde als er zich later meningsverschillen voordoen. Een advocaat wordt op zijn woord geloofd door de rechter. Maar als tegenpartij moet men over onweerlegbare bewijzen beschikken om gelijk te krijgen. En zelfs dan wordt een advocaat zijn leugens en verdraaiingen van feiten niet kwalijk genomen en maken Raad- en Hof van Discipline zo veel mogelijk gebruik van de, kwalitatief laag staande, argumenten van een aangeklaagde advocaat. Het Hof tracht dan zelfs nog de aandacht af te leiden van door klager aangevoerde bewijzen door uitvoerig in te gaan op buiten de klacht gelegen, niet gedocumenteerde, beweringen die door de advocaat worden aangevoerd.

McCormack, die na zijn advocatenpraktijk directeur van een grote zaak is geworden en in die functie als cliënt met advocaten in aanraking kwam, schreef in zijn boek het volgende: "Rustig en onbevooroordeeld de volgende vragen nalopen is de beste manier die ik heb gevonden om te kunnen beslissen wanneer ik wel of niet een advocaat nodig heb, of wanneer een meningsverschil wel of niet voor de rechtbank gebracht moet worden".

  1. Is er voor het probleem absoluut een juridische oplossing vereist, of kan het op een andere manier worden aangepakt b.v. door een zakelijke transactie of door onderhandelingen?
  2. Als men aan een aanklacht denkt, bestaat er dan een redelijke kans om profijt te trekken van een uitspraak? Is de tegenpartij failliet? Kan de tegenpartij de indruk wekken failliet te zijn? Is het principe waarom het gaat zo wezenlijk dat men zich niet kan veroorloven.