Aan de Minister van Justitie mr. J.P.H. Donner
Ministerie van Justitie
Schedeldoekshaven 100,
2511 EX Den Haag
Betreft:
Schadevergoeding uit Onrechtmatige Overheidsdaden.
Amsterdam d.d. maandag 16 juni 2003
Excellentie,
Op 2 april 2003 heeft u de Nationale Ombudsman formeel kenbaar gemaakt dat u het antwoord op diens vragen verschuldigd dient te blijven, waarbij u eveneens niet in staat bent gebleken de gevraagde formele documenten te overleggen die de Nationale Ombudsman aan u heeft gevraagd!
Voorts hebt u de Nationale Ombudsman formeel kenbaar gemaakt dat u niet wenst te reageren op de inhoudelijke strekking van mijn dupliek d.d. vrijdag 18 april 2003; en evenmin uitleg wenst te geven met name over de vraag: "Waarom u daarop niet wenst te reageren", hetgeen ik heb vernomen tijdens mijn telefoongesprek met de medewerker van de Nationale Ombudsman mevr. mr. A.P.M. Verhaag. Waarvan akte!
Eveneens hebt u op 2 april 2003 zich formeel bezondigd aan belediging c.q. smaad middels de hiernavolgende zinsnede en ik citeer: "Heeft het College er vanaf gezien inlichtingen aan de heer de Werd te vragen over deze personalia van de heer G. de Lange, dit om verdere acties van de zijde van de heer de Werd jegens de heer G. de Lange te voorkomen". Einde citaat.
Tot slot hebt u eveneens ter aantasting van mijn eer en goede naam ook nog bij de Nationale Ombudsman een formeel document overlegd, d.d. 27 juni 2002, waarin voorkomt de hiernavolgende zinsnede en ik citeer: "Mijnheer de Werd schijnt regelmatig bij de centrale balie stampij te maken en zittingszalen binnen te lopen om aandacht te vragen voor zijn zaak". einde citaat!
In mijn dupliek d.d. 18 april 2003, heb ik voorgaande laster volledig weerlegd, hetgeen uwerzijds formeel werd erkend, althans op geen enkele wijze weersproken. Waarvan akte!
Het voorgaande rechtvaardigt bij u c.q. de Staat der Nederlanden de hiernavolgende rekening in te dienen.
- Voor het veelvuldig laten plegen van meineed ten laste van mijn juridische belangen en het daartoe negeren van zes dwingende uitspraken van Rechtbank, Gerechtshof en Hoge Raad, waaronder zelfs drie bevelen ex. art. 12i Sv door het Gerechtshof op mijn verzoek ex. art. 12 Sv aan het O.M. tot het strafrechterlijk vervolgen van meineed gegeven en de daaruit voortvloeiende calamiteiten zoals mijnerzijds in mijn dupliek d.d. 18 april 2003 beschreven en uwerzijds formeel erkend, althans niet als onjuist zijnde weersproken.