Fusie van Waterschappen in Limburg


EuroStaete . . . EKC . . . Milieu . . . Klokkenluiders <====> SDN . . . Milieudefensie


      Dr. W.F.A. Heemskerk
      Waterjurist
      Julianastraat 64
      6101 HJ ECHT
      Tel: 0475 481523

    A: Inleiding en probleemstelling

Momenteel zijn in ons land het instituut van het waterschap, de waterstaat en de waterhuishouding volop in beweging. De oorzaak daarvan ligt in de totstandkoming van diverse wetten: de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (1970), de Wet Bodembescherming (1986), de Wet op de Waterhuishouding (1989), de Organieke Waterschapswet (1992) en de Wet op de Waterkering (1996). Als belangrijkste (Rijks)nota's dienen te worden vermeld: "Omgaan met water ( naar een integraal waterbeleid)", de Derde Nota Waterhuishouding "Water voor nu en later" (TK 22150), de Evaluatienota "Water" (TK 21250, nr. 2728) en de ontwikkelingen rond de creatie van de Vierde Nota Waterhuishouding (inclusief de stroomgebiedsbenadering) als regeringsvoornemen 1997.

    Daarnaast kan het meer geïntegreerd water- en milieudenken uiteraard niet los worden gezien van visionaire rapporten als "Our Common Future" (1987) en het resultaat van de V.N. conferentie in 1992 in Brazilië (UNCED). Wij weten echter dat vele strategieën door veranderingen in het klimaat op losse schroeven kunnen komen te staan. Ook leren wij in onze delta Nederland van overstromingen, die plaats vonden in 1953, 1993 en 1995 ,zeker wat de relatie waterbeheer en ruimtelijke ordening aangaat. Hierdoor werd overigens weer eens aangetoond, hoe afhankelijk wij van het aangrenzende buitenland zijn.

      B: Rapport Berenschot c.a.

    In navolging van Twijnstra/ Gudde (begin 1997) kwam in 1997 Berenschot met een rapport over een nieuw waterschapsbestel in Limburg annex een personeelsformatie hiervoor. Gedegen rapporten, dat moet gezegd. Toch kunnen wij ons voorstellen dat de "decisionmakers" en anderen gebaat zijn met een wat meer bestuurskundige dan bedrijfsmatige visie. Ook dient ons inziens minder geschroomd te worden in te gaan op het praktisch functioneren van onze Limburgse waterbeheerders, waarbij stellig de (verstoorde) waterhuishouding in Midden-Limburg en delen van Noord-Limburg in ogenschouw dient te worden genomen. Mede op deze aspecten, en op het 'wezen' van het (helaas nog veel te onbekende) functionele waterschap richt zich dan ook deze aanvulling/bijstelling.

    Om wille van de logische lijn zouden wij echter eerst wat willen poneren over de geografische en geohydrologische gesteldheid van de provincie Limburg, in nauwe relatie met het omliggende buitenland. Zou het niet passend zijn geweest als genoemde rapporteurs en ook Prof. Korsten en Dr. Tonnaer dat wat meer gedaan hadden?

    Gezien de samenhang met aspecten van de internationale rivier de Maas, die over een grote lengte Limburg doorsnijdt, menen wij dat een meer geïntegreerd waterbeheer in Limburg in de vorm van een fusie tot één all-in waterschap geadstrueerd kan worden. Mogelijk kan daarbij dan - eventueel via een speciale begeleidingscommissie - nog meer aandacht worden geschonken aan de nieuwe bepaald niet geringe taakstelling van dat all-in waterschap, in relatie tot de ambtelijke en bestuurlijke toerusting. Evident lijkt ons dat bij een dergelijke constellatie de hoofdzetel in het centrum van Limburg, in de (aan de Maas en Roer gelegen) stad Roermond dient te komen. En laat men niet al te lang met een reorganisatie /fusie wachten, want de nieuwe verkiezingen voor waterschappen liggen al dichtbij, t.w. op 1 juli 1999.

    Natuurlijk kan in het licht van zulk een groot waterschap ( met ca. 220 000 ha. qua oppervlak het grootste van ons land) niet voorbijgegaan worden aan de inhoud van de begin 1997 vastgestelde Europese Richtlijn tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid. Voor stroomgebieden (in verschillende landen gelegen) zal vóór 31-12-2004 een 'beheersplan' bekend gemaakt dienen te worden, op basis waarvan maatregelen genomen kunnen worden. Voor een provincie als Limburg met haar befaamde 'Grensmaas' en andere grensoverschrijdende rivieren als Roer, Geul, Niers en Swalm, die voor een deel in de invloedssfeer van de Duitse bruinkoolwinningen liggen, is zulks van grote importantie. Ook zal dit niet ontsnappen aan de aandacht van het ' ZEBRALIM-verband', waarin onze provincie 'internationaal' participeert.

      C: Het waterschap staatsrechtelijk

    Op basis van art. 133 van onze Grondwet (Staatsblad 1983, nr.70) kunnen onze Provincies als oprichters en - mede in het licht van de organieke Waterschapswet 1992 - als toezichthouders van de waterschappen worden aangemerkt. En het moet met Taeke Stol gezegd worden: wij kunnen maar wat trots zijn op deze van oudsher (al van begin 12e eeuw) 'gestructureerde, van onderop gegroeide' instituties. Want het water was altijd voor ons een natuurlijke vijand, ook al kunnen wij er als eerste levensbehoefte, evenmin als planten en dieren, buiten. Dank zij water is er leven op aarde.

    Nederland is opgedeeld in drie bestuurslagen, t.w. het Rijk, de provincies en de gemeenten (zijnde algemene democratieën). Gemeenten en waterschappen (met allerlei termen aangeduid) zijn daarbij nevengeschikt. Voor een optimale taakuitoefening is het nodig dat er een onderlinge afstemming en coördinatie van beleid plaats vindt, zoals in de ruimtelijke ordening. Met A. van Hall kwalificeer ik HET WATERSCHAP als een doelcorporatie 'van functionele aard' met slechts bepaalde taken in het algemeen belang. De instelling wordt wettelijk gedragen door het beginsel: belang, betaling, zeggenschap met aantekening, cf. Berenschot, dat de laatste tijd meer de nadruk is komen te liggen op het 'groepsbelang' van deze 'waterstaatkundige' eenheden. Anders gezegd: waterschappen zijn (functionele) openbare lichamen, die de waterstaatkundige verzorging van een bepaald territoir ten doel hebben; zij zijn belast met de zorg voor de kering van water en die van de waterhuishouding, ev. met (vaar)wegenzo rg. Juist die bepaalde taken, met overigens een 'link' naar natuurbehoud, landschapsbescherming en recreatie, onderscheidt deze instellingen van provincies en gemeenten, ook wel algemene democratieën genoemd.

      D: De provincies en het Rijk

    De Provincie - oprichter derhalve van waterschappen krachtens de Grondwet - heeft in het raam van het waterbeheer een belangrijke coördinerende en toezichthoudende functie. De Provincie (ook nog 'grondwaterbeheerder' krachtens de grondwaterwet 1981) stelt, rekening houdend met Rijksnota's en wetten, een provinciaal waterhuishoudingsplan op. Hierin zijn de hoofdlijnen van haar beleid opgenomen. Zij is primair verantwoordelijk voor de afstemming van relevante gemeentelijke plannen en het operationeel waterbeheer. Zij heeft het 'goedkeuringsrecht' van gemeentelijke bestemmingsplannen. Zij toetst daarbij of beleid en besluiten van de Waterschappen al dan niet in strijd zijn met het algemeen belang of het recht. Kortom: in de tegenwoordige staatsrechtelijke structuur is de provincie primair verantwoordelijk voor de inbedding van de functionele democratie in de algemene democratie, hetgeen voorwaar geen geringe opgave is.

    In een provinciaal waterhuishoudingsplan kan de Provincie ook haar beleid inzake overstromingen beschrijven (van belang o.a. in verband met waterrampen zoals die in 1993 en 1995). Hier ligt ook een 'link' naar de ruimtelijke ordening: denk b.v. over het al dan niet mogen bouwen krachtens gemeentelijke bestemmingsplannen in de uiterwaarden. Even - om niet al te zeer uit te weiden - moeten hier worden vermeld: de Deltawet grote rivieren, (een bijzondere wet van 1995), het plan Boertien II en de wettelijke bevoegdheden van waterschappen bij dringend of dreigend gevaar. Voor wat het Rijk betreft, kan worden verwezen naar de op stapel staande Vierde Nota Waterhuishouding (zie "Waterkader"; regeringsvoornemen Min. van Verkeer en Waterstaat d.d. september 1997). Deze nota zal ook van belang zijn in verband met de internationale 'stroomgebiedbenadering', (zie NW 4).

      E: Betekenis internationaal waterbeheer

    Het is juist het aspect van het 'integraal waterbeheer' dat, om met van Hall te spreken, TOT EEN BREDE KIJK UITNODIGT. Dit beheer beoogt recht te doen tussen de interne samenhangen in de waterhuishouding (oppervlaktewater en grondwater) en de externe samenhangen tussen waterhuishouding en andere beleidsterreinen zoals ruimtelijke ordening , milieubeheer en natuurbeheer. Natuurlijk heeft dit integraal waterbeheer belangrijke gevolgen voor de manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen. Zij noodzaakt tot een ruime visie, wat ook weer past in de zorgplicht van de relevante overheid t.o.v. de bewoonbaarheid van ons land, ex artikel 21 van de Grondwet.

    Het zal overigens niet verbazen dat ook andere auteurs bij 'integraal waterbeheer' de internationalisering betrekken. Dan komen terminologieën (met ook ruimtelijke consequenties) aan de orde als: 'international drainage basin', 'stroomgebiedbenadering', 'watersysteembenadering', 'international joint commission for boundary-waters USA-CANADA', en 'internationale waterschappen': (cf. Grijns-Wisserhof/Wessel/Heemskerk). Van belang in dit raam is - behalve de Helsinki Rules van 1966 en de teneur van bepaalde Europese richtlijnen - het verdrag van Helsinki van 1992 inzake de kwaliteitsverbetering van grote rivieren. Wat b.v. nog aan de kwaliteit van de Maas mankeert, weten wij uit berichten over massale lozingen van Belgische riolen, Cockerill-Sambre en zelfs kerncentrales in de Maas. Hier doen wij nog een schepje op met o.a. bestrijdingsmiddelen voor de landbouw. Het Maasactieplan biedt daartegen onvoldoende soelaas. Die diffuse verontreiniging gaat nog een groot probleem worden.

      F: Klimaat: een nieuwe bedreiging

    Het is voorts duidelijk geworden dat veel goede 'bestuurlijke' voornemens voor de komende tijd onvoldoende effect zullen sorteren. Het is namelijk niet zo'n mooi vooruitzicht, als wij lezen dat de komende eeuwen de zee met mogelijk 10 cm. per eeuw zou stijgen en gelijkertijd de bodem zou dalen. Dit als de klimaatsveranderingen, juncto het broeikaseffect, zich doorzetten.

    Volgens de gegevens van het 'Intergovernmental Panel on Climate Change' van 1995 staan ons voor de naaste toekomst merkbare temperatuurverhogingen te wachten, meer hittegolven en veel meer neerslag (ook buiiger). Deze veranderingen tezamen met een merkbare bodemdaling kunnen forse gevolgen hebben voor het huidige peilbeheer en de bewoonbaarheid, ook van de provincie Limburg. Een en ander betekent een tijdige bezinning in geïntegreerd kader op diverse functies, ook b.v. wat de aantallen en hoogtes van kades betreft. En dan heb ik het nog niet eens over andere mogelijke (water)rampen en aardverschuivingen, die ons vanuit het omringende buitenland bedreigen zoals b.v. begin 2000 via Garzweiler II bij Erkelenz (West - Duitsland). Bezinning op functies en taken betekent echter tegelijk bezinning op nieuwe aangepaste organisatiestructuren.

    Voor de goede orde: we kennen nu voor Limburg de met kwantitatieve zorg belaste waterschappen Roer en Overmaas (Sittard)en Peel en Maasvallei (Venlo) alsmede het met kwalitatieve zorg belaste (Waterschap) - Zuiveringschap Limburg te Roermond. Waterbeheer ligt voorts bij het Rijk (zorg hoofdwatersysteem), de sturende Provincie (grondwaterbeheer) en Gemeenten (rioleringen e.d.). Per 1-1-1994 is het Reglement van het Waterschap Roer en Overmaas 'aangevuld' met de (belangrijke) zorg voor waterkeringen, kades etc., met het oog op het beperken en voorkomen van wateroverlast.

      G: 'Waterkader' Limburg cum annexis

    Om een goed overzicht te krijgen in de waterproblematiek van de grensprovincie Limburg (nodig voor een bezinning op de organisatiestructuur) kan o.i. een korte geografische en geohydrologische verhandeling niet worden gemist. Wij doen dit op het voetspoor van Ir. Thomaes. Wij zullen daarbij ontdekken dat Limburg in dit opzicht in een heel bijzondere positie verkeert. Als langgerekte grensprovincie (ca 125 km) met voor een zeer groot deel bijzondere hoogteligging en geologische gesteldheid verkeert zij qua waterhuishouding in een unieke toestand. Zonder twijfel is dit een aspect dat in de beschouwingen rond een fusie van waterbeheerders dient te worden betrokken. Ook hier constateren wij een lacune in o.a. het rapport Berenschot.

    In de hoogte varieert het gebied van ongeveer 320 m. + N.A.P. in het zuidelijk deel tot ongeveer nog altijd 10 m. + N.A.P. in het noordelijk deel van de provincie, aldus o.m. Thomaes. Met haar ligging in het 'voorland' van de Ardennen en de woeste Eifel waardoor de Roer (zijrivier van de Maas) stroomt, die gekenmerkt wordt door haar imposante stuwmeren zoals die Rurtalsperre Schwammenauel, blijft Limburg toch nog een onderdeel van de Delta Maas en Rijn, Dit maakt haar dubbel en dwars kwetsbaar. Wij weten immers ook hoe de Roer (" die Ruhr"), ook Wilde Roer genoemd, onder invloed van klimaatwisselingen in de Eifel te keer kan gaan. Haar overstromingen in het verleden, zoals in de 60er en 70er jaren, met zeer grote schade voor de boeren in de Roerstreek, gaven meermalen aanleiding tot vragen in de Tweede Kamer der Staten - Generaal. Zie b.v. T.K. 1964-65, aanhangsel Handelingen pag. 326 en 327, vragen van Ir. Horsmans en antwoord minister Suurhoff.

    Het is daarbij in confesso, dat door de sterke toename van de bevolking, de verbetering van de welvaart, de toegenomen industrialisatie en stellig ook de intensivering in de landbouw o.a. de behoefte aan oppervlakte- en (schaars) grondwater behoorlijk toegenomen is. En dit niet alleen voor de drinkwatervoorziening. Hierdoor vond echter ook een sterke toename plaats van de verontreinigingen in datzelfde water. Daarbij stapelen 'milieudelicten' zich op, vaak aan de andere zijde van de grens (men denke b.v. aan Cockerill - Sambre met Gewest Wallonië als aandeelhouder), maar ook bij ons. Hiervoor moeten grote bedrijven en ook de landbouw vaak de hand in eigen boezem steken. Het is daarbij evident dat het Europees beginsel 'de vervuiler betaalt' in de meeste gevallen geen effect sorteert. Dit is uitermate schadelijk voor benedenstroomse staten als Nederland. Hoe dan ook: alle verontreinigde stoffen (zelfs het rioolwater van diverse steden in België), die in Frankrijk, Zwitserland, Duit sland en België in de Maas en Rijn worden gedumpt, komen in ons land terecht. Wij zelf doen er nog wat boven op.

      H: De Maas, centraal en bindend gegeven

    Het is een zeer uitzonderlijk gegeven, dat een provincie zoals Limburg, geheel in de lengte doorsneden wordt door een internationale rivier als de Maas. Zij wordt in de rivierenwet van 1908 (met bepalingen over rivierprofiel, winterbed etc.) ondergebracht bij de 'voorname rivieren en stroomen des Rijks'. Daarbij is zij voor een groot deel grensscheidend met België en Noord-Brabant. Haast nergens liggen de grenzen van de provincie op een grotere afstand dan 35 km. van de Maas. Dit is - in samenhang met het stroomgebied van haar zijrivieren: Roer, Geul, Niers en Swalm - heel frappant, zeker ook in het licht van aspecten van de waterhuishouding: hydrologie, geomorfologie en beheer.

    In dat totale territoir liggen dan ook nog landschappelijk opmerkelijke en beschermde gebieden als: het Zuid-Limburgse heuvelland, het nationaal park Meinweg bij Roermond/Roerdalen, de Hamert, de Groote Peel en ( in wijder dimensie) het natuurpark Maas/Swalm/Nette. Noord- en Midden-Limburg ten westen van de Maas maken een onderdeel uit van het Limb./Brab. Peelgebied. De ontginning juncto vervening aldaar zijn oorzaak van een forse vergroting van de waterafvoer. Dit is uit het oogpunt van waterhuishouding zorgelijk.

    Bovenvermelde grens met België ligt - volkenrechtelijk gezien - in het midden van de meanderende Grensmaas (van Borgharen tot Stevensweert), in de vaktaal "Talweg" genoemd. Bekend is het - na de overstromingen in Limburg in 1993/1995 - gelanceerde (o.m. door het WNF gepromote) Natuurontwikkelingsplan Grensmaas, dat tezamen met verbeteringen in de Zandmaas en de Maasroute (DE MAASWERKEN) Limburg veiliger en nog mooier zal maken. Dit dient - het zij herhaald - toch ook in een innoverende benadering van de beheersproblematiek te worden meegenomen.

    Thomaes - en in zijn voetspoor andere schrijvers - beklemtonen het belang van de Maas als ruggengraat van Limburg. Zij adstrueren dat deze internationale (regen)rivier met diverse grensoverschrijdende zijrivieren (deels 'grenswateren' in de zin van het Grensverdrag 1960) een gewichtig stramien is voor de doorvoer van water uit het buitenland. Tezamen met de volledig op provinciegebied aanwezige grotere beken is dat stramien - zijnde het primaire en secundaire systeem - van enorme betekenis voor het afvoeren van overtollig water en voor de waterhuishouding van de ondergrond. Daarbij kunnen die systemen ook weer niet los worden gezien van de ca. 2000 km. waterlossingen in het zgn. tertiaire systeem in deze grensprovincie.

    Hydrologisch gezien is de stroomrichting van zowel grondwater als oppervlaktewater uit het aangrenzende buitenland op Limburg gericht. Dat is dus vanuit het oosten en het zuiden naar en in de Maas, die ook uit westelijke richting vrijwel alles opvangt. Het gaat hier dus ook om toestroming van het kostbare grondwater.

      I: Nog iets over de afhankelijkheid van het buitenland

    Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat Nederland en Limburg voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van de wijze waarop in het aangrenzende buitenland het toestromende oppervlaktewater en het grondwater beheerd worden, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin. Feit blijft dat onze Limburgse waterbeheerders daarop tot heden veel te weinig invloed hebben en krachtens het grensverdrag Nederland/Duitsland 1960 en krachtens het Maasactieplan van de Staten en Belgische gewesten. De tot op heden bereikte 'bestuurlijke' resultaten - hoe sympathiek die ook overkomen - zijn beslist te weinig effectief. Zij beperken zich tot 'overeenkomsten' met Duitse waterbeheerders over het onderhoud van watergangen alsmede voor wederzijdse afvalwaterzuivering.

    Niet voor niets pleitte de auteur dezes al jaren geleden (diss. '85 RU Utrecht) voor een 'internationaal waterschap' voor het grenswater de Roer/die Rur met enkele krachtige bevoegdheden, juist omdat er hier te weinig bestuurlijke grip op die Roer bestond. Al eerder duidde hij erop dat die wilde Roer, onder invloed van weersomstandigheden in Eifel en Ardennen, alsmede door een door Duitse autoriteiten bevorderde grootschalige 'normalisering' van die rivier (waardoor de grote watermassa's met meer kracht en snelheid naar Limburg worden gestuwd) voor ons een kommervolle zaak is. Sindsdien is echter nog te weinig bereikt. Misschien komen daarvoor meer kansen als grotere waterbeheerders met meer gezag en invloed aan beide zijden van de grenzen zich over de problematiek zouden buigen, met tegelijkertijd een aanpak van een harmonisering van de wetgeving.

    Even terug naar de geohydrologie: Limburg kan geohydrologisch - gelet op enkele zuidoost/noordoost lopende breuken - in vier gebieden worden opgedeeld. Te weten: Zuid - Limburg, de Roerdalslenk, de Peelhorst en de Slenk bij Venlo. Die deelgebieden worden van elkaar gescheiden door de volgende breuken: de Feldbiss, de Tegelenbreuk en de Peelrandbreuk. Laatstgenoemde is vooral bekend geworden als oorzaak van de aardbeving die op 13 april 1992 in de omgeving van Roermond met een kracht van 5,8 op de schaal van Richter plaats vond. Het zijn ook die breuken die de grondwaterstand beïnvloeden vanwege het bindend element 'de Maas' , en de elkaar beïnvloedende zorgvelden.

    Mede in het licht van de toekomstige waterproblematiek, (straks wereldprobleem nr. 1), lijkt het van groot belang dat juist die onderscheidene geografische gesteldheid en geohydrologische opbouw in geheel Limburg vanuit één centrale beheersorganisatie kunnen worden overzien. Door alles wat in en rond de Maas en de Maasplassen geschiedt(waarbij dan ook nog de verwijdering en opslag van het slib komen), alsmede de enorme onttrekking van kostbaar grondwater aan de bodem (met daarna pure verspilling ervan) e.a. door de West-Duitse bruinkoolwinning in dagbouw, is het nodig ons in Limburg sterk te blijven maken voor een krachtige (water)beheersvorm.

    Het feit dat de toestroom van grondwater in de onderste lagen, juist zo belangrijk voor de drinkwatervoorziening, met 25% zal verminderen (zie rapport N.V. Waterleidingmaatschappij Limburg d.d. juni 1995 inzake WML/Rheinbraun, pag. 5) geeft voor de Roerdalslenk in Midden-Limburg, de Peelhorst en de Slenk van Venlo zeer te denken. In datzelfde rapport kunnen wij lezen dat tussen 1995 en 1992 (pag.4) 38 miljard m grondwater aan de bodem onttrokken is door Rheinbraun A.G.. Dat is gemiddeld meer dan 1 miljard m per jaar. Dat is bijna zo veel als jaarlijks voor de totale drinkwatervoorziening van ons land nodig is. Met het jaarlijks verspilde - in het oppervlaktewater geloosde - kostbaar grondwater (ca.70%) uit die periode had Limburg voor ca. 300 jaar in de drinkwaterbehoefte kunnen voorzien.

    Maar welke waterbeheerder in Limburg durft daarover nog wat te zeggen? Zou dat de grondwaterbeheerder, de Provincie, niet welgevallig kunnen zijn? Een provincie die zich - gezien dit continu volkenrechtelijk onrecht - veel meer tot onze regering om hulp had moeten wenden! Het is niet genoeg als men belooft (waar staat dat zwart op wit?) vanuit het land N.W. t.z.t. de eventuele schade (ook van Garzweiler II) aan Limburg te vergoeden. De vraag moet hierbij overigens gesteld worden of de Provincie niet al te formeel interpreteert dat zij primair verantwoordelijk is voor de regionale - ook grensoverschrijdende (grond)waterstromen. Zij zou zich - geholpen door de jurisprudentie - (het Kalimijnenarrest van de H.R. van 23/9 -'88, R. vd W nr. 150) - ten deze veel meer moeten laten assumeren door onze regering. Nu is al de hoogte van de drinkwaterprijzen per m mede daardoor in Limburg in het geding. Overigens is dit slechts een van de grote waterproblemen van vooral Midden - Limburg.

      J: Waterbeheer in Midden - Limburg in een impasse

    Natuurlijk hebben de afgelopen jaren al onze Limburgse waterbeheerders, elk op hun terrein, goede resultaten bereikt. Men denke hier b.v. aan de uitvoering van de Noodwet 1995 (kadenplannen Maas en Roer), beheersplannen en tal van aspecten van kwantitatief en kwalitatief beheer, ook in de relatie met natuur en landschap. De investeringen op het belangrijke gebied van de zuivering zijn indrukwekkend. Zelf blijf ik echter soms grote vraagtekens zetten bij de bereikte resultaten op het grensoverschrijdend vlak, mede op basis van het Grensverdrag 1960, alsmede b.v. betreffende de soms al te voortvarende aanleg van vistrappen en de 'promotie' van de kleine waterkracht. Ook miste ik met anderen zeer het niet gezamenlijk optrekken tegen misstanden in het (grond)waterbeheer, zoals toch zeker in het zo kwetsbare Midden - Limburg het geval is. Het is verwijtbaar dat men de lacunes daar niet durfde aanpakken.

    Daarbij weten wij natuurlijk ook wel dat de huidige Provincie met een zware erfenis uit het verleden zit, zowel wat de grindproductie (voor de nationale behoefte) betreft als ook de onbegrijpelijke - veel te weinig bestuurskundig gewogen en veel te snelle - PRIVATISERING van ons bijzonder "publiek domein" (3000 ha. Maasplassen c.a.) in de vorm van N.V. Aqua Terra. Dit is thans een familieholding met onbekende aandeelhouders, waarop dezelfde provincie TOTAAL GEEN BESTUURLIJKE GRIP MEER HEEFT. Bij dit alles is ook het uiterst geringe bedrag zeer typerend (f.6.5. miljoen), waarvoor in 1986 die plassen door de provincie aan Aqua Terra zijn verkocht in een discutabele acte, alsmede de Package deal/Overall deal van 1993. Hiervan huiveren juristen als ik en vragen zich af hoe de Provinciale Staten en Kamerleden dit hebben kunnen laten passeren.

    Voor velen - met name insiders met enige juridische kennis op publiekrechtelijk terrein - is ook niet meer duidelijk waar precies de competenties in de publiek. en privaatrechtelijke sfeer liggen. Voor de burgers, die zich overigens nog niet zo best voor kunnen stellen wat een 'waterschap' is, zou méér en betere voorlichting passen. De nieuwe "Waterkrant" leek aanvankelijk een succes, maar blijkt nu meer een 'oratio pro domo' te zijn, omdat men niet open staat voor kritiek. Ook zaken als verontreiniging via de Maas van de Brabantse Biesbosch (drinkwaterbassin) zouden best wat meer aandacht kunnen krijgen.

    Laten wij nog eens op een rijtje zetten door welke handelingen van waterbeheerders - met name van de 'sturende' Provincie, belast met operationeel grond - waterbeheer - het vertrouwen van de burgers in hen zeker afgenomen is, wat alleen al tot grote herbezinning noopt. Het gaat hier vooral om de kwetsbare regio Midden - Limburg:

    1. De geruchtmakende, door de Provincie mede gestimuleerde, zgn. samenwerkingsovereenkomsten (zgn. 'smeergeldcontracten') van einde 1980 tussen gemeenten en grindproducenten;

    2. Een voor het algemeen belang schadelijke Package/Overall Deal van 15 - 2 - 1993, een puur privaatrechtelijk akkoord tussen Provincie, grindproducenten en NV. Aqua Terra. thans een familieholding met anonieme aandeelhouders, over 3000 ha. Maasplassen, waarop de Provincie geen enkele grip meer heeft. Er gaat daarin heel veel geld voor investeringen om, voor massale bouw van vacatiënhuisjes op of nabij 'vergiftigde' oevers.

    3. In het recent boek van W. Heemskerk over Limburgs Waterbeheer werd niet voor niets gepleit voor een onafhankelijk onderzoek naar het bestuurlijk en financieel/economisch reilen en zeilen van het weinig fraai geestesproduct (1985) van de Provincie Limburg: NV. Aqua Terra en dat niet alleen naar de rol van de destijds in the picture zijnde 'Panamese Vennootschap'.

    4. De weinig subtiele (in het bestuursrecht ongebruikelijke) presentatie van de M.E.R. procedure (milieu-effectrapportage) vuilslibdeponie Molengreend Maasbracht: VAN TWEE COMPETENTIES IN ÉÉN HAND VAN HET PROVINCIEBESTUUR, T.W. INITIATIEFNEMER EN BEVOEGD GEZAG.

    5. Het voor de burgers onbegrijpelijke feit dat een fraaie recreatieplas als de Molengreend - nota bene met gemeenschapsgeld uit het grindfonds ingericht - door alweer Aqua Terra (nieuwe stijl) voor een ongetwijfeld goede prijs voor genoemd doel zal worden verkocht aan een rijksinstelling, de directie Limburg van Rijkswaterstaat.

    Voegt men hierbij de andere punten van reginale zorg, (hieronder genoemd), dan kan men toch nimmer beweren dat wij zeer tevreden zijn over het huidige waterbeheer in het Limburgse, de 'individuele' prestaties niet te na gesproken!

      Materieel:

    • De genoemde West-Duitse bruinkoolwinningen vlak bij onze grens. Ondanks aangetoonde 'causale' verbanden tussen winning en verdroging wordt door de Provincie en NV. waterleidingmaatschappij het Land N.W., c.q. Rheinbraun AG. niet juridisch aangepakt.

    • De macabere vergiftiging van de M.L. bodem met, zoals gesteld, de mogelijkheid van uitloging van het gif in het grondwater (Provincie is beheerder daarvan); 15-25 miljoen ton giftig mijnsteen en -slik in de bodem, door de Provincie er 'illegaal' in gedumpt. Dit is een tijdbom die t.z.t. zal afgaan. Men bedenke hierbij dat de stortingen b.v. in de Roes en Kuilkensgreend dichtbij de Grensmaas en het grondwaterbeschermingsgebied liggen!

    • De verstoring van de waterbalans (nu nog) door de massale grindwinningen voor de nationale behoefte, zulks 'onder patronage' van het Provinciebestuur. De bewoners in de regio stonden vrijwel buiten spel. (Men herinnere zich in deze Thieu Stakenborg).

    • De door velen (ook door slechte en tegenstrijdige voorlichting) niet begrepen ontwikkelingen: massale bouw van vakantiehuisjes, groot horecabedrijf etc. op de kwetsbare oevers van de Boschmolenplas in Panheel, die als fase B (ook genoemd in de Package deal 1993!) door zijn ligging in het grondwaterbeschermingsgebied fundamenteel samenhangt met fase C ( = het nieuwe drinkwaterbassin Panheel). Hoe denkt de NV. Waterleidingmaatschappij Limburg eigenlijk hierover? En wat denken de andere waterbeheerders daarover, die bij dit soort zaken toch ook belangen hebben? (Immers alles hangt met alles samen!). Hoort men ze ooit? Waaruit blijkt het samenhangend denken?

      K: Formeel:

    1. De media hebben er vorig jaar uitvoerig melding van gemaakt: de provincie Limburg staat aan de kop van alle provincies inzake het gedogen van milieu-overtredingen ( het handelen zonder vergunning) . Daarvan zijn diverse voorbeelden aan te halen, zoals b.v. ENCI en DSM (zie ook mijn boek). Waar bleef b.v. de controle van de Provincie bij de enorme benzeenlozing van DSM (ontdekt in februari 1996), waarbij volgens eerste berichten 180000 liter benzeen in de bodem lekte. Daarna bleek dat 480000 liter van dit kankerverwekkend spul te zijn en nu volgens de Limburger d.d. 4-2-98 niet minder dan 690000 liter. Waarom faalde hier de Provincie? Wat doet het O.M.? Wat deden of doen de andere waterbeheerders? Weer zwijgen ze als een graf. WATERBEHEERDERS: ZIE het provinciaal milieubeleidsplan 1995 - 1998 (d.d. 17-2-1995), deel e pag. 4 Handhaving 20.2. Wat doet U daaraan?

    2. Dat de provincie moeite heeft met het stellen van prioriteiten, wisten wij in Midden-Limburg al lang. Zelfs over een eventuele sanering van de gevaarlijke In de Roes in Ohé weten wij nog niets (zie rapport Dr. J.A. van Kemenade: Dichter bij de toekomst (d.d. 22.02.1996).

    3. Minder goede ervaringen, ook opgedaan bij het (kwantitatieve) Waterschap Roer en Overmaas te Sittard: een weinig inzichtelijke presentatie van maatregelen en besluiten in de media; de te late inning van belastingen; het qua hoogte van belastingen (zo qua kadenbelasting) niet op één lijn liggen met anderen en dit te weinig verklaren; de soms al te enthousiaste aanleg van (onaantrekkelijke) visoptrekken en de nog al eens stroeve houding t.o.v. eigenaren/exploitanten van monumentale watermolens /waterkrachtcentrale met oude molen- en stuwrechten.

    4. Moet dus om dat alles een wat negatief oordeel geveld worden over het gezamenlijk te voeren (water)beleid, negatief wordt ook door burgers ervaren, dat zich in het Limburgs Waterschapswezen casusposities voordoen, die het gevaar van belangenverstrengeling inhouden. Neem b.v. het feit dat de voorzitter van het Waterschap Roer en Maas tevens lid is van het dagelijks bestuur van het (waterschap) Zuiveringschap Limburg is. Voorts dat thans nog de (zeker niet toe te juichen) mogelijkheid bestaat, dat ambtenaren(adviseurs) van b.v. het Zuiveringschap Limburg deel uit kunnen maken van vertegenwoordigende lichamen van de andere waterschappen in Limburg. Verder dat in de (toch ook belanghebbende) NV. Waterleidingmaatschappij Limburg, welke ook bij de grondproblematiek betrokken is, twee leden van G.S. deel uit maken van de Raad van Commissarissen.

    Zeker zal men bij de bezinning over een fusie van waterschappen ook aan dit soort zaken moeten denken. Mijn totale indruk is (na ca. 20 jaar ervaring in het waterschapswezen), dat er - ondanks veel positiefs - nog heel wat in het raam van samenhangend denken en elkander open en oprecht beïnvloeden te 'verhapstukken' is in het Limburgse land.

      WAT VOORAL NODIG IS, IS DAT DE WATERSCHAPPEN IN DE VERHOUDING MET DE BURGERS HUN GESLOTEN EN ONPERSOONLIJKE 'KARAKTER' OMBUIGEN.

    Het maatschappelijk draagvlak van het watershap is bij ons nog te gering, in tegenstelling tot andere delen van ons land, die al van oudsher tegen het water strijd moesten leveren.

      L: Finale aanvulling

    Bij de afsluiting van dit stuk nemen wij nog kennis van een bericht in het Limburgs dagblad d.d. 5-2-1998 van L. Schellen. Uit een promotie-onderzoek van dhr. van Geleuken bij de K.U. Nijmegen blijkt, dat vooral in de omgeving van stedelijke gebieden, o.a. in Limburg, de GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN door de Provincie (op basis van de voldoende mogelijkheden biedende milieuwetgeving) onvoldoende tegen vervuiling beschermd worden. Dit betekent weer een extra gevaar i.v.m. de bereiding van drinkwater.

      M: Samenvatting


WAAROM ER EEN ALL - IN WATERSCHAP
VOOR LIMBURG MOET KOMEN:

    • Omdat één professioneel all-in waterschap in de grensprovincie Limburg ( in de gehele lengte doorsneden door de Maas) vanuit een helicopterview een meer efficiënte bijdrage kan geven aan een intern en extern samenhangend beleid. Hierin ontbreken nu een gecoördineerde goede voorlichting, een op elkaar afgestemd beleid en een echte sturing van de waterhuishouding, terwijl met name het GRONDWATERBEHEER van de Provincie blijkens diverse voorbeelden, ook i.v.m. de volksgezondheid veel te wensen overlaat.

    • Omdat een dergelijk grote onafhankelijke, PUBLIEKRECHTELIJKE functionele organisatie aan de NV Aqua Terra (een familieholding met anonieme aandeelhouders) het nodige tegenwicht kan geven. Dit in 1985 geschapen 'wanproduct' van de Provincie, (waarop zij geen enkele grip meer heeft), heeft n.b. het privaat beheer over 3000 ha. Maasplassen, voorheen voor een groot deel "publiek domein". Dit is een territoir driemaal zo groot als de Loosdrechtse plassen. Voorwaar een zware bestuurlijke erfenis uit het verleden.

    • Omdat een dergelijke grote organisatie eindelijk eens een behoorlijke rol kan spelen in een meer samenhangend grensoverschrijdend waterheer (zie ook de literatuur), nu alle grond- en oppervlaktewater vanuit het buitenland Limburg binnenkomt. ( Denk hier aan de gevolgen van de West-Duitse bruinkoolwinningen). Opmerkelijk is in dit kader de in 1993 in Nordrhein-Westfalen de tot stand gekomen grote fusie van Wasserverbände in het gebied van het Talsperrenverband Eifel- Rur en wel bij 'Gesetz'. Wat betreft de 'stroomgebiedbenadering' c.f. de Europese Richtlijn 1997 kan Limburg niet achterblijven.

    • Omdat het onbegrijpelijk en onvergeeflijk is, dat de gezamenlijke waterschappen (en ook de belanghebbende NV Waterleidingmaatschappij Limburg) hun stem niet hebben verheven t.o.v. de grondwaterbeheerder Provincie. Deze liet niet alleen de waterbalans verstoren door haar beleid t.o.v. de grindwinning in Midden-Limburg, maar ook door daar een enorme gifbelt te creëren en in stand te houden. Deze macabere gifbelt (van 15-25 miljoen ton mijnsteen en -slik met het risico van uitloging van zwaar gif in het grondwater).

    • Omdat het bij één grote all-in organisatie beter mogelijk is, belangenverstrengeling in het waterbeheer uit te bannen.

    • Omdat, cf. Berenschot, bij één all-in waterschap het zuiveringsbeheer voordelen biedt, omdat het de concurrentie met "marktpartijen" beter aan kan.

    • Omdat de binding met de onderscheiden regio's inderdaad kan worden onderhouden door alerte (adviserende) regiocommissies ('waterwachten'), die in overleg met de gewesten opgezet kunnen worden. Overigens is onder alle omstandigheden een goede 'begeleiding' van het proces personeelsformatie dringend gewenst.

    • Omdat (c.f. Berenschot pag. 37 e.v.) bij de redelijk te verwachten besparingen op personeel, gebouwen etc. één all-in waterschap voor de belastingbetalende burgers/ingelanden het beste perspectief biedt.

    HET ZOU ZEER TE HOPEN ZIJN, - ook al om in Midden-Limburg en delen van Noord-Limburg wat goed te maken - , als alle politieke partijen in de Provinciale Staten zich zouden kunnen vinden in deze bestuurlijke oplossing. Deze is o.i. het meest ten faveure van het algemeen belang. Dit kreeg door allerlei 'links' naar de privaatrechtelijk sector te vaak onvoldoende aandacht.