Drs. N.C. Burhove Jaspers was hoofdsamensteller van het IRM-rapport m.b.t. de bijbanen van juristen in Nederland

Brief aan staatssecretaris van Justitie Mr. M.J. Cohen over
13 jaar protectie van een gerechtsauditeur van de Hoge Raad

IRM . . Juristen . . EU Grondwet <==> SDN . . Klokkenluider . . N.C. Burhoven

Mr. M.C.M. de Kroon probeerde in valse hoedanigheid, inbegrepen een imitatie
van mijn handtekening, zich meester te maken van mijn Zwitserse baankrekening

drs. N.C. Burhoven Jaspers MBA

Wassenaar, 24 augustus 1999


AAN:

    De Staatssecretaris van Justitie
    Mr. M.J. Cohen
    Schedeldoekshaven 100
    2511 EX Den Haag


BETREFT: -- 13 jaar protectie van een gerechtsauditeur van de Hoge Raad


Geachte heer Cohen,

Hierbij richt ik mij tot u omdat u mij een competent persoon lijkt die er naar streeft op integere wijze problemen praktisch op te lossen. Ik verzoek u bijgaand materiaal te beschouwen als geheel herhaald, ingelast en ook aan u gericht. Het betreft een echtscheiding en boedelscheiding die loopt vanaf 1986, en waarbij mijn ex-vrouw stelselmatig bevoordeeld en geprotegeerd is. De kern van de zaak is als volgt:

  • In 1969 trouwde ik op huwelijksvoorwaarden met algehele uitsluiting van gemeenschap van goederen Sinds 1986 is mijn leven overheerst door procedures.

  • Mijn ex-echtgenote, destijds gerechtsauditeur Fiscale Zaken van de Hoge Raad, verbrak de samenwoning in mei 1986. Aansluitend probeerde zij zich in valse hoedanigheid, inbegrepen een imitatie van mijn handtekening, meester te maken van mijn Zwitserse rekening die ik had omdat ik lange jaren in het buitenland gewerkt heb, onder meer voor Shell. Haar opzet slaagde ten dele. Gedurende het gehele huwelijk heb ik gezorgd voor ruim voldoende inkomen voor een gezin. De helft van overgespaard inkomen droeg ik over aan mijn vrouw. Dit alles is bewezen voor de rechter. Aldus heb ik voldaan aan de eisen van de huwelijksvoorwaarden en ben ik haar niets schuldig. Toch zit ik vanaf 1986 in een nachtmerrie, waarbij mijn bestaan verregaand verwoest is.

  • Sinds 1986 is zij stelselmatig beschermd en gevrijwaard van de bewijslast voor haar stellingen en is zij geprotegeerd tot aan de President van de Hoge Raad toe. In 13 jaar heeft zij geen grein aan bewijs ten grondslag gelegd aan enige van haar zo vele aanspraken op mij. Haar herhaalde frauduleuze bancaire optreden is toegedekt, ook door en/of onder Mw.Mr. Sorgdrager, eerst als Procureur-generaal, later als Minister van Justitie. De indruk dringt zich op dat de huidige minister van Justitie diezelfde benadering wil volgen.

  • In cassatie hebben raadsheren van de Hoge Raad, die haar zeer goed kenden en meemaakten als medewerknemer van dezelfde organisatie, zich niet verschoond. Wraking van enkele van hen in oktober 1998 werd door de Hoge Raad afgedekt met behulp van een, in misbruik van macht opgericht, buitenwettelijk obstakel. Zie EVRM-7.htm op: burhoven.htm

  • In het najaar 1998 werden mij, door en onder Mr. van Delden president van de rechtbank te Den Haag, die mijn ex ook persoonlijk kent, de middelen van bestaan ontnomen met een beslag op mijn inkomen waarvoor geen enkele feitelijke basis bestaat. Bovendien eist mijn ex nu een half miljoen, voor een vijfde deel afgeleid van hetgeen ik erfde en voor vier/vijfde afgeleid van een transactie in 1973 waarbij ik van een totaal van ZFr 78.000 aan overgespaard inkomen ZFr 42.000 naar haar overboekte terwijl ik zelf ZFr 36.000 behield op mijn Zwitserse rekening. Ieder normaal mens kan zien dat dat eenvoudig niet kán kloppen. Omdat ik eens trouwde hoef ik nog niet de rest der dagen schatplichtig in slavernij te slijten.

  • In oktober/november 1998 zette Mr. van Delden via de Deken mijn advocaat Mr. Bogaardt op grove wijze onder druk. De situatie werd onhoudbaar waarmee gevolg werd gegeven aan de oekaze van Mr. van Delden : u laat die cliënt vallen of anders. Zie: Telegraaf d.d. 6 februari 1999 en AMICE, maart 1999. Nu zet Mr. van Delden ook mijn volgende advocaat onder druk. Op deze wijze heb ik geen toegang tot een onafhankelijk advocaat en ben ik volslagen vogelvrij en rechteloos.

  • De President van de Hoge Raad en de minister van Justitie dragen de formele verantwoordelijkheid voor een gerechtsauditeur van de Hoge Raad. Wellicht heeft dat bij de ongebreidelde protectie van mijn ex meegeteld. De haar verleende immuniteit is bijkans totaal; zij eist zelfs formeel toestemming mij achter de tralies te kunnen zetten. Vanaf 1985 kreeg mijn ex van de President van de Hoge Raad bijzondere toestemming tot het bijwonen van overleg in de raadkamer. Zij was erg trots daarbij te mogen functioneren als griffier. Daardoor moet zij tussen 1985 en 1991, toen zij de Hoge Raad verliet (volgens Advocaat-Generaal Würzer niet zonder reden) kennis hebben genomen van een enorme hoeveelheid sensitieve informatie over zaken en personen, hun voorkeuren, hun zwakke punten, vooringenomenheden en hun zonden die niet naar buiten mogen komen, niet buiten die gesloten deuren, en zeker niet buiten de voordeur. Het is goed voor te stellen dat het systeem meent niet het risico te kunnen nemen haar niet te steunen. Maar dat mag niet strekken tot mijn nadeel, nu al 13 jaar lang.

  • In mijn brief van 2 februari 1999 aan de minister van Justitie stelde ik vast dat er naar mijn mening sprake is van criminele collusie, misbruik van macht, chantage of iets van vergelijkbare aard. Ook verzocht ik de minister gebruik te maken van de bevoegdheid om het Openbaar Ministerie te gelasten strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Reactie daarop is totaal uitgebleven en dat maakt de indruk dat de minister kiest voor de macht van juristen boven het recht van het individu en daarmee voor de positionering: de rechtsstaat is dood, lang leve de juristen.

  • "Straatsburg" heeft voor civiele procedures, inbegrepen executie, een maximale duur vastgesteld van 12 jaar; die termijn is overschreden. Ik meen dat mijn ex ieder recht verteerd heeft om nog verder mijn leven te vernietigen. Hoe kan ik ontkomen aan deze juridische terreur? Ook ik heb recht op leven vrij van onbegrensde wraakzucht en hebzucht van mijn ex. Wat er nu nog gebeurt, nadat 12 jaar zijn verstreken, is evident in strijd met de rechten van de mens; het is hoogst curieus dat de minister daarop niet reageert en zo het beeld oproept dat het hem niet deert ook zelf de mensenrechten te schenden.

  • Maar ook ik, niet-jurist, moet ik geval van een echtscheiding redelijkerwijs recht kunnen krijgen, en een fatsoenlijke afhandeling binnen redelijke tijd en voor redelijke kosten. Dat is zeer bepaald niet het geval geweest en ik meen dat de Staat der Nederlanden daarvoor aansprakelijkheid dient te dragen. Hetgeen ik sinds 1986 meemaak staat haaks op grondwet, wet, recht en rechtsprincipes. Dit hoort in geen enkel beschaafd land voor te komen.

  • Het moge duidelijk zijn: wat mij betreft is de maat (meer dan) vol. Het is in het licht van het vorengaande dat ik met klem een beroep op u doe om ook vanuit uw verantwoordelijkheid een bevredigende oplossing te vinden voor deze sinds jaar en dag buitengewoon onverkwikkelijke gang van zaken. Van legitiem recht is al helemaal geen sprake.


Hoogachtend,Drs. N.C. Burhoven Jaspers MBA

Drs. N.C. Burhoven Jaspers MBA
tel + fax: 31 70 5118922
van Polanenpark 58
2241 RS Wassenaar


Bijlage:

    Notitie d.d. 5 augustus 1999

Analyse van:

  • brief d.d. 2 februari 1999 aan de Minister van Justitie, Mr. B. Korthals
  • brief d.d. 16 februari 1999 van de Minister van Justitie; kenmerk 747323/899
  • brief d.d. 15 november 1998 aan de President van de Hoge Raad met bijlagen I t/m IV
  • brief d.d. 1 december 1998 aan de PG bij de Hoge Raad met bijlage: notitie over bezwaren tegen Mr. A.H. van Delden, president van de rechtbank te Den Haag
  • artikel Telegraaf 6 februari 1999
  • artikel AMICE maart 1999: "Boos op Bert van Delden"


Brief d.d. 16 februari 1999 van de Minister van Justitie; reactie op brief van 2 februari 1999.

Enkele kanttekeningen:

  1. de brief draagt het karakter van autoabsolutie

  2. 2-e en 3-e alinea De zelfprijzende woorden over kamervragen en -antwoorden zijn absoluut misplaatst. Veeleer zijn de vier O's van de Bijlmer-enquêtecommissie van toepassing: onduidelijk, onvolledig, ontijdig, onjuist. Waar het nu werkelijk om gaat is iets heel anders en wel onvoorwaardelijke protectie en bevoordeling van een gerechtsauditeur van de Hoge Raad, door rechters, raadsheren en zelfs door de Procureur-generaal en de President van de Hoge Raad, ook in geval van uiterst kwalijk optreden zoals diefstal, verduistering, bancaire fraude of iets dergelijks, waarop de wetgever straffen van jaren gesteld heeft. Daarbij is mijn ex t.a.v. haar bancaire fraude in een procedure ex art 12 Strafvordering op apert onrechtmatige wijze afgedekt ook door/onder Mw. Mr. Sorgdrager, eerst als Procureur-generaal, later als Minister van Justitie. Die kwestie is later door de Nationale Ombudsman op een duistere manier gebagatelliseerd, waarbij mij bleek dat de Substituut-Ombudsman Mw. Mr. L. de Bruin was, de beste en oudste studievriendin van mijn ex. In de laatste fase van onderschoffelen werd de zaak afgedaan door Mr. Borghouts met de klassieke dooddoener: wij hebben nu een computer, dus het zal niet meer gebeuren.

  3. 3-e alinea, laatste frase.

    De opmerking over nevenfuncties van rechters slaat als de bekende tang op het varken.

  4. pagina 2

    Hier wordt ten onrechte de indruk gewekt alsof mijn brief van 2 februari 1999 slechts betrekking had op een eerdere en uitputtend behandelde kwestie en daarom maar terzijde geschoven kon worden, c.q. de correspondentie afgesloten. Niets is minder waar: op de in mijn brief van 2 februari 1999 duidelijk geformuleerde acht punten is niet met één woord ingegaan. Het moet toch tot de verantwoordelijkheden van de minister horen brieven naar behoren te (doen) beantwoorden. Daarvan is hier geen sprake, niet in de verste verte. Daarmee wordt de minister belast met de medeverantwoordelijkheid en medeaansprakelijkheid voor verdere gebeurtenissen die direct voortvloeien uit dergelijke nalatigheid.


    COLLUSIE.

In mijn brief van 2 februari 1999 wees ik de Minister op criminele collusie; antwoord is uitgebleven. Daaruit volgt onvermijdelijk de gevolgtrekking: als de minister gesteld wordt voor de keuze collusie van juristen versus het recht van een burger, dan kiest de minister voor de macht van de juristen en niet voor het belang van de burger. Daarmee kiest de minister voor de positionering: de rechtsstaat is dood, lang leve de juristen en hun (misbruik van) macht.

Dat is merkwaardig. Ik meen toch begrepen te hebben dat de rechtsstaat gefundeerd is op de waarde en het recht van de individuele burger, zulks ook in lijn met de rechten van de mens. Een rechtsstaat is toch een staat waarin een individu net als anderen in gelijke behandeling recht kan krijgen ?

Op basis van omvangrijk keihard bewijs is te stellen: dat is in casu niet het geval. Niet in de verste verte. Aldus schendt de minister het basiscredo van de rechtsstaat. Maakt de minister zich dan eigenlijk niet tegelijkertijd medeplichtig aan diezelfde criminele collusie en aan de gevolgen van het negeren ervan?


    Het EVRM.

In mijn brief van 2 februari 1999 schreef ik:

    "Conform arresten van "Straatsburg" is een duur langer dan 6 jaar in eerste aanleg 'undue delay' in de zin van artikel 6 EVRM. Voor wat betreft de totale duur van een dergelijke procedure leiden arresten van het EVRM tot de conclusie dat een duur van 12 jaar voor totale procedure inbegrepen executie het maximaal toelaatbare is. De dagvaarding van de boedelscheiding dateert van 6 december 1986; ook in die zin is er sprake van 'undue delay' volgens het EVRM. Toch loopt de boedelscheiding die begon in 1986, nog steeds. Daarbij ben ik toenemende mate op oneigenlijke en onrechtmatige wijze in de verdediging gedrongen en is mijn bestaan verregaand verwoest."

De fase voor de rechtbank duurde, als gevolg van alle vertragingstactieken van mijn ex en haar chicanes, circa 7 1/2 jaar. Het arrest van de Hoge Raad dateert van maart 1997. Sindsdien heeft mijn ex nagelaten de verdere afhandeling in een bodemprocedure voor te leggen. In plaats daarvan heeft zij constant met machtsmiddelen (het ene beslag op mijn inkomen na het andere; het ene kort geding na het andere) gepoogd haar zin door te drijven. Daarbij is zij stelselmatig gesteund door niet-onpartijdige rechters. Een deel van de boedelscheiding is nog niet eens in cassatie afgehandeld.

Inmiddels is meer dan 13 jaar verstreken sinds haar vertrek in mei 1986. Daarom ben ik van mening dat hetgeen ik nu nog meemaak, in strijd is met de rechten van de mens. Mijn ex moet daarom niet-ontvankelijk verklaard worden in al haar eisen. Zij heeft 12 jaar de tijd gehad om de beschikbare juridische middelen te gebruiken. In plaats daarvan heeft zij systematisch vertraagd en verward. Een en ander betreffende "undue delay" is eenvoudig te verifiëren.

Echter: de minister reageert hierop niet met één woord. Dat is zeer bevreemdend omdat Nederland niet alleen aanspraak maakt op de kwalificatie democratische rechtsstaat, maar bovendien zich formeel gecommitteerd heeft aan het EVRM en aan het respecteren en implementeren van uitspraken van "Straatsburg". De conclusie dringt zich onvermijdelijk op dat het deze minister niet deert ook zelf de rechten van de mens te schenden.


    STRAFKLACHT/AANGIFTE

tegen de Mrs. Dil-Stork, B. van Delden, Beelaerts van Blokland, Knijff en Bogaardt. Mijn brief van 2 februari 1999 is geheel eenduidig en stelt ook nog eens in punt 7: "hierbij verzoek ik u gebruik te maken van uw bevoegdheid als Minister van Justitie om het Openbaar Ministerie te gelasten strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar het optreden van alle vermelde personen, zo dat in het kader van strafvervolging deze zaak tot op de bodem kan worden uitgezocht."

Reactie op dit punt en op alle andere punten van mijn brief is geheel uitgebleven. Dit is absoluut onacceptabel en moet in strijd zijn met de ministeriële verantwoordelijkheid. De indruk die zich opdringt is onvermijdelijk dat juristen boven de wet staan en door deze minister boven niet-juristen geplaatst worden vanuit een soort benadering van: all people are equal, but some are more equal than others.

Het handelen van de minister staat haaks op artikel 1 van de grondwet, op de wet, op mensenrechten, op rechtsbeginselen en op de vereisten van de hoge functie van Minister.