Door: Leonard Kater
Verantwoording
De hier weergegeven versie van onze grondwet is een lichte opmaaktechnische bewerking van de officiële tekst van 29 maart 1996 met het oog op de leesbaarheid en de vindbaarheid van de artikelen. Tekstueel is er dus niets veranderd. Het nieuw toe te voegen Hoofdstuk NUL is uiteraard wel opgenomen: aan het begin.
Afgezien van enige mogelijke tikfouten zijn er drie verschillen met de officiële versie:
Hoofdstuk NUL:
Mensbeeld en Hogere regelingen
Hoofdstuk I: Grondrechten, 1 - 23
art. 1 Discriminatieverbod
art. 2 Nederlanderschap, uitlevering, uitzetting en landverlating
art. 3 Benoembaarheid in openbare dienst
art. 4 Actief en passief kiesrecht
art. 5 Recht van petitie
art. 6 Vrijheid van godsdienst
art. 7 Vrijheid van meningsuiting
art. 9 Vrijheid van vergadering en betoging
art. 10 Recht op privacy
art. 11 Onaantastbaarheid van het lichaam
art. 12 Binnentreden van de woning
art. 13 Het brief, telefoon en telegraafgeheim
art. 14 Onteigening
art. 15 Vrijheidsontneming
art. 16 Geen straf zonder wettelijke bepaling
art. 17 Wettelijke toegekende rechten
art. 18 Rechtsbijstand
art. 19 Recht op arbeid en medezeggenschap
art. 20 Sociale Zekerheid
art. 21 Bewoonbaarheid en leefmilieu
art. 22 Volksgezondheid, woongelegenheid, ontplooiing
art. 23 Onderwijs
Hoofdstuk II:
§1. Koning, 24 t/m 41
Art. 24 Vervulling Koningschap
Art. 25 Troonopvolging
Art. 26 Status ongeboren kind
Art. 27 Afstand van Koningschap
Art. 28 Aangaan Huwelijk
Art. 29 Uitsluiting troonopvolging
Art. 30 Voorziening bij ontbreken opvolger
Art. 31 Erfopvolging benoemde Koning
Art. 32 Beëdiging Koning
Art. 33 Minimum leeftijd koninklijk gezag
Art. 34 Voogdij des Konings
Art. 35 De Koning buiten staat koninklijk gezag uit te oefenen
Art. 36 Tijdelijk neerleggen uitoefening koninklijk gezag
Art. 37 Koninklijk gezag door Regent
Art. 38 Koninklijk gezag door Raad van State
Add.Art. X Formulieren voor eden en beloften
GW1972Art. 44 Eed of belofte van Regent
GW1972Art. 53 Eed of belofte van de Koning
GW1972Art. 54 Huldiging door Staten-Generaal
Art. 39 Lidmaatschap koninklijk huis
Art. 40 Uitkeringen aan leden koninklijk huis
Art. 41 Inrichting Huis van de Koning
§2. Koning en Ministers 42 t/m 49
Art. 42 Regering, ministeriële verantwoordelijkheid
Art. 43 Benoeming en ontslag van ministers
Art. 44 Instelling van ministeries
Art. 45 Samenstelling van ministerraad
Art. 46 Benoeming en ontslag
Art. 47 Ondertekening wetten en besluiten
Art. 48 Aanstellingsbesluiten ministers etc.
Art. 49 Procedure bij ambtsaanvaarding
Hoofdstuk III: Staten-Generaal, 50 t/m 72
§1. Inrichting en samenstelling: 50 t/m 64
Art. 50 Staten-Generaal
Art. 51 Aantal leden Staten-Generaal
Art. 52 Zittingsduur der Kamers
Art. 53 Verkiezingsgrondslag
Art. 54 Verkiezing leden Tweede Kamer
Art. 55 Verkiezing leden Eerste Kamer
Art. 56 Lidmaatschap Staten-Generaal
Art. 57 Onverenigbaarheden
GW1972Art. 106, vierde lid: krijgslieden
Art. 58 Onderzoek geloofsbrieven
Art. 59 Regeling kiesrecht en verkiezingen
Art. 60 Procedure bij ambtsaanvaarding
Art. 61 Benoeming voorzitter en griffier
Art. 62 Voorzitter Verenigde Vergadering
Art. 63 Geldelijke Voorzieningen
Art. 64 Ontbinding kamers
§2. Werkwijze: 65 t/m 72
Art. 65 Troonrede
Art. 66 Openbaarheid van vergaderingen
Art. 67 Quorum en stemmingen
Art. 68 Inlichtingenplicht
Art. 69 Aanwezigheid ministers etc.
Art. 70 Enquêterecht
Art. 71 Parlementaire onschendbaarheid.
Art. 72 Reglement van orde
Hoofdstuk IV: Raad van State, Algemene Rekenkamer en Vaste Colleges van Advies, 73 t/m 80
Art. 73 Taak Raad van State
Art. 74 Rechtspositie leden van de Raad van State
Art. 75 Wet op de Raad van State
Art. 76 Taak Algemene Rekenkamer.
Art. 77 Rechtspositie leden Algemene Rekenkamer
Art. 78 Wettelijke regeling Algemene Rekenkamer
Art. 79 Vaste colleges van advies
Art. 80 Openbaarheid van adviezen.
Hoofdstuk V: Wetgeving en bestuur, 81 t/m 111
§1. Wetten en andere voorschriften, 81 t/m 89
Art. 81 Vaststelling wetten
Art. 82 Indiening wetsvoorstellen
Art. 83 Wetsvoorstellen naar Tweede Kamer of verenigde vergadering
Art. 84 Wijziging wetsvoorstellen
Art. 85 Toezending aan Eerste Kamer
Art. 86 Intrekking wetsvoorstellen
Art. 87 Aanneming en bekrachtiging
Art. 89 Algemene maatregelen van bestuur
Add.Art. XIX Formulieren
GW1972Art. 81 Formulier van Afkondiging
GW1972Art. 123 Formulier naar Eerste Kamer
GW1972Art. 124 Formulier van Eerste Kamer
GW1972Art. 127 Initiatief van Tweede Kamer
GW1972Art. 128 Initiatief bij Eerste Kamer
GW1972Art. 130 Formulier van bewilliging of overweging
§2.a. Internationale verdragen, 90 t/m 95
Art. 90 Internationale Rechtsorde
Art. 91 Internationale verdragen.
Art. 92 Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
Art. 93 Verbindende kracht verdragen
Art. 94 Verdrag boven wetten
Art. 95 Bekendmaking verdragen en besluiten
Add.Art. XXI Over Internationale Verdragen
GW1972Art. 60 Internationale overeenkomsten
GW1972Art. 61 Goedkeuring verdragen
GW1972Art. 62 Verdragen zonder goedkeuring
GW1972Art. 63 Afwijking van grondwet
GW1972Art. 64 Over toetreding en opzegging
§2.b. Oorlogsverklaring en Landsverdediging, 96 t/m 103
Art. 96 Staat van oorlog
Art. 97 Rechtsgrond van de dienstplicht.
Art. 98 Krijgsmacht
Art. 99 Gewetensbezwaren
Art. 100 Vreemde troepen
Art. 101 Buitengewone dienstplicht:
Art. 102 Kosten legers
Art. 103 Uitzonderingstoestand
§2.c. Financiën, 104 t/m 106
Art. 104 Belastingen
Art. 105 Begroting
Art. 106 Geldstelsel
§2.d. Overige bepalingen, 107 t/m 111
Art. 107 Wetboeken
Art. 108 Nationale Ombudsman
Art. 109 Rechtspositie ambtenaren
Add.Art. XXIV Overgangsbepaling
Art. 110 Openbaarheid van bestuur
Art. 111 Ridderorden
Add.Art. XXV Adeldom
GW1972Art. 74, eerste lid:
Hoofdstuk VI: Rechtspraak, 112 t/m 122
Art. 112 Civiele en administratieve rechtspraak.
Art. 113 Strafrechtspraak
Art. 114 Verbod van doodstraf
Art. 115 Administratief beroep.
Art. 116 Rechterlijke macht
Art. 117 Rechtspositie leden rechterlijke macht.
Art. 118 Hoge Raad; cassatie
Art. 119 Berechting ambtsmisdrijven.
Art. 120 Verbod van toetsing aan grondwet
Art. 121 Openbaarheid, motiveringsplicht
Art. 122 Gratie en amnestie
Hoofdstuk VII: Provincies, Gemeenten, waterschappen en andere openbare lichamen, 123 t/m 136
§1. Provincies en Gemeenten, 123 t/m 132
Art. 123 Instelling gemeenten en provincies
Art. 124 Autonomie en medebewind
Art. 125 Provinciale en gemeentelijke organen
Art. 126 Ambtsinstructie van Commissaris van de Koning
Art. 127 Vaststelling verordeningen
Art. 128 Toekenning bevoegdheden aan andere organen
Art. 129 Verkiezing leden provinciale staten en gemeenteraad
Art. 130 Kiesrecht niet-Nederlanders
Art. 131 Benoeming commissaris van de Koning en burgemeester
Art. 132 Samenstelling en bevoegdheden besturen
§2. Waterschappen en openbare lichamen, 133 t/m 136
Art. 133 Waterschappen
Art. 134 Openbare lichamen
Art. 135 Instelling nieuw openbaar lichaam
Art. 136 Geschillen tussen openbare lichamen
Hoofdstuk VIII: Herziening van de Grondwet, 137 t/m 142
Art. 137 Procedure grondwetswijziging
Art. 138 Aanpassing ongewijzigde bepalingen
Art. 139 Bekendmaking en inwerkingtreding
Art. 140 Bestaande wetten en regelingen
Art. 141 Bekendmaking tekst herziene grondwet
Art. 142 Aanpassing Grondwet aan Statuut
Additionele Artikelen: I t/m XXX
Voorstel voor een nieuw Hoofdstuk NUL:

Formeel doel: onze Grondwet volgens art.142 GW bij wet in overeenstemming te brengen met ons Statuut.
Materieel doel: De receptie van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in ons Constitutioneel Bestel te laten plaatsvinden. Dit is onder meer nodig om het grondwettelijk streven van onze Regering naar een Internationale Rechtsorde met Nationale Eendracht kracht bij te zetten. Deze receptie gebeurt in bepaling Nul t/m 5.
De bepalingen 6 t/m 14 zijn een voorstel om deze receptie in constitutionele termen deugdelijk te regelen, om te voldoen aan eisen van rechtszekerheid, Onderwijsbaarheid en standvastigheid van waarborg en om gelijke tred te kunnen houden met de ontwikkeling van de Internationale Rechtsorde.
Enig artikel Nul: (te plaatsen voorafgaande aan alle andere artikelen van onze Grondwet.{15 leden, genummerd van Nul t/m 14, Hierdoor hoeft geen enkel artikel van onze grondwet hernummerd te worden}
§ 0: Mensbeeld {met drie subbepalingen}
0.1{ Deze bepaling is identiek aan art.1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens }
0.2
{Spreuk van Willem van Oranje, voorbeeld van een volwassen werking van het geweten in de voorgaande bepaling }
0.3
Het leven van onze Grondwet wordt bepaald door het leven van al diegenen die zich naar eer en geweten (=faithfully) gebonden hebben door een eed of belofte van getrouwheid aan onze Grondwet om deze te onderhouden en te handhaven in het licht van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. { zie b.v. Art. 32, 37, 49 en Add.Art. X}
§1. Eerbiediging van hogere regelingen
{Uit: de preambule van het Internationale Verdrag voor Burgerlijke en Politieke Rechten en dat voor de Economische, Sociale en Culturele rechten.}
§2. Interpretatie van artikel 43 van het Statuut
§3. De wet op de Universele Verklaring.
§4. Overige faciliteiten
§5. slotbepalingen
Hoofdstuk I:
Grondrechten, 1 - 23
art. 1 Discriminatieverbod
Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
art. 2 Nederlanderschap, uitlevering, uitzetting en landverlating
art. 3 Benoembaarheid in openbare dienst
Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.
art. 4 Actief en passief kiesrecht
Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.
art. 5 Recht van petitie
Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.
art. 6 Vrijheid van godsdienst
art. 7 Vrijheid van meningsuiting
art. 8 Vrijheid van vereniging
Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde
art. 9 Vrijheid van vergadering en betoging
art. 10 Recht op privacy
art. 11 Onaantastbaarheid van het lichaam
Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.
art. 12 Binnentreden van de woning
art. 13 Het brief, telefoon en telegraafgeheim
art. 14 Onteigening
art. 15 Vrijheidsontneming
art. 16 Geen straf zonder wettelijke bepaling
Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling
art. 17 Wettelijke toegekende rechten
Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechten die de wet hem toekent.
art. 18 Rechtsbijstand
art. 19 Recht op arbeid en medezeggenschap
art. 20 Sociale Zekerheid
art. 21 Bewoonbaarheid en leefmilieu
De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.
art. 22 Volksgezondheid, woongelegenheid, ontplooiing
art. 23 Onderwijs
Hoofdstuk II: Regering, 24 t/m 49
§1. Koning, 24 t/m 41
Art. Vervulling Koningschap
Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.
Art. 25 Troonopvolging
Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.
Art. 26 Status ongeboren kind
Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.
Art. 27 Afstand van Koningschap
Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.
Art. 28 Aangaan Huwelijk
Art. 29 Uitsluiting troonopvolging
Art. 30 Voorziening bij ontbreken opvolger
Art. 31 Erfopvolging benoemde Koning
Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.
Koninklijk gezag
Art. 32 Beëdiging Koning
Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.
Art. 33 Minimum leeftijd koninklijk gezag
De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
Art. 34 Voogdij des Konings
De wet regelt de voogdij over de minderjarige Koning. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.
Art. 35 De Koning buiten staat koninklijk gezag uit te oefenen
Art. 36 Tijdelijk neerleggen uitoefening koninklijk gezag
De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.
Art. 37 Koninklijk gezag door Regent
Art. 38 Koninklijk gezag door Raad van State
Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.
Add.Art. X Formulieren voor eden en beloften
De formulieren voor de eden en beloften, vastgesteld bij de artikelen 44 en 53 en voor de verklaring, vastgesteld bij artikel 54 van de Grondwet naar de tekst van 1972, blijven van kracht totdat daarvoor bij de wet een regeling is getroffen.
GW1972Art. 44 Eed of belofte van Regent
Bij het aanvaarden van het regentschap legt de Regent in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal in handen van de Voorzitter de volgende eed of belofte af:
"Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning; ik zweer (beloof), dat ik de waarneming van het Koninklijk gezag, zolang de Koning minderjarig is (zolang de Koning buiten staat blijft de Regering waar te nemen of zolang de uitoefening van het Koninklijk Gezag is neergelegd), de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.
.
"Ik zweer (beloof) dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied van de Staat met al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren, dat ik de algemene en bijzondere vrijheid en de rechten van alle des Konings onderdanen en van elk hunner zal beschermen en tot instandhouding en bevordering van de algemene en bijzondere welvaart alle middelen aanwenden, welke de wetten te Mijner beschikking stellen, gelijk een goed en getrouw Regent schuldig is te doen.
Zo waarlijk helpe Mij God almachtig!" ("Dat beloof ik")
GW1972Art. 53 Eed of belofte van de Koning
In deze vergadering wordt door de Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd:
"Ik zweer (beloof) aan het Nederlandse volk, dat ik de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.
"Ik zweer (beloof) dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied van de Staat met al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren, dat ik de algemene en bijzondere vrijheid en de rechten van alle Mijne onderdanen zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de algemene en bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wetten te Mijner beschikking stellen, zoals een goed Koning schuldig is te doen.
Zo waarlijk helpe Mij God almachtig!" ("Dat beloof ik")
GW1972Art. 54 Huldiging door Staten-Generaal
Na het afleggen van deze eed of belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door de Staten-Generaal, wier voorzitter de volgende verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor hoofd, beëdigd of bevestigd wordt:
"Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandse volk en krachtens de Grondwet, U als Koning; wij zweren (beloven) dat wij Uw onschendbaarheid en de rechten Uwer Kroon zullen handhaven; wij zweren (beloven) alles te zullen doen wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn te doen.
Zo waarlijk helpe ons God almachtig!"
(Dat beloven wij")
Koninklijk huis
Art. 39 Lidmaatschap koninklijk huis
De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.
Art. 40Uitkeringen aan leden koninklijk huis
Art. 41 Inrichting Huis van de Koning
De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.
§2. Koning en Ministers 42 t/m 49
Art. 42 Regering, ministeriële verantwoordelijkheid
Art. 43 Benoeming en ontslag van ministers
De Minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.
Art. 44 Instelling van ministeries
Art. 45 Samenstelling van ministerraad
Art. 46 Benoeming en ontslag
Art. 47 Ondertekening wetten en besluiten
Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.
Art. 48 Aanstellingsbesluiten ministers etc.
Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.
Art. 49 Procedure bij ambtsaanvaarding
Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte van zuivering af en zweren of beloven trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
Hoofdstuk III: Staten-Generaal, 50 t/m 72
§1. Inrichting en samenstelling: 50 t/m 64
Art. 50 Staten-Generaal
De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.
Art. 51 Aantal leden Staten-Generaal
Art. 52 Zittingsduur der Kamers
Art. 53 Verkiezingsgrondslag
Art. 54 Verkiezing leden Tweede Kamer
Art. 55 Verkiezing leden Eerste Kamer
De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten.
Art. 56 Lidmaatschap Staten-Generaal
Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van kiesrecht.
Art. 57 Onverenigbaarheden
Add.Art.XVII Lidmaatschap van krijgslieden
Totdat ter zake bij de wet een voorziening zal zijn getroffen blijft artikel 106, vierde lid, van de Grondwet naar de tekst van 1972 van kracht.
GW1972Art. 106, vierde lid: krijgslieden
Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaatschap van een der beide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van rechtswege op non-activiteit. Ophoudende lid te zijn, keren zij tot de werkelijke dienst terug.
Art. 58 Onderzoek geloofsbrieven
Elke kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar nieuwbenoemde leden en beslist met inachtneming van bij de wet te stellen regels de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen.
Art. 59 Regeling kiesrecht en verkiezingen
Alles wat verder het kiesrecht en de verkiezingen betreft , wordt bij de wet geregeld.
Art. 60 Procedure bij ambtsaanvaarding
Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de leden van de kamers bij de aanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zijn trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.
Art. 61 Benoeming voorzitter en griffier
Art. 62 Voorzitter Verenigde Vergadering
De voorzitter van de Eerste Kamer heeft de leiding van de verenigde vergadering.
Art. 63 Geldelijke Voorzieningen
Geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden bij de wet geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet ter zake alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
Art. 64 Ontbinding kamers
§2. Werkwijze: 65 t/m 72
Art. 65 Troonrede
Jaarlijks op de derde dinsdag van september of op een bij de wet te bepalen eerder tijdstip wordt door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid gegeven.
Art. 66 Openbaarheid van vergaderingen
De vergaderingen van de Staten-Generaal zijn openbaar.
De deuren worden gesloten, wanneer een tiende deel van het aantal aanwezige leden het vorderen of de voorzitter het nodig oordeelt.
Door de kamer, onderscheidenlijk de kamers in verenigde vergadering, wordt vervolgens beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd en besloten.
Art. 67 Quorum en stemmingen
Art. 68 Inlichtingenplicht
De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.
Art. 69 Aanwezigheid ministers etc.
De ministers en de staatssecretarissen hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen.
Zij kunnen door de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.
Zij kunnen zich in de vergaderingen doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen.
Art. 70 Enquêterecht
Beide kamers hebben, zowel afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek (enquête), te regelen bij de wet.
Art. 71 Parlementaire onschendbaarheid.
De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging, kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd.
Art. 72 Reglement van orde
De kamers stellen elk afzonderlijk en in verenigde vergadering een reglement van de orde vast.
Hoofdstuk IV: Raad van State, Algemene Rekenkamer en Vaste Colleges van Advies, 73 t/m 80
Art. 73 Taak Raad van State
Art. 74 Rechtspositie leden van de Raad van State
Art. 75 Wet op de Raad van State
Art. 76 Taak Algemene Rekenkamer.
De Algemene Rekenkamer is belast met het onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk.
Art. 77 Rechtspositie leden Algemene Rekenkamer
Art. 78 Wettelijke regeling Algemene Rekenkamer
Art. 79 Vaste colleges van advies
Art. 80 Openbaarheid van adviezen.
Hoofdstuk V:
§1. Wetten en andere voorschriften, 81 t/m 89
Art. 81 Vaststelling wetten
De vaststelling van wetten geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.
Art. 82 Indiening wetsvoorstellen
Art. 83 Wetsvoorstellen naar Tweede Kamer of verenigde vergadering
Voorstellen van wet, ingediend door of vanwege de Koning, worden gezonden aan de Tweede Kamer of, indien daarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, aan deze vergadering.
Art. 84 Wijziging wetsvoorstellen
Art. 85 Toezending aan Eerste Kamer
Zodra de Tweede kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden. De Tweede Kamer kan een of meer van haar leden opdragen een door haar ingediend voorstel in de Eerste Kamer te verdedigen.
Art. 86 Intrekking wetsvoorstellen
Art. 87 Aanneming en bekrachtiging
Art. 88 Bekendmaking en inwerkingtreding
De wet regelt de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetten. Zij treden niet in werking voordat zij zijn bekendgemaakt.
Art. 89 Algemene maatregelen van bestuur
Add.Art. XIX Formulieren
Het formulier van afkondiging, vastgesteld bij artikel 81 en de formulieren van verzending en kennisgeving, vastgesteld bij de artikelen 123, 124, 127, 128 en 130 van de Grondwet naar de tekst van 1972 blijven van kracht totdat daarvoor een regeling is getroffen.
GW1972Art. 81 Formulier van Afkondiging
Het formulier van afkondiging der wetten is het volgende:
"Wij" enz., "Koning der Nederlanden", enz.
"Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
"Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat " enz.
(De beweegredenen der wet)"
"Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze" enz.
(De inhoud der wet)
"Gegeven" enz.
Ingeval een Koningin regeert of het Koninklijk gezag door een Regent of door de Raad van State wordt waargenomen, wordt de daardoor nodige wijziging in dit formulier gebracht.
GW1972Art. 123 Formulier naar Eerste Kamer
Wanneer de Tweede Kamer tot aanneming van het voorstel, hetzij onveranderd, hetzij gewijzigd, besluit, zendt zij het aan de Eerste Kamer met het volgende formulier.
"De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste Kamer het hiernevens gaande voorstel des Konings en is van oordeel, dat het, zoals het daar ligt, door de Staten-Generaal behoort te worden aangenomen."
Wanneer de Tweede Kamer tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan de Koning met het volgende formulier:
"De Tweede Kamer der Staten-Generaal betuigt de Koning haar dank voor Zijn ijver in het bevorderen van de belangen van de Staat en verzoekt Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere overweging te nemen."
Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan de Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren:
"Aan de Koning.
De Staten-Generaal betuigen de Koning nu dank voor Zijn ijver in het bevorderen van de belangen van de Staat en verenigen zich met het voorstel zoals het daar ligt."
"Aan de Tweede Kamer.
"De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede Kamer kennis, dat zij zich heeft verenigd met het voorstel betrekkelijk..., op de... aan haar door de Tweede Kamer toegezonden".
Wanneer de Eerste Kamer tot niet-aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan de Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren:
"Aan de Koning.
"De Eerste Kamer der Staten-Generaal betuigt de Koning haar dank voor Zijn ijver in het bevorderen van de belangen van de Staat en verzoekt Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere overweging te nemen."
"Aan de Tweede Kamer.
"De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede Kamer kennis, dat zij de Koning eerbiedig heeft verzocht het voorstel betrekkelijk..., op de... aan haar door de Tweede Kamer toegezonden, in nadere overweging te nemen"
GW1972Art. 127 Initiatief van Tweede Kamer
De voordracht daartoe behoort uitsluitend aan de Tweede kamer die het voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ten aanzien van 's Konings voorstellen is bepaald, en, na aanneming, aan de Eerste Kamer verzendt met het volgende formulier:
"De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste Kamer het hiernavolgende voorstel en is van oordeel, dat de Staten-Generaal daarop 's Konings bewilliging behoren te verzoeken"
Wanneer de Eerste Kamer, na daarvoor op de gewone wijze te hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt zij het aan de Koning met het volgende formulier:
"De Staten-Generaal, oordelende dat het nevengaande voorstel zou kunnen strekken tot bevordering van de belangen van de Staat, verzoeken eerbiedig daarop 's Konings bewilliging."
Voorts geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier
"De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft kennis aan de Tweede Kamer, dat zij zich heeft verenigd met het van haar op de ... ontvangen voorstel betrekkelijk... en daarop namens de Staten-Generaal 's Konings bewilliging heeft verzocht."
Wanneer de Eerste Kamer het voorstel niet goedkeurt, zo geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier:
"De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft geen genoegzame reden gevonden om op het hiernevens teruggaande voorstel 's Konings bewilliging te verzoeken."
GW1972Art. 130 Formulier van bewilliging of overweging
De Koning doet de Staten-Generaal zo spoedig mogelijk kennis dragen, of hij een voorstel van wet, door hen aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die kennisgeving geschiedt met een der volgende formulieren:
"De Koning bewilligt in het voorstel"
of
"De Koning houdt het voorstel in overweging"
§2.a. Internationale verdragen, 90 t/m 95
Art. 90Internationale Rechtsorde
De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.
Art. 91 Internationale verdragen.
Art. 92 Bevoegdheden volkenrechtelijke organisaties
Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91 derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.
Art. 93 Verbindende kracht verdragen
Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.
Art. 94 Verdrag boven wetten
Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Art. Bekendmaking verdragen en besluiten
De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties
Add.Art. XXI Over Internationale Verdragen
Totdat ter zake bij de wet een voorziening zal zijn getroffen blijft het bepaalde in de volgende artikelen van de Grondwet naar de tekst van 1972 van kracht
a. de artikelen 61 en 64, voor wat betreft de stilzwijgende goedkeuring
b. artikel 62
2. Zolang artikel 24 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden naar de tekst van 1975 geldt, blijft ten aanzien van overeenkomsten welke de Nederlandse Antillen raken voor wat de stilzwijgende goedkeuring betreft, het bepaalde in de artikelen 61 en 64 van de Grondwet naar de tekst van 1972 van kracht.
GW1972Art. 60 Internationale overeenkomsten
Overeenkomsten met andere Mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties worden door of met machtiging van de Koning gesloten en, voor zover de overeenkomst zulks eist, door de Koning bekrachtigd.
De overeenkomsten worden zo spoedig mogelijk aan de Staten-Generaal medegedeeld, zij worden niet bekrachtigd en treden niet in werking dan nadat zij door de Staten-Generaal zijn goedgekeurd.
De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van overeenkomsten.
GW1972Art. 61 Goedkeuring verdragen
De goedkeuring wordt uitdrukkelijk of stilzwijgend verleend.
De uitdrukkelijke goedkeuring wordt verleend bij de wet.
De stilzwijgende goedkeuring is verleend, indien niet binnen dertig dagen na een daartoe strekkende overlegging van de overeenkomst aan de beide Kamers der Staten-Generaal door of namens een der Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der Kamers de wens wordt te kennen gegeven, dat de overeenkomst aan de uitdrukkelijke goedkeuring zal worden onderworpen.
De in het vorig lid bedoelde termijn wordt geschorst gedurende de tijd, dat de zitting der Staten-Generaal gesloten is.
GW1972Art. 62 Verdragen zonder goedkeuring
De goedkeuring is - behoudens in het geval bedoeld in artikel 63 - niet vereist:
Een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid onder d, wordt alsnog zo spoedig mogelijk aan goedkeuring van de Staten-Generaal onderworpen. Artikel 61 is daarbij van toepassing . Indien de goedkeuring aan de overeenkomst wordt onthouden, wordt de overeenkomst zo spoedig als zulks rechtens mogelijk is, beëindigd.
Tenzij het belang van het Koninkrijk zich daartegen bepaaldelijk verzet, wordt zij niet aangegaan dat onder voorbehoud van haar beëindiging bij onthouding van goedkeuring.
GW1972Art. 63 Afwijking van grondwet
Indien de ontwikkeling van de internationale rechtsorde zulks vordert kan in een overeenkomst worden afgeweken van de Grondwet. In zodanige geval kan de goedkeuring slechts uitdrukkelijk worden verleend; de Kamers der Staten-Generaal kunnen het ontwerp van een daartoe strekkende wet niet aannemen dan met twee derden der uitgebrachte stemmen.
GW1972Art. 64 Over toetreding en opzegging
Voor toetreding tot en opzegging van overeenkomsten vinden de bepalingen van de hier voorgaande artikelen overeenkomstige toepassing.
§2.b. Oorlogsverklaring en Landsverdediging, 96 t/m 103
Art. 96 Staat van oorlog
Art. 97 Rechtsgrond van de dienstplicht.
Art. 98 Krijgsmacht
Art. 99 Gewetensbezwaren
Bij de wet worden de voorwaarden genoemd waarop wegens ernstige gewetensbezwaren vrijstelling van de krijgsdienst wordt verleend.
Art. 100 Vreemde troepen
Vreemde troepen worden niet dan krachtens een wet in dienst genomen.
Add.Art. XXX
Totdat ter zake bij de wet een voorziening is getroffen, blijft artikel 101 van de Grondwet naar de tekst van 1987 van kracht. (Opm.: bij de tekst van 1995 waarin dit art. XXX werd aangetroffen, bleek art. 101 reeds vervallen te zijn zonder dat duidelijk is, welke voorziening bij wet getroffen zou moeten zijn)
Art. 101 Buitengewone dienstplicht:
Wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de dienstplichtigen die niet in werkelijke dienst zijn, bij koninklijk besluit geheel of ten dele buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Staten-Generaal gedaan, om het onder de wapenen blijven der dienstplichtigen zoveel nodig te bepalen.
Art. 102 Kosten legers
Art. 103 Uitzonderingstoestand
§2.c. Financiën, 104 t/m 106
Art. 104 Belastingen
Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.
Art. 105 Begroting
Art. 106 Geldstelsel
De wet regelt het geldstelsel.
§2.d. Overige bepalingen, 107 t/m 111
Art. 107 Wetboeken
Art. 108 Nationale Ombudsman
Art. 109 Rechtspositie ambtenaren
De wet regelt de rechtspositie van ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.
Add.Art. XXIV Overgangsbepaling
Algemeen verbindende voorschriften betreffende de rechtspositie van ambtenaren, welke niet op een wet berusten, kunnen tot de inwerkingtreding van een wet welke die rechtspositie regelt, worden gewijzigd op gelijke wijze als waarop zij tot stand zijn gekomen.
Art. 110 Openbaarheid van bestuur
De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen
Art. 111 Ridderorden
Ridderorden worden bij de wet ingesteld.
Add.Art. XXV Adeldom
Totdat ter zake bij de wet een voorziening zal zijn getroffen blijft artikel 74, eerste lid van de Grondwet naar de tekst van 1972 van kracht.
GW1972Art. 74, eerste lid:
De Koning verleent adeldom.
Hoofdstuk VI:
Rechtspraak, 112 t/m 122Art. 112 Civiele en administratieve rechtspraak.
Art. 113 Strafrechtspraak
Art. 114 Verbod van doodstraf
De doodstraf kan niet worden opgelegd.
Art. 115 Administratief beroep.
Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.
Art. 116 Rechterlijke macht
Art. 117 Rechtspositie leden rechterlijke macht.
Art. 118 Hoge Raad; cassatie
Art. 119 Berechting ambtsmisdrijven.
De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.
Art. 120 Verbod van toetsing aan grondwet
De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.
Art. 121 Openbaarheid, motiveringsplicht
Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtszittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.
Art. 122 Gratie en amnestie
Hoofdstuk VII:
Provincies, Gemeenten, waterschappen en andere openbare lichamen, 123 t/m 136§1. Provincies en Gemeenten, 123 t/m 132
Art. 123 Instelling gemeenten en provincies
Art. 124 Autonomie en medebewind
Art. 125 Provinciale en gemeentelijke organen
Art. 126 Ambtsinstructie van Commissaris van de Koning
Bij de wet kan worden bepaald, dat de commissaris voorts wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.
Art. 127 Vaststelling verordeningen
Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de gemeentelijke verordeningen vast.
Art. 128 Toekenning bevoegdheden aan andere organen
Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden.
Art. 129 Verkiezing leden provinciale staten en gemeenteraad
Art. 130 Kiesrecht niet-Nederlanders
De wet kan het recht de leden van de gemeenteraad te kiezen en het recht lid van de gemeenteraad te zijn toekennen aan ingezetenen die geen Nederlander zijn, mits zij tenminste voldoen aan de vereisten die gelden voor ingezetenen die tevens Nederlander zijn.
Art. 131 Benoeming commissaris van de Koning en burgemeester
De commissaris van de Koning en de burgemeester worden bij koninklijk besluit benoemd.
Art. 132 Samenstelling en bevoegdheden besturen
§2. Waterschappen en openbare lichamen, 133 t/m 136
Art. 133 Waterschappen
Art. 134 Openbare lichamen
Art. 135 Instelling nieuw openbaar lichaam
De wet geeft regels ter voorziening in zaken waarbij twee of meer openbare lichamen zijn betrokken. Daarbij kan in de instelling van een nieuw openbaar lichaam worden voorzien, in welk geval artikel 134, tweede en derde lid, van toepassing is.
Art. 136 Geschillen tussen openbare lichamen
De Geschillen tussen openbare lichamen worden bij koninklijk besluit beslist, tenzij deze behoren tot de kennisneming van de rechterlijke macht of hun beslissing bij de wet aan anderen is opgedragen.
Hoofdstuk VIII:
Herziening van de Grondwet, 137 t/m 142normale procedure:
Art. 137 Procedure grondwetswijziging
Art. 138 Aanpassing ongewijzigde bepalingen
Art. 139 Bekendmaking en inwerkingtreding
De veranderingen in de Grondwet, door de Staten Generaal aangenomen en door de Koning bekrachtigd, treden terstond in werking, nadat zij zijn bekend gemaakt.
Art. 140 Bestaande wetten en regelingen
Bestaande wetten en andere regelingen en besluiten, die in strijd zijn met een verandering in de Grondwet, blijven gehandhaafd, totdat daarvoor overeenkomstig de Grondwet een voorziening is getroffen.
Art. 141 Bekendmaking tekst herziene grondwet
De tekst van de herziene grondwet wordt bij Koninklijk besluit bekend gemaakt, waarbij hoofdstukken, paragrafen en artikelen kunnen worden vernummerd en verwijzingen dienovereenkomstig kunnen worden veranderd.
eenvoudige procedure:
Art. 142 Aanpassing Grondwet aan Statuut
De Grondwet kan bij de wet met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming worden gebracht. De artikelen 139, 140 en 141 zijn van overeenkomstige toepassing.
Additionele Artikelen:
I t/m XXXAdditioneel Artikel: Blijft over: Ingevoegd na art
Add.Art. I-X vervallen Art. XI38
Add.Art. XII-XVI vervallen Art. XVII56
Add.Art.XVIII Vervallen Art. XIX72
Add.Art. XX Vervallen Art. XXI95
Add.Art. XXII-XXIII Vervallen Art. XXIV109
Art. XXV111
Add.Art. XXVI-XXIX Vervallen Art. XXX100
Stichting Sociale Databank Nederland
E-mailadres: sdn@planet.nl
Internet site:
http://www.sdnl.nl/gw-herzn.htm
Westkade 227, 1273 RJ Huizen (NH)
Tel.: (31)-35-5244141 . . . . . Fax: 035-5244142