Partijdigheid, vooringenomenheid, belangenverstrengeling en corruptie verzieken ons rechtssysteem! Wie durft vragen stellen?

Integriteit van de rechtspraak in Nederland staat ter discussie

IRM . . Antecedenten Juristen . . EU Grondwet <==> SDN . . Klokkenluider . . N.C. Burhoven

Burger-initiatief en vragen voor de politici en journalisten over het rechtssysteem in Nederland

Reactie van Willem Janssen op: 'Het draait allemaal en voor iedereen hierom in rechtszaken'

 

Het draait om ‘MACHT’ en ‘MACHT’ is ‘GELD’ en daar draait het om en niet alleen in rechtszaken. Wie de meeste ‘Macht’ ``het meeste geld`` heeft is automatische de winnaar. En dat is de staat in alle geledingen. Dat zijn dus de beste toneelspelers die collusie en tunnelvisie erop nahouden.

 

Advocaten liegen?? Dat klopt, maar ze liegen niet alleen bewust. Ze liegen ook onbewust. De cliënt is de leugenaar want die komt met leugens aanzetten die hij of zij aan haar raadsvrouw/heer vertelt, die dan automatisch ook staat te liegen. Natuurlijk liegen advocaten om zaken te winnen en de kwestie te verdraaien.

 

In Duitsland gaat het er iets anders aan toe. Daar krijgt men direct te horen dat ze de waarheid moeten spreken, ‘vertellen’, en niets anders dan de waarheid, anders maakt men zich direct strafbaar. En dat zou hier in de rechtbanken ook zo moeten zijn. En dit is gewoonweg artikel 188 en artikel 225 van het wetboek strafvordering vorderen voordat de zitting begint. Dus de leugenaar wordt direct dan wel indirect direct veroordeeld als hij of zij durven te liegen. Maar zoals je ook elders op de website hebt staan, accepteren de rechters in Nederland het bewijsbaar liegen, lasteren en bedriegen door advocaten in de rechtszaal. Dit zelfs op instigatie van de Raad voor de Rechtspraak. Kijk maar naar het kortgeding tegen de Sociale Databank Nederland. Je gelooft echt niet wat je daar te horen en zien krijgt. Zie: www.sdnl.nl/integriteit-rechtspraak.htm. De rechtsstaat en de democratie zijn echt een illusie, probeer een Kamerlid eens in beweging te krijgen. Dat lukt nooit. Voorbeeld: Job Cohen.

 

Wat bij aanvang van elke rechtsprocedure moet worden gezegd is: ``U staat hier vandaag in de rechtbank terecht voor een (straf)zaak of getuigenis. U bent verplicht de waarheid te spreken anders maakt u zich strafbaar``. En zo begint een (straf)zaak of civiele procedure in welke hoedanigheid dan ook in Duitsland. En daar ligt de problematiek. De cliënt liegt er op los of het niets is, want hij/zij wil met alle geweld winnen. 

 

Het doen van valse aangifte: artikel 188 Wetboek van Strafrecht

 

Als iemand slachtoffer is geworden van een strafbaar feit, dan kan hij daarvan aangifte doen. Het doen van valse aangifte is strafbaar gesteld bij wet. (weet je dat wel zeker? red.) Als tijdens een onderzoek blijkt dat een persoon valse aangifte heeft gedaan, dan wordt vervolging tegen de aangever ingesteld. Bij valse aangifte gaat het om feiten of gegevens in de aangifte die opzettelijk onjuist zijn, of als er aangifte wordt gedaan van een strafbaar feit, dat helemaal niet heeft plaatsgevonden. De door de politie gemaakte kosten worden op de persoon die valse aangifte heeft gedaan verhaald.

 

Het doen van valse aangifte is strafbaar gesteld in artikel 188 Wetboek van Strafrecht (WvS). Dit artikel luidt aldus:

·  Hij die aangifte of klacht doet dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

·  'Wetende dat' strekt zich uit tot het onware van een door aangever gedane bewerking. Een gedeeltelijk onjuiste aangifte valt ook onder dit wetsartikel, bijvoorbeeld onjuiste informatie over de identiteit van de dader of het plaats delict.

 

Het beschermd belang van dit wetsartikel is dat het ambtelijk of justitieel gezag wordt beschermd.
Gevangenisstraf varieert van maximaal een jaar of een geldboete van de derde categorie, dat wil zeggen € 4.500 bij natuurlijke personen of € 1.1250 bij rechtspersonen.

 

Een combinatie van beide hoofdstraffen is mogelijk voor een natuurlijk persoon. Als bijkomende straf kan verbeurdverklaring worden uitgesproken over geldmiddelen of goederen (art. 33 WvS). Ingevolge art. 74 Wetboek van Strafrecht kan het Openbaar Ministerie (OM) een transactie aanbieden. Dit heet Transactie Openbaar Ministerie (TOM). Hiermee kan strafvervolging worden voorkomen.

 

Wet OM-afdoening
Het Openbaar Ministerie (OM) mag sinds 1 februari 2008 voor een aantal veelvoorkomende strafbare feiten zelf straffen opleggen. Dit wordt 'een strafbeschikking' genoemd. Het gaat hierbij uitdrukkelijk niet om vrijheidsbenemende straffen. In geval een bestrafte het niet eens is met zijn strafbeschikking, dan kan hij bezwaar maken door verzet in te stellen bij het OM. De strafrechter zal vervolgens de strafzaak in zijn geheel opnieuw beoordelen.

Onder de Wet OM-afdoening vallen, net als bij de transactie, misdrijven waarop een maximum gevangenisstraf staat van zes jaar en alle overtredingen. Een strafbeschikking kan uit verschillende straffen, maatregelen en aanwijzingen bestaan, zoals een geldboete, een werkstraf, een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, een schadevergoedingsmaatregel voor het slachtoffer en een gedragsaanwijzing zoals een stadionverbod. De wet wordt gefaseerd ingevoerd en zal uiteindelijk de transactie vervangen

 

Bij verdenking van het doen van valse aangifte is voorlopige hechtenis niet toegelaten, uitgezonderd als van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kan worden vastgesteld (art. 67 Strafvordering).

Terwijl aangever de valse aangifte bij de politie aflegt, kan de verbalisant het vermoeden krijgen dat de verklaring geheel of gedeeltelijk onjuist is. De verbalisant mag in dat geval doorvragen zonder de cautie te geven, dat wil zeggen dat conform art. 29 lid 2 Strafvordering (Sv) voor het verhoor aan de verdachte wordt medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is. De cautie hoeft pas gegeven te worden indien iemand als verdachte wordt gehoord i.v.m. zijn mogelijke betrokkenheid bij enig strafbaar feit (Hoge Raad 30 mei 1995, niet gepubliceerd).

 

Is het doen van een valse melding net zo strafbaar als het doen van een valse aangifte?

Het doen van een valse melding is evenals het doen van een valse aangifte strafbaar gesteld in Nederland. Een valse melding is alleen strafbaar wanneer deze aan bepaalde eisen voldoet, zoals genoemd in artikel 142 Wetboek van Strafrecht:

1.  Hij die opzettelijk door valse alarmkreten of signalen de rust verstoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.

2.  Hij die opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maakt van een alarmnummer voor publieke diensten wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.

Lasterlijke aanklacht: artikel 268 Wetboek van Strafrecht

 

Artikel 268 Wetboek van Strafrecht luidt aldus:

1.  Hij die opzettelijk tegen een bepaald persoon bij de overheid een valse klacht of aangifte schriftelijk inlevert of in schrift doet brengen, waardoor de eer of goede naam van die persoon wordt aangerand, wordt, als schuldig aan lasterlijke aanklacht, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaren of geldboete van de vierde categorie.

2.  Ontzetting van de in art. 28, 1e lid, onder 1 en 2, vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Bij dit wetsartikel is het beschermd belang de aanspraak die een ieder heeft op zijn eer en goede naam. De feiten waarop aangever zijn klacht of aangifte baseert dienen feitelijk onjuist te zijn en hij moet de opzet hebben gehad de eer of goede naam van de beledigde aan te randen.

 

Ook hierbij geldt dat voorlopige hechtenis niet is toegelaten, uitgezonderd als van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kan worden vastgesteld (art. 67 Strafvordering).

Gevangenisstraf varieert van ten hoogste twee jaren of een van € 1.1250 of een combinatie van beide straffen. Als bijkomende straf kan ook hier de verbeurdverklaring worden uitgesproken over geldmiddelen of goederen (art. 33 WvS). Ingevolge art. 74 Wetboek van Strafrecht kan het Openbaar Ministerie (OM) een transactie aanbieden. Dit heet Transactie Openbaar Ministerie (TOM). Hiermee kan strafvervolging worden voorkomen.

 

'Bepaald persoon': ook lasterlijke aanklachten tegen rechtspersonen zijn strafbaar. 'Bij de overheid'': de aangifte of klacht hoeft niet per se bij politie of justitie, maar kan ook bij andere overheidsorganen worden gedaan. 'Valse aangifte of klacht' wil zeggen dat de verklaring van aangever niet hoeft te bestaan uit feiten die een misdrijf opleveren. De zinsnede 'op schrift doen brengen' wil zeggen dat er alleen sprake is van 'op schrift doen brengen' indien dit de bedoeling was van de klager.

 

Als de aangifte mondeling wordt gedaan, dan is het delict pas voltooid als een daartoe bevoegd ambtenaar de aangifte of klacht op schrift gesteld, anders is er sprake van 'poging'. Bovendien moet een klacht of aangifte die bij justitie is gedaan, ondertekend worden door klager (art. 163 lid 2 en 164 lid 2 Sv). Zonder ondertekening, kan er sprake zijn van een strafbare poging.

 

Wat is het achtste gebod ?

"Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste." (Exodus 20:16)

Wat betekent valse getuigenis in de drie zinnen ?

In de natuurlijke zin: valse getuigenis geven, leugens, huichelarij en laster;

ook heimelijke aanslagen, listen en boze bedoelingen.

 

321 Ware Christelijke Religie.

 

Onder valse getuigenis spreken tegen de naaste, of vals getuigen wordt in de naastgelegen natuurlijke zin verstaan: geen valse getuigenis afleggen voor de rechter, of voor anderen buiten de rechtbank, tegen iemand, die ten onrechte van iets kwaads beschuldigd wordt, en dit te verzekeren bij de naam van God of bij iets anders, dat heilig is, of bij zichzelf en bij dingen, die met de eigen goede naam op de een of andere wijze samenhangen. In de bredere natuurlijke zin worden onder dit gebod alle soorten van leugens en politieke huichelarijen verstaan, die een boos einddoel beogen; voorts de naaste zwart maken en belasteren, waardoor diens eer, naam en goede roep, waarvan het karakter van de gehele mens afhangt, geschokt wordt. In de breedste natuurlijke zin worden daaronder verstaan: heimelijke aanslagen, listen en boze bedoelingen tegen iemand uit verschillende gronden, zoals uit vijandschap, haat, wraak, nijd, afgunst, enz. want deze boosheden verbergen in zich de getuigenis van het valse.

 

De getuige in het bestuursprocesrecht

 

O.J.D.M.L. Jansen [1]

 

Elk bestuursorgaan, dus ook de Raad van bestuur van de NMa, dient zorgvuldig de feiten te verzamelen die het nodig heeft om een besluit te nemen dat getuigt van de juiste belangenafweging gebaseerd op de juiste belangen en dat draagkrachtig is gemotiveerd. Bij deze verzameling van feiten speelt niet alleen informatie afkomstig van de betrokkene zelf een rol, maar ook informatie van derden. Deze derden zijn niet zelden bereid om vrijwillig informatie te verschaffen. Bestuursorganen zijn overigens voor hun informatieverkrijging niet afhankelijk van vrijwillig meewerkende personen. Zij kunnen hun toezichthouders uitsturen om hun toezichtbevoegdheden in te zetten. Uit enige jurisprudentie weten we inmiddels, en dat is terecht, dat ook derden aan de uitoefening van toezichtbevoegdheden moeten meewerken, ook indien het ex-medewerkers betreft, bij voorkeur de vorige hoogste directeur.

 

De betrokkene, laten we het voorbeeld nemen van de boeteling, komt als het goed is te weten welke informatie van derden is gebruikt en – daar gaat het mij vandaag om – welke verklaringen van derden zijn gebruikt. Immers, het bestuursorgaan mag zich niet baseren op informatie, noch op verklaringen, die de boeteling niet kent. De boeteling krijgt de gelegenheid om te reageren op het voornemen om een boete op te leggen, in het mededingingsrecht is het horen geconcentreerd op het boeterapport en is er inzage in het boetedossier. Die gelegenheid krijgt de boeteling in principe zelfs in totaal vier keer: in de bezwaarprocedure, in beroep bij de rechtbank Rotterdam en in hoger beroep bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

 

Anders gezegd, er is alle ruimte om informatie te betwisten, en om verklaringen van derden te betwisten. U merkt, ik vermijd het woord getuige, omdat ik vind dat dat woord uitsluitend moet worden gehanteerd voor personen voor wie een getuigplicht geldt en dat is in het bestuursrecht de door de rechter opgeroepen getuige en de door de partijen meegenomen en verschenen getuige die ook daadwerkelijk onder ede wordt gehoord.

 

In elke fase kan de boeteling personen meebrengen om tegenverklaringen af te leggen. Bij het horen in de primaire fase kan dat worden gebaseerd op artikel 2:1 Awb, al is het gek om de activiteiten van zo’n persoon als ‘bijstand’ te kwalificeren. In bezwaar is dit geregeld in artikel 7:8 Awb (‘Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen en deskundigen worden gehoord’), in beroep is artikel 8:33 Awb het kernartikel voor het horen van getuigen, het oproepen van getuigen in het kader van het vooronderzoek is geregeld in artikel 8:46 Awb en in het kader van het onderzoek ter zitting in artikel 8:60. Op grond van artikel 8:12 Awb zou het horen van getuigen kunnen worden opgedragen aan een rechter-commissaris. Op grond van artikel 22, eerste lid, Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie geldt in hoger beroep hetzelfde, al vraag ik me wel af of het CBB een raadsheer-commissaris aan kan wijzen, of inderdaad een rechter-commissaris, of allebei….

 

Bij de rechter en voor belanghebbenden zit een financiële crux in artikel 8:36 Awb: neem je zelf een getuige mee, dan vergoed je zijn onkosten, roept de rechter er één op dan betaalt de Staat.

 

Opvallend is overigens dat de wettelijke regeling de beëdiging niet verplicht stelt. Ik zou menen dat hier wetswijziging geboden is. Immers, zonder beëdiging is het afleggen van een valse verklaring geen meineed (art. 207 Sr). Juist deze strafbedreiging geeft aan een beëdigde verklaring van een getuige meerwaarde in het bewijs. De getuige schendt op dit moment in het bestuursprocesrecht art. 192 Sr slechts indien hij daartoe opgeroepen door de rechtbank niet verschijnt.[2] Ook is niet voorgeschreven dat de getuige uitsluitend over de feiten en omstandigheden uit eigen waarneming verklaart, nu art. 163 Rv niet van overeenkomstige toepassing verklaard is in art. 8:33, derde lid, Awb. Het bestuursprocesrecht wijkt op beide genoemde onderdelen ten onrechte af van het burgerlijk procesrecht en het strafprocesrecht.

 

Van belang is nog de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2006, althans eigenlijk niet, anders dan bij de Procesregeling Cbb (art. 13 en 17), en de vergelijkbare regelingen van de andere hoger beroepsrechter het geval was, ontbreekt een regeling over getuigen. Maar goed, toen er wel iets in stond, had dat dan ook erg weinig om het lijf. De landelijke procesregeling voor rechtbanken bepaalt omtrent getuigen evenmin iets. Ofschoon het niet veel lijkt te zijn, biedt de wettelijke regelingen gelegenheid om de boeteling in staat te stellen zich adequaat te verdedigen tegen belastende verklaringen van derden, van getuigen. Dat lijkt zo, althans.

 

Voor een goed begrip van de regeling van het horen van getuigen in het bestuursprocesrecht is het van belang te weten wat de bedoeling van de wetgever was. Kort samengevat, is het het meer bieden van rechtsbescherming dan de handhaving van het objectieve recht, waarbij een beroep slechts een aanleiding is om het bestuur te controleren. Voorts staat in het bewijsrecht het vinden van de materiële waarheid centraal en niet – zoals in het civiele proces – de formele waarheid, de door de partijen gepresenteerde waarheid.  Ik vind het vanzelfsprekend dat in een proces waarbij de zaak van de overheid tegenover de burger centraal staat, bij de bewijsregeling het vinden van de materiële waarheid het doel is. Het bestuursproces heeft daarmee net als het strafproces het vinden van de materiële waarheid voorop staan. Anders dan in het strafprocesrecht het geval is, heeft de wetgever de rechter bij het bewijs vrijgelaten, de vrije bewijsleer geldt. Dat betekent overigens niet dat de rechter werkelijk geheel vrij is: het materiële bewijsrecht is ongeschreven. Tegelijkertijd moet overigens worden vastgesteld dat er over dat materiële bewijsrecht bar weinig is geschreven. Recent is hier overigens het proefschrift van Schuurmans een aanrader. Het geschreven bestuursprocesrecht bevat slechts een aantal bepalingen van formeel bewijsrecht. Voor wat betreft het horen van getuigen heb ik die al besproken.

 

Ongelijkheidscompensatie is een volgende doelstelling van het bestuursprocesrecht, al weet ik niet zeker of die te compenseren ongelijkheid in het mededingingsrecht vergelijkbaar is met die in het bouwrecht of het sociale zekerheidsrecht.

 

Indien de doelstellingen van het vinden van de materiële waarheid en ongelijkheidscompensatie met elkaar worden gecombineerd, dan leidt dat tot de vaststelling dat de bestuursrechter actief moet zijn. Daarbij kan en moet de rechter ook nog waar nodig de feiten aanvullen. In het boeterecht geldt voorts dat de rechter ‘full jurisdiction’ moet bieden om aan de eisen van artikel 6 EVRM te voldoen. In verband met de eisen van ne bis in idem betekent dat bijvoorbeeld ook dat de bestuursrechter in ruimere mate zelf in de zaak moet voorzien, indien hij vindt dat het boetebesluit niet deugt.[3] Dat vergt bijzondere aandacht van de bestuursrechter voor de vaststelling van de feiten, zowel á charge als á décharge, lijkt me.

 

Welnu, blijkt uit het voorgaande dat de bestuursrechter actief zou moeten zijn en eigenlijk ook dat hij actief moet zijn bij het vinden van de materiële waarheid, de praktijk is in toenemende mate anders. Zo blijkt uit onderzoek dat de rechter weliswaar allerlei mooie onderzoeksbevoegdheden heeft, zoals het oproepen en horen van getuigen, maar daarvan nauwelijks gebruik maakt, althans met uitzondering van het vragen van inlichtingen aan partijen. Het inzetten van deskundigen gebeurt wel eens, maar het oproepen en horen van getuigen is uitzondering. Ik moet zeggen dat ik dat gek en eigenlijk moeilijk te aanvaarden vind in een proces waarbij een publiekrechtelijke zaak centraal staat en in het kader daarvan het vinden van de materiële waarheid, wat immers het doel is van het bestuursprocesrechtelijke (met name formele) bewijsrecht. Het kan toch niet zo zijn, ook niet in een proces waarbij steeds meer de rechtsbescherming voorop staat en steeds minder de handhaving van het objectieve recht, dat bewijs alleen door partijen moet worden aangedragen. Het door de rechter actief bevragen van de partijen is toch niet voldoende? Ik wil hier nog wijzen op de behartenswaardige woorden van De Bock onder Abr 26 januari 2005, AB 374.

 

Het lijkt mij ook verstandig om een tegenwicht te bieden aan de tirannie van het voorafgaand aan de zitting gevormde dossier.

 

Ik voeg hier nog een dimensie toe van het boeterecht: in een bestuursproces waarin een bestraffende sanctie centraal staat dient de rechter zelf te bepalen wat de juiste bestraffing is en hij moet na vernietiging van het bestreden besluit zelfs zelf in de zaak voorzien.

 

Artikel 6 EVRM

 

Zoals de rechtbank Rotterdam in zijn uitspraak van 24 juni 2005 inzake Texaco terecht vooropstelde: ‘Uit de onschuldpresumptie (…) vloeit voort dat uit de door verweerder als vaststaand aangenomen feiten overtuigend moet blijken van de door verweerder aan de boetes ten grondslag gelegde feiten.’[4] Anders gezegd: de bewijslast rust op de schouders van het bestuursorgaan. Dat wil overigens niet zeggen dat er een harde rechtsregel zou bestaan volgens welke het bestuursorgaan bij de verzameling van feiten ook actief op zoek moet gaan naar ontlastende feiten. Ik durf niet te zeggen of een dergelijke rechtsregel in het strafprocesrecht wel bestaat, ik meen van niet. Het is dus zaak voor de belanghebbenden om waar dat kan de feiten te weerspreken, bijvoorbeeld met getuigen a décharge.

 

Dan is voor ons onderwerp interessant dat artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM het recht om getuigen te doen ondervragen regelt, met heel erg veel casuïstiek en jurisprudentie in het strafprocesrecht. Het is interessant om na te gaan of deze jurisprudentie van het EHRM ook voor het bestuursprocesrecht van belang is. Ik beperk me hier tot het bestraffende bestuursrecht, maar ik hoop in een artikel naar aanleiding van deze voordracht ook na te gaan op welke wijze artikel 6 EVRM van belang kan zijn voor het overige bestuursprocesrecht, met name op basis van de ‘determination of civil rights and obligations’. Dat geldt overigens ook voor de vergelijking met het burgerlijk procesrecht en een verdieping van de vergelijking met het strafprocesrecht, alsmede een bespreking van de waardering van de getuigenverklaring in de bewijsjurisprudentie.

 

De hoofdregel waar het EHRM vanuit gaat, is dat de verdachte belastende getuigen moet kunnen ondervragen. In Kostovski overwoog het EHRM: 

‘In principle, all the evidence must be produced in the presence of the accused at a public hearing with a view to adversial argument (…). This does not mean, however, that in order to be used as evidence statements of witnesses should always be made at a public hearing in court: to use as evidence such statements obtained at the pre-trial stage is not in itself inconsistent with paragraphs 3 (d) and 1 of Article 6 (art. 6-3-d, art. 6-1) provided the rights of the defence have been respected. As a rule, these rights require that an accused should be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him, either at the time the witness was making his statement or at some later stage of the proceedings (…).’

 

Net zoals Kostovski betrof Windisch het gebruik van een verklaring van een anonieme getuige voor het bewijs. Het EHRM neemt een schending aan van artikel 6, derde lid, onder d, en meer in het algemeen van een fair trial aan, indien de verklaring als belangrijk bewijsmiddel is gebruikt terwijl de verdachte niet deugdelijk in staat is gesteld de getuige te ondervragen en zijn betrouwbaarheid vast te stellen en ter discussie te stellen. De verdachte moet zelf vragen kunnen stellen aan de getuige. Het EHRM eist hier counterbalancing procedures. 

 

De vraag is of het bestuursprocesrecht daaraan voldoende recht doet, en voorts of de bestuursrechter niet actiever gebruik zou moeten maken van zijn onderzoeksbevoegdheid getuigen te horen.

 

Wellicht dat de wettelijke regeling voldoet, immers: de rechter kan op verzoek getuigen horen. Ik denk evenwel dat de praktijk dat de partijen zelf hun getuige meenemen niet voldoet. De rechter zou vaker getuigen moeten horen en dan ook steeds beëdigen. Dan heeft de getuigenverklaring toegevoegde waarde voor het bewijs.
 

Laten we de bijlage eerst eens even naar de rechtbanken sturen (lees bijlage)

 


 

Het draait allemaal en voor iedereen hierom in rechtszaken:

 

Stel als gedaagde altijd de volgende twee vragen aan de rechter voordat de zitting begint:

 

Edelachtbare, voordat de zitting begint willen wij twee zaken duidelijk hebben:

 

1       Accepteert u als rechtbank van de eisende partij de aangevoerde, maar volstrekt bewijsbare leugens, vervalsingen en misleidingen ? Ja of nee?

2      Accepteert u van de verdedigende partij de absolute bewijzen van door de tegenpartij aangevoerde leugens, misleidingen en vervalsing van feiten als argumenten ter overweging van uw rechtbank? Ja of nee?

 

Indien de voorzitter van de rechtbank op de eerste vraag met JA antwoordt, dan moet de rechtbank worden gewraakt.
Indien de voorzitter van de rechtbank op de tweede vraag antwoordt met NEE, ook dan moet de rechtbank worden gewraakt.

 

Verdere werkwijze

Na wraking van de rechtbank wordt verlangd dat aan de wrakingskamer een medebeoordelaar wordt toegevoegd vanuit de burgerij, op voordracht van een college van vertrouwenspersonen, die deskundig is en die vertrouwd kan worden. Dit om het evenwicht in het vertrouwen en de onafhankelijkheid van de wrakingskamer te kunnen aanvaarden.

 

Aan de fractievoorzitter van de PvdA Job Cohen is verzocht een wetswijziging aan de Tweede Kamer aan te bieden. Die wetswijziging heeft dan tot gevolg dat bewijsbaar liegen en frauderen door advocaten niet meer kan. Dit in weerwil van de uitspraak van de Raad van Discipline: 'dat advocaten wel mogen liegen in rechtsprocedures'. Dit liegen, frauderen, vervalsen, lasteren, smaden en meineed plegen door advocaten in rechtszaken moet strafbaar worden. Het aantal rechtszaken zal daardoor meer dan halveren, zodat de begroting van Justitie met meer dan een miljard per jaar kan worden ontlast. Zie het aanbieden van de politieke cheque aan Job Cohen. Voor het stellen van vragen over het functioneren en de integriteit van ons rechtssysteem: Zie: Advocatenorde.

 

Ter aanvulling voor eenieder die een mening heeft over wat niet goed zit:

 

Prof. L. Reijnders: Nederland is kampioen dom beleid m.b.t. energie en milieu (RTL-7 op 17-6-11)

Ing. A. v. Rooij: Nederlandse media kampioen censuur, niemand waagt het vragen te stellen (14-3-11)

Jhr. mr. Reuchlin: Nederlandse procesrecht is via de landsadvocaat kampioen zwendelen (28-5-11)

mr. Els Unger: Nederlandse advocatuur geïnfecteerd door foute advocaten die disfunctioneren,(12-6-07)

dr. W Wedzinga: In de raadkamer worden spelletje gespeeld en zijn belangen verstrengeld (12-6-07)

Dr. G.JJ. Beukeveld: Nederlandse melkveehouders door de overheid voor miljarden getild (10-12-10)

Parlement: Hernoemd tot Silentium wegens zwijgen en wegkijken bij geconstateerde fraude (28-1009)

Rechtse regering: Regeren is misleiden, verzwijgen en beroven van de sociale bescherming (24-4-2009).

Nederlandsche Bank: Kampioen afdekken bankfraude, bewust failleren van DSB t.g.v. de rest (16-10-09)

Autoriteit Financiële Markten: Kampioen ogen sluiten voor waarschuwingen van p. Quekel (23-01-04)

Sociale Databank Nederland: Recht hebben en recht krijgen zijn verschillende zaken (27-6-2007)

Mr. Mic van Bremen: Ga nooit, nee nooit procederen! Je komt van een koude kermis thuis (28-5-11)

Drs. N.J.M. Mul: Blijf uit de buurt van de Jeugdzorg en Leger des Heils. Je bent je kind kwijt (15-6-11)

W. Janssen: Het draait om ‘MACHT’ en ‘MACHT’ is ‘GELD’ en daar draait echt alles om (18-6-11)

Erik Verbeek: Veroorzakers kanker explosie gaan vrijuit en krijgen Belgische overheidssteun?!
Einar van Roon: Justitie moet ca. 5 miljard terugbetalen wegens onrechtmatige schikkingen van CJIB

-

-

ect.

[1] Hoofddocent Instituut Staats- en bestuursrecht UU.

[2] Zie bijv. Abr 25 augustus 2004 LJN AQ7493

[3] Zie het met het wetsvoorstel vierde tranche Awb voorgestelde art. 8:72a Awb, waarop zo nu en dan al door rechtbanken wordt geanticipeerd. De belastingrechter deed dat al.

[4] Rb. Rotterdam 24 juni 2005, LJN AT8817

    Brandbrief aan de presidenten van rechtbanken over de benoeming van hun rechters
    Rechters aanvaarden gedragscode om onpartijdigheid van magistraten te waarborgen
    Gebrek aan onpartijdigheid kan het vertrouwen in de rechtspraak zelfs ondermijnen
    Rechter in Nederland heeft vaak te veel petten op en lijkt daarom niet onafhankelijk
    Rechters moeten ook aansprakelijk worden om schade te kunnen verhalen op rechters
    Kwaliteit van de rechtspraak lijdt onder de werkdruk en het zeer grote aantal zaken
    Antecedentenregisters van juristen om mogelijke belangenverstrengeling te ontwaren
    Integriteit van de advocatuur staat ter discussie zegt advocaat mr. Mic van Bremen
    Terug naar het begin