Edward Bellamy: EEN NIEUWE MAATSCHAPPIJ ZONDER WINSTBEJAG


Klokkenluiders . . . . . SDN homepage . . . . Homepage Bellamy

BELLAMY STICHTING 

Rechtspersoon erkend door goedkeuring van de statuten bij Koninklijk Besluit 060866 nr. 150
Voorzitter is: W. Sweers, Gasthuislaan 22, 6883 JD Velp Tel. 026-3610689.
Penningmeester: W. Wolbrink sr., Old Ruitenborgh 68, 7556 NH, Hengelo, 074-2913554.

Girorekening 21005 t.n.v. Bellamy Stichting, te Hengelo (O).
Ingeschreven bij de Kamer van Koophandel Veluwe en Twente nr. 40412623.
Postbanknummer: 21005 op naam van penningmeester van de Bellamy Stichting.

EEN NIEUWE MAATSCHAPPIJ

VERANTWOORDING     HOE SNEL DE WERELD VOORUIT GAAT.

LEVENSBESCHRIJVING    IN HET JAAR 2000    ECONOMISCHE GELIJKHEID    LINKS


VOORWOORD

De bekende "TWAALF PUNTEN'' vormen een samenvatting van de niet volledige basis van Bellamy, s economie. Maar het zijn wel de hoofdprincipes, waarop ze steunen. Deze wens bracht mij ertoe ,om de hoofdprincipes van een toelichtingen te voorzien. Om u te overtuigen samen met mij de grote hoofdlijnen te volgen. Met deze boodschap trachten wij uw belangstelling te wekken om een oplossing te vinden voor het economisch probleem, zoals de Bellamy Stichting, dat ziet.

De schrijver.

TWAAF PUNTEN UIT BELLAMY'S ECONOMIE

  1. De welvaart van de gemeenschap is de welvaart van alle mensen. Een volk is niet welvarend, zolang niet ieder gelijk in de welvaart deelt.

  2. De hulpmiddelen tot het scheppen van welvaart behoren in handen te zijn van de gemeenschap.

  3. Het voornaamste middel tot welvaart is arbeid. De gemeenschap heeft recht op de arbeid van iedereen. Het bestuur van de gemeenschap moet alle arbeidskracht organiseren tot welvaart voor allen.

  4. Geen enkel mens heeft alleen rechten. Ieder heeft ook plichten tegen over de gemeenschap. Arbeidsplicht rust op ieder; het recht op aandeel in de arbeid of in het geproduceerde kan niemand worden onthouden. De vrouw heeft de zelfde rechten en plichten als de man. De arbeid in het gezin strekt tot nut van de gemeenschap en is dus gelijkwaardig aan iedere andere arbeid.

  5. Het is de plicht van de meest begaafde en de sterkere mens, beter of meer arbeid te verrichten dan één naar lichaam en geest zwakkere. Zo hij die plicht verwaarloost, is hij in gebreken. Het aandeel in plicht en welvaart is dus voor ieder gelijk.

  6. De moeilijkheid van de arbeid bepaalt niet het loon, maar het weerspiegelt zich in de arbeidsduur.

  7. Het gelijke aandeel in de gemeenschappelijke welvaart is eigendom van iedereen, van de natie voor het hele leven.

  8. Ieder mens krijgt de volle gelegenheid, zijn gave te ontplooien, omdat het gebruik van de gave de gemeenschap ten goeden kan komen.

  9. Daar de techniek een zeer belangrijk middel voor de productie en distributie is, behoort zij aan de gemeenschap toe.En daardoor kan de arbeid voor iedereen verkort worden.

  10. Ieder is vrij, zijn aandeel te besteden naar eigen verkiezing. De vraag regelt de productie. Het aandeel is van een bepaalde geldigheidsduur, het wordt na het verstrijken vernieuwd, maar het blijft strikt persoonlijk.

  11. Internationale goederen - en dienstenruil wordt door het landsbestuur geregeld.

  12. Elke godsdienst en ethische richtingen zijn volkomen vrij.


PUNT 1. De welvaart van de gemeenschap is van alle mensen.

Een volk is niet welvarend, zolang niet ieder gelijk in de welvaart deelt. Te spreken van een welvarend volk is dwaas, zolang onder een volk nog mensen voorkomen, die niet in de welvaart delen. En onder een werkelijk welvarend volk komen geen mensen, die niet welvarend zijn. De algemene welvaart is de som van de welvaart voor alle mensen, welke de gemeenschap vormen.

Het eerste punt van de twaalf is dan ook zo waar als een koe. Men voelt echter, dat dit punt nog iets anders wil zeggen, namelijk dat de welvaart van de een ook de welvaart van de ander behoort te zijn. Dat dit niet zo is stempelt de maatschappij tot een opeenhoping van met elkaar botsende elementen, tot een chaos. Ten onrechte noem men zulk een maatschappij een gemeenschap of een samenleving".

Beide begrippen zijn de uitdrukking van harmonie. Maar een gemeenschap wil zeggen: alles met elkaar gemeen hebben. Samenleving wil zeggen: in uiterlijke en innerlijke overeenstemming arbeiden. Want leven is arbeiden, is voortdurende actie. Gemeenschap en samenleving zijn woorden, die in de allereerste plaats harmonie uitdrukken.

De hemellichamen hebben hun vaste banen". Zegt Nico van Suchtelen, in zijn boek "Uit de diepten der ziel" en juist dat geeft ons, niet waar, zo hele rustige indruk de van harmonie. Hoe jammer en dwaas zou ons het heelal voorkomen, wanneer al die werelden zo maar door elkaar dwarrelden".

Die dwaasheid zien wij in het maatschappelijke leven, dat feitelijk niets anders is dan een voortdurende strijd van allen tegen allen. Nog erger: de mensen schijnen elkaar voortdurend te beroven. Belamy, karakteriseert de maatschappij door er van te spreken als van een roofdierengalerij". De kosmische harmonie is ook voor de mensen. Zij wil orde en evenwicht.

In ieder mens is de geestelijke kern aanwezig: datgene wat hem onderscheidt van het dier. De mensen vormen, een geestelijke eenheid, zij vormen bij al hun verschillen een grote geestelijke gemeenschap. Zij zijn het zich veel al niet bewust, omdat hun aandacht te zeer in beslag wordt genomen door materiéle handelingen, door het zoeken van hun weg in de maatschappelijke chaos.

De kosmos wil bewustwording van de geestelijke eenheid en om dit te bereiken moet de mens door de wanorde, de disharmonie van het huidige maatschappelijke leven heen, moet daar orde in scheppen, de disharmonie wegnemen…en de algemene welvaart doen ontstaan, dus een werkelijke samenleving, een werkelijke gemeenschap stichten.

Moeilijk ? ja maar niet te moeilijk, want de middelen zijn hem in de hand gegeven en de kosmische krachten drijven hem overigens in die richting. De middelen, ze zijn op aarde, ze zijn overvloeit van rijkdommen en de mens heeft verstand, dat steeds volmaakter methodes schept om die rijkdommen binnen het bereik van alle mensen te brengen. Onze hedendaagse wetenschap en techniek verschaffen ons die macht, om in overvloed te leven. Het menselijke arbeidsresultaat is veel groter dan de menselijke behoeften en dat is er altijd geweest. Was dit niet zo, dan zouden wij nog als dieren in de jungle leven.

En deze zelfde ontwikkeling dwingt ons samen te leven. Zij doet dat door middel van arbeidsverdeling, die de menselijke van de menselijke, de staten van de staten afhankelijk maakt. Geen staat en geen mens kunnen alleen bestaan. En tracht men dit toch te doen, dan volgen onherroepelijk de rampen: crisis, oorlogen, revoluties. Het zijn harde lessen, die het leven zelf ons te verwerken geeft. Als de rijke meent, dat hij de welvaart aan zijn mede mensen onthouden kan, dan dwaalt hij. Hij moet leren inzien, dat de welvaart van zijn medemensen voorwaarde is tot eigen welvaart.

Voorwaarde: de allereerste waarde, die vóór alle andere waarden staat, is de erkenning: gaat het mijn medemensen goed, dan gaat het mij ook goed.


PUNT 2. de hulpmiddelen tot het scheppen van welvaart behoren in handen te zijn van de gemeenschap.

Alleen de arbeid schept welvaart.

De hedendaagse mens gebruikt echter niet alleen zijn lichamelijke arbeidsinstrumenten : zijn ledematen, zijn organen, zijn hoofd. hij heeft hulpmiddelen ter beschikking. De mens graaft kanalen, legt dijken aan, niet meer met zijn handen alleen: hij bedient zich bij het uitvoeren van de werkzaamheden met graafmachines, die door elektriciteit worden aangedreven.

Hij verplaats zich over grote afstanden niet meer alleen te voet : hij bedient zich van rijwiel, auto, trein, tram, vliegtuig. Hij verspreidt zijn gedachten niet meer uitsluitend door zijn stem : "Hij reinigt zijn kleren niet meer alleen door wassen en schrobben, want de chemische wetenschap stelt hem in staat, het grofste door de natuurstoffen te laten doen. Kortom, hij heeft hulpmiddelen, die om zo te zeggen, verlengstukken van zijn lichamelijke arbeidsinstrumenten zijn".

Hoe komt hij aan die hulpmiddelen ? heeft hij ze bij zijn verschijnen op aarde gevonden, heeft hij ze bij zijn geboorte, als behorend bij zijn lichaam, van de natuur meegekregen ? Zijn ze zijn persoonlijk, bezit ? Van de "Steinreichen Holländer", werd wel eens ironisch gezegd, dat hij fietsend of met een couponschaar ter wereld kwam, maar de natuur houdt zich met dergelijke grappen niet op. Zij is ernstig en doet de mens geboren worden met hersenen, die alle mogelijkheden in zich heeft, maar mogelijkheden, die zijn verdeelt over vele geslachten.

Ieder geslacht brengt de wereld méér wetenschap, een stukje méér techniek. En ieder stukje wetenschap en techniek is de springplank tot ontwikkeling. De moderne auto zou zich niet hebben kunnen ontwikkelen zonder de oerontdekking van het wagenrad. James Watt zou zijn stoommachine niet hebben kunnen uitvinden zonder de, bestaande kunst van de metaalbewerking.

Onze hedendaagse wetenschap en techniek zijn gemeenschapsbezit, een erfenis, van ons voorgeslacht waarvan ieder mens profiteert. Wie berekent het percentage "erfenis", dat iedere nieuwe ontdekking bevat ? Dat percentage moet groot zijn, allesbeheersend, want geen uitvinding, geen ontdekking wordt gedaan, waarbij niet de bestaande toestand van de wetenschap en techniek voorwaarde was.

Persoonlijke verdienste ? Misschien. Maar is die persoonlijke verdienste niet een natuurgave, en is de persoon, door wie de gave zich uit, het genie, niet medium, schakel van de openbare oergeest ? Is het feit, een zodanige schakel te mogen zijn, op zichzelf al een genade, een geluk ? En is het dan billijk, dat de uitvinders en ontdekkers zich bovendien nog een geldelijk voordeel trachten te verwerven door octrooien en patenten ?

En is het dan niet nóg een groter onbillijkheid, wanneer het grootkapitaal die patenten en octrooien voor een kleinigheid koopt, om ze voor eigen baat te exploiteren of … om ze geheim te houden ( te verduisteren ) wanneer de kans bestaat, dat die uitvindingen een dusdanige omwenteling in de produktie zouden teweeg brengen, dat belegde kapitalen waardeloos zouden worden ? Is dat niet een misbruik in de tweede macht ?

De door het denken en arbeiden van de mensheid vanaf haar oerbestaan tot het " verlichte'' heden, de geschapen hulpmiddelen behoren niet de uitvinder of zijn afnemer toe. Zij zijn gemeenschap bezit. Niet de eenling of een kleine minderheid behoort de voordelen daar van te bezitten. Die voordelen komen ieder lid van de gemeenschap toe. Al de productie middelen (en alle grond ) mogen niet langer particulier bezit blijven, om dat dit onnatuurlijk, onredelijk, en onzedelijk is.


PUNT 3. Het voornaamste middel tot welvaart is de arbeid.

De gemeenschap heeft recht op de arbeidskracht van iedereen. Het bestuur van de gemeenschap moet alle arbeidskrachten organiseren tot welvaart voor allen.

Uit het gemeenschapsbezit van alle productie middelen en de grond volgt het gemeenschapsbezit van de arbeidskracht, want zonder de menselijke arbeidskracht is de machine een dood ding. Een middel van geen waarde, wanneer de kracht, die het hanteren moet afwezig is. Erkent men het recht van de gemeenschap op alle hulpmiddelen en de grond, dan sluit deze erkenning in, dat ook de arbeidskracht gemeenschapsbezit behoort te zijn.

Wat is de gemeenschap ? De gemeenschap is de totaliteit van alle mensen. Deze totaliteit wordt vertegenwoordigd door het gemeenschappelijk bestuur, de overheid. Gemeenschapsbezit wil zeggen : het beschikkingsrecht uitgeoefend door de overheid namens de gemeenschap van alle mensen. De overheid is de gevolmachtigde van alle mensen, en van ieder afzonderlijk. De overheid beschikt over alle productie middelen, en de menselijke arbeidskrachten in opdracht van elk één, die tot de gemeenschap behoren. Op de overheid rust de plicht, de menselijke arbeidskracht zo te organiseren dat alle welvaart, van iedere mens afzonderlijk, bevorderd wordt.


PUNT. 4 Geen enkel mens heeft uitsluitend rechten.

Ieder heeft ook plichten tegenover de gemeenschap. Arbeidsplicht rust op iedereen; het recht op aandeel in de arbeid of in het geproduceerde kan niemand worden onthouden. De vrouw heeft de zelfde rechten en plichten als de man. De Arbeid in het gezin strekt tot nut van de gemeenschap en is dus gelijkwaardig aan iedere andere arbeid.

Tegen over het beschikkingsrecht van het gemeenschapbestuur van de arbeid staat de arbeidsplicht van de mens. Tegenover de plicht van de overheid tot het behartigen van ieders belangen staat, het menselijke recht voor een menselijk bestaan. Men kan ook in het kort zeggen, zonder de overheid te noemen, tegen over de menselijke rechten staan de menselijke plichten.

De menselijke rechten zijn belichaamd in het principe : gelijke aandeel voor allen mensen voor de gemeenschappelijke arbeid resultaten, ongeacht de graad van begaafdheid en lichaamskracht. De menselijke plichten zijn belichaamd in de arbeidsplicht van ieder gezond lid van de gemeenschap.

Niemand kan het gelijke aandeel voor de gemeenschappelijk geproduceerde {consumptie} goederen worden onthouden, waar tegenover staat, dat ieder, die kan arbeiden, het beste dient te geven, waartoe aanleg, bekwaamheid en lichaamskracht, hem in staat stellen. Bij een georganiseerde arbeid, waarbij ieder een functie vervult, die het best met zijn aanleg, bekwaamheid en lichaamskracht overeenkomt, wordt de arbeidsplicht niet meer uitsluitend gevoeld als een offer, omdat de arbeidsvreugde toeneemt. In ieders arbeid, hoe gering ook, schuilt een deel van schepping en juist die scheppingsdaad is bij de mens een behoefte, is een natuurlijke drang. Het woord "scheppen" betekent hier niet "iets uit het niet te voorschijn toveren". Dat is onmogelijk.

Het betekent : het vormen uit de aanwezige natuurstof en een gedachten vorm geven, door de arbeid. Alle naar beste weten is de uitgevoerde arbeid en gelijkwaardigheid. De arbeid, door de vrouw in het gezin verricht, is niet van geringer betekenis dan de arbeid van de man. Ook de vrouw heeft arbeidsplichten, waarbij haar arbeid in en buiten het gezin als gelijkwaardig geldt, met die verstande, dat het gezin altijd voorrang heeft. De vrouw is immers, meer dan de man, een natuurlijke verzorgster en opvoedster van haar kinderen.

Waar haar gezinstaak haar roept wordt zij, van de arbeid voor het gezin vrijgesteld. Indien zij haar taak in en buiten haar gezin op de juiste wijze uitvoert, dan voldoet zij aan haar plicht en voldoet zij aan dezelfde rechten als de man. Maar het accent moet bij de arbeid van de vrouw op haar gezin vallen, en wie zich rekenschap geeft van de zegen, die de vrouw door haar gezinstaak vooral maatschappelijk verspreidt, zal geen moment betwisten, dat de vrouw dezelfde rechten en gelijke plichten als de man heeft.


PUNT 5. De plicht van de sterke Mens

Het is de plicht van de meest begaafde en de sterkere mens, beter en meerdere arbeid te verrichten dan, één naar lichaam en geest zwakkere mens. Zo hij die plicht verwaarloost, is hij in gebreken. Het aandeel in plicht en welvaart is dus voor een ieder gelijk.

De mens met een natuurlijke aanleg noemt men "begaafde". In dit woord ligt de erkenning opgesloten van het feit, dat men het voorrecht van beter aanleg of een groter lichaamskracht niet aan zich zelf te danken heeft. Het is een gave van de schepper of van de natuur. De grote vreugde van de arbeid is de aantrekkelijk zijde van het begaafde " zijn, zij is de essentiële gave van de natuur, tenminste voor de begaafde mens. Is het dan niet onbillijk, dat hij een hoger geldelijke beloning ontvangt dan zijn medemensen ? Is hij niet reeds genoeg bevoordeeld, zelfs bij een gelijke beloning ?

Bij een gelijke beloning en prestatie is hij nóg, wel bevoordeeld, want deze prestatie kost hem minder inspanning dan zijn zwakkere of minder bedeelde medemens, want hun offers zijn gering. Aan de billijkheid is slechts dán recht gedaan, wanneer de begaafde een naar evenredigheid groter prestatie levert dan de middelmatige of de onvolwaardige. Met andere woorden : ieder heeft zijn uiterste krachten in te spannen. Indien ieder het beste geeft, wat in zijn vermogen ligt, is ieder offer gelijk,ook al is de ene arbeidsresultaat groter en beter dan de anderen. En is het gelijke aandeel in de arbeidsresultaten voor ieder : "het zelfde".


PUNT. 6 - De moeilijkheid van de arbeid bepaalt niet het loon, maar weerspiegelt zich in de arbeidsduur.

De verschillen in begaafdheid en de verschillen in lichamelijke gesteldheid maken het onmogelijk, in één formule vast te leggen, welke de graad van moeilijkheid, bezwaarlijkheid of aangenaamheid ieder soort arbeid is. Toch zijn van de persoonlijke geaardheid onafhankelijke faktoren, die de verschillende soorten arbeid als moeilijk of gemakkelijk, onaangenaam of onschadelijk voor de gezondheid doen beoordelen. Niemand zal bestrijden, dat bijvoorbeeld de boerenarbeid aantrekkelijker en gezonder is dan de mijnarbeid.

Zolang de arbeidskracht wordt geruild voor loon, zolang dus de arbeid nog koopwaar is en onderworpen wordt aan de werking van de wet van vraag en aanbod, stapt de mens over de arbeidsbezwaren heen en laat vrijwel uitsluitend het loon gelden. Maar wanneer het geld het karakter krijgt van een bezitsrecht op het gelijke aandeel van de gezamenlijke arbeidsresultaten, wordt de aandacht geconcentreerd op de meerdere of mindere aantrekkelijkheden van de verschillende soorten arbeid. Maar het gelijke aandeel in de gezamenlijke arbeidsresultaten zou de minder aangename plaatsen onbezet laten. Toch moeten ook de onaantrekkelijke werkzaamheden verricht worden. Zij kunnen niet ongedaan blijven.

Nu de geldprikkel tot het op zich nemen van deze onaangename werkzaamheden vervalt, is er een andere compensatie voor de meerdere en moeilijke of de onaangename vele soorten arbeid, noodzakelijk. Deze compensatie wordt gevonden in de arbeidsduur. Om bij het gegeven voorbeeld te blijven : de arbeidsdag in het boeren bedrijf zal langer zijn dan die van de mijnwerker. Op deze wijze krijgt men een rechtvaardiger verdeling van de arbeid dan ooit mogelijk is bij het systeem van "beloning", dat wij tot dus kennen. Want het zijn niet meer de hongerzweep en de hebzucht, die de mensen in beroepen drijven, die hun onaangenaam zijn. Zij kiezen voortaan hun beroep zélf, waarbij zij de duur van de arbeid tegen de hoedanigheid afwegen.

Zij hebben keus en worden door niemand meer gedwongen, daar de duur van elk soort arbeid niet van hogerhand wordt vastgesteld, toch door de praktijk zelf.

Uitgegaan wordt van een alleruiterste arbeidsduur van bijvoorbeeld acht uur per dag, dit betekent, dat het alleraangenaamste, het allerlichtste werk in geen geval het maximum van acht uur per dag mag overschrijden. En wordt de arbeidsdag voor minder aangename en uit gesproken onaangename taken verkort, totdat de bedrijfsbezetting voldoende is. Bijzondere compensatie voor de onaangename arbeid, zouden grotere vakanties en eventueel vervroegt pensioen, in aanmerking kunnen komen: toch deze zijn als aanvullende maatregel te beschouwen.

Op deze wijze verkrijgt men een schaal op de duur voor elke soort arbeid, die door de arbeider zélf wordt vastgesteld. Hier wordt niet getracht, langs wetenschappelijke weg te bepalen, wat wetenschappelijk niet te beoordelen is. De geaardheid van de mensen is zó verschillend, dat geen wetenschap daarvoor nooit vasten formules kan maken. De arbeidsduur voor elk soort arbeid zal gemiddeld, uit de praktijk ongedwongen naar voren komen, een gemiddelde, dat ten allen tijden, de arbeiders persoonlijk kunnen verbeteren door de hun toegestane vrije beroepskeuze. In de aanvang mag die verbeteringen misschien tot gevolg hebben, dat in de verschillende beroepen een vrij groot verloop van de arbeidskrachten aan de dag treedt, maar naarmate het gemiddelde nauwkeuriger gaat worden, de vaststelling van de arbeidsduur voor elk beroep of onderdeel, daarvan subtieler, zal de bedrijfsbezetting hoe langer hoe meer verbeterd worden.

PUNT. 7 Het gelijke aandeel in de gemeenschappelijke welvaart is het eigendom van iedereen, voor het hele leven.

De bestaanszekerheid voor het hele leven. waarmee de opvatting : een feit is van de geboorte, sluit een bestaansrecht in. Bestaanszekerheid is echter niet genoeg. Want de overgrote meerderheid heeft te weinig koopkracht om te kunnen leven en te veel koopkracht om te sterven. Voor de grote meerderheid is het aardse leven niet veel meer dan een leven met zorgen, langs de weg tussen het begin en het einde, (geboorte en dood). De meeste reisgenoten die op hun levenspad lopen gebogen onder een zware last, hun blik is op de grond gericht. Om hen tot blijde wandelaars op een levensweg te maken, die hun blik naar boven kunnen richten, dat is het doel van Bellamy's economie.

Dan behoort echter het woord bestaanzekerheid vervangen te worden door het woord bestaansrecht. Door dat de mens op aarde is en op aarde hoort ! Maar dan dienen de goederen ook gelijk verdeeld te worden, omdat nu iedereen in staat is, van de mogelijkheid van de huidige technologie te profiteren. Hoe groot het gelijke aandeel voor iedereen zou kunnen worden in een maatschappij, die verspillende concurrentie systemen, heeft vervangen door een systeem van coöperatieve, samenwerking, is een vraag, waarvan de beantwoording elders thuishoort. Hier is vast te stellen, dat het aandeel van een iedereen geleidelijk aan, een overvloedig aandeel kan worden, zoals te verwachten is, wanneer de maatschappelijke krachten, die voorheen elkaar tegenwerken, nu op een gemeenschappelijk doel worden gericht.


PUNT. 8 - De indivuduele kansen

Ieder mens krijgt de volle gelegenheid, zijn gave te ontplooien, omdat het gebruik van haar of zijn gave, de gemeenschap ten goede komt.


PUNT. 9 - De productiemiddelen

Daar de techniek een zeer belangrijk middel is tot productie en distributie, behoort ze aan de gemeenschap toe. Indien de voortschrijdende ontwikkeling van de techniek het produceren en distribueren vergemakkelijkt, wordt de arbeid verkort.

Het spraakgebruik drukt dikwijls waarheden uit, waaraan het dagelijks leven onbewust aan voorbij gaat. Geeft men zich de moeite, na te denken over de afkomst van woorden, die wij gebruiken, dan gaat dikwijls een wereld van schoonheid en wijsheid voor ons open. Als wij over "gave" en "begaafdheid" spreken, dan weet iedereen, wat wij bedoelen : de aangeboren, de ingeslapen bekwaamheid van bepaalde mensen. Diep in zich weet de mens, dat zijn kundigheden een gave van God of van de Natuur zijn. Dit steeds opnieuw te ontdekken, vervult de mens met dankbaarheid, omdat hij iets heeft ontvangen, dat hij in de eerste plaats, zelf niet ontvangen heeft.

Maar dat voor de hele mensheid kan zijn. Dan krijgt hij verantwoordelijkheid, omdat hij voelt, die geschenken waardig te moeten dragen. Hoe kunnen wij die geschenken waardig dragen ? Niet door de ontvangen gaven alleen voor eigen gebruik te gebruiken. Een maatschappij, die de ontplooiing van de menselijke gave onderdrukt en belemmert, is geen maatschappij. Want een maatschappij is van ons allen. "Wat gij de minste onder u doet, doet gij mij aan". Daarmee spreekt Christus een woord van diepe, eeuwige, kosmische betekenis.

Bellamy's economie zou onvolledig zijn, wanneer deze waarheid zou zijn verwaarloosd. Iedere mens móet de gelegenheid krijgen, zijn gave te ontplooien, want anders zou hij beroofd worden van wat de natuur hem schonk. En wordt de mogelijkheid tot ontplooiing van ieders gave geopend, dan worden de belemmeringen weggenomen, dan komen de vruchten daarvan de gehele maatschappij ten goede.

Jacques Urlus, die bestemd was, een eenvoudig bestaat van smid te voeren, werd "ontdekt" toen hij in de kerkkoren meezong. Hij kreeg de gelegenheid, zijn gave als zanger te ontwikkelen, en de gemeenschap, die hem daartoe in staat stelde, werd duizendmaal beloond door het muzikale genot, dat de zanger schonk. Begaafdheid, die de mens ontplooien kan, brengt de maatschappij vooruit. Techniek en wetenschap danken hun vooruitgang mede aan de begaafdheid.

De techniek en de wetenschappelijke ontwikkeling gaan stap voor stap vooruit. Uit het één ontwikkelt zich het ander. De onbekende ontdekker van het wagenwiel is mede oorzaak van de ontwikkeling van onze huidige, zeer gecompliceerde machine. Ontdekkers bouwen voort op de resultaten van hun voorgangers. Van geen ontdekking is de volle 100% het werk van één mens. Daarom hoort de wetenschap en techniek de mensheid toe. Kind te zijn van déze tijd betekent, de mogelijkheden, door het voorgeslacht geschapen, nu de wereld verder te kunnen brengen.

Onze machinale ontwikkeling was geen gaven van geslachten van techniek. Maar aan slechts één enkele groep van mensen, die deze gave tot persoonlijk voordeel, door de uitbuiting van hun medemensen, konden aanwenden. De mens is het volmaaktste wezen op aarde, omdat hij begaafd is met geest en brein. Hij is voorbestemd, de natuur aan zich te onderwerpen. Hij bewerkt de natuurstof zó, dat het aan hem dienstbaar wordt, opdat de geest zich in vrijheid verheffen kan.

De machine is zulk een mooi geschenk van natuurstof, mits het op de juiste wijze wordt gebruikt, strekt zij tot bevrijding van de mens. En zij vergroot het arbeidsresultaat en vervangt het geploeter en het gesjouw van voorheen door een menswaardiger bestaan. De machine is geen middel tot verrijking van weinig mensen. Indien dit zo was, dan zou de machine en met haar de wetenschap, zelfs de gave van denken, de mensen tot een vloek zijn.

De machine behoort aan de gemeenschap toe en hoe volmaakter zij wordt, hoe meer het productieproces wordt vereenvoudigd, vergemakkelijkt, versneld en verkort. Zo zal de besparing door de menselijke energie voor iedereen ten goede komen en niet strekken tot verwijdering van het productieproces. De machine, in gemeenschapsbezit, strekt tot algemene verkorting van de arbeidsduur, en daardoor tot verlenging van de vrije tijd en vergroting van de mogelijkheid tot algemene geestelijke, verstandelijke en zedelijke ontwikkeling van de mensen.


PUNT. 10 - Vrijheid van handelen

Ieder is vrij, zijn aandeel te besteden naar eigen smaak en verkiezing. De vraag regelt de productie. Het aandeel is van een bepaalde geldigheidsduur, en wordt na het verstrijken vernieuwd en is strik persoonlijk.

Wat betekent gelijkheid voor allen ? Niet anders, dan dat ieder mens precies dezelfde rechten heeft. Hoe komen deze gelijke rechten tot uitdrukking ? Door het gelijke aandeel in alles, wat de gezamenlijke arbeidskrachten geproduceerdheeft en produceert voor de toekomst. Maar dat wil niet zeggen, dat de hele hoeveelheid brood of stoelen of kachels of jassen of tennisballen enz., die per dag in Nederland geproduceerd wordt, in precies zoveel gelijke delen gesplitst wordt als er bewoner zijn, en dat ieder zijn aandeel daarvan ontvangt.

De behoeften van de mensen zijn verschillend ! Het gelijke aandeel wordt verstrekt in de vorm van koopkracht, als een tegoed op een girorekening. De in totaal aan de inwoners van Nederland verstrekte koopkracht is de uitdrukking van de totale prijs van alle goederen en diensten, die in de periode, waarvoor de koopkracht wordt verstrekt en geproduceerd wordt. Ieder ontvangt van deze totale prijs alle goederen en diensten, zijn gelijke aandeel. Ieder kan dit aandeel in de koopkracht geheel naar eigen smaak en verkiezing gebruiken. Er wordt dus ten volle recht gedaan aan de menselijke verschillen, die er nu eenmaal bestaan en die juist de grondslag voor de rijke verscheidenheid van het menselijk leven vormen.

Onder het kapitalistische systeem is de enige maatstaf voor de productie, winst te maken. Men redeneert eenvoudig : als er met de productie van een zeker artikel, een behoorlijke winst te maken is, dan produceert men dit artikel. Kan men er niet meer aan verdienen, dan wordt de productie beperkt of beëindigd. Men neemt eenvoudig aan, dat de winst mogelijkheden ongeveer de behoeften uitdrukken. Dit is onjuist want het enige, wat uit de winst mogelijkheden komt (dan nog zeer gebrekkig,) kan afgeleid worden, wat men nogal onbeholpen uitdrukt met de woorden : "de koopachtige vraag".

Maar daarmee geeft men echter zelf toe, dat er nog een andere vraag bestaat de "koopkrachtige.Men weet heel goed, dat de vraag zich alleen kenbaar kan maken, als er koopkracht onder de mensen aanwezig is. Men weet óók, dat er vele mensen zijn, die over koopkracht in onvoldoende mate beschikken, maar die van alles en nog wat zeer dringend nodig hebben. Onder het winstsysteem kan de werkelijke vraag zich niet uiten. Beschikt een ieder over voldoende koopkracht, dan kan de vraag zich wél uiten.

Het is dan duidelijk dat in de loop van de productie periode, de hele geproduceerde hoeveelheid van een bepaald artikel wordt gekocht, dan is dit een aanwijzing, dat het artikel "gewild" is, maar ook, dat vermoedelijk de vraag groter is, dan de geproduceerde hoeveelheid. De productie wordt dan net zo lang geproduceerd tot er aanwijzingen komen die kunnen gelden als een bewijs, van nu is het "genoeg" anders komt er te veel. Omgekeerd wordt de productie beperkt, waardoor onverkoopbare grote overschotten ontstaan. Maar het al of niet saldoloze verbruik is niet de enige maatstaf voor de hoeveelheid van de productie.

De vrije publieke meningsuiting alsmede de voortdurende afzetcontróle zijn nog zeker de middelen om de productie in overeenstemming met de consumptie te brengen. Het spreekt vanzelf, dat de productie periodiek aan een herziening wordt onderworpen. Op zeker moment moet een algehele inventaris een balans worden opgemaakt. Zodra de nieuwe economie goed op gang is gekomen, kan de herziening éénmaal per jaar plaats vinden. Er zal dan duidelijk zijn, dat de consumptie van bepaalde artikelen een gelijke stap inhoud met de productie ervan en dat van sommige artikelen langzamerhand, grote overschotten ontstaan.

Tegelijkertijd vindt een optelling plaats van de niet aangewende koopkracht. Het totaal daarvan moet overeenstemmen met de totale prijs van de goederen overschotten. De ongebruikte koopkracht bedragen worden eenvoudig geschrapt, omdat de mensen het bewijs leveren, dat diegenen, waarvan hun rekening een saldo aanwijst, dat zij het volle bedrag van hun koopkracht niet nodig hebben, of het tenminste niet kunnen of willen besteden. De met deze koopkrachtsaldi, (dat is een soort belasting.)

Waar overeenstemmende goederenoverschotten, ter ontlasting van het programma naar de volgende produktie periode gaan en die blijven dus de gemeenschap ten goede komen. Dus de productie van de goederen, waardoor overschotten ontstaan, wordt in de volgende productie periode vermindert en wordt er begonnen met het produceren van andere goederen, waarvan men de consumptie gelijk houdt met de productie en die worden opgevoerd, indien dit noodzakelijk is.

Het annuleren van het koopkrachtsaldi van de verschillende mensen van de gemeenschap is niet onrechtvaardig. Het is duidelijk geworden uit die saldo, dat de mensen meer koopkracht hebben ontvangen, dan ze hebben kunnen uitgeven. Zij hebben geleefd en góed geleefd, anders zouden er geen overschotten zijn. Zijn die overschotten ontstaan door het zich ontzeggen ter wille van financiële besparingen, dan houdt annulering van die besparing, een aansporing in, om nu eens eindelijk het financiële sparen af te schaffen, om van het leven te genieten, waar de mogelijkheden daartoe zich op gepaste wijze opent.

Annulering van koopkracht overschotten is overigens noodzakelijk, ter vermijding van geldophoping, dat dan weer het groeien van financiële overmacht tot gevolg zou hebben. Onmiddellijk na het annuleren van de koopkracht overschotten wordt de koopkracht voor de nieuwe periode verdeeld, zo dat geen mens "zonder geld zit". Zoals in de aanvang reeds is gezegd, geschiedt de uitkering van het aandeel in de vorm van het boeken, van het tegoed op een girorekening. Daarmee is de zekerheid geschapen, dat het aandeel persoonlijk blijft. Het kan niet aan andere worden overgedragen.

De techniek van het aanwenden van de koopkracht is niet anders dan afschrijvingen van het tegoed bij iedere aankoop. De afschrijvingen komen niemand ten goede. Er bestaan geen overschrijvingen. Het afschrijven van een bedrag betekend : het tenietgaan van de koopkracht, die zijn dienst heeft gedaan. Het geld gaat dus op het zelfde ogenblik teniet (het verdwijnt) net als de goederen, waarvoor het betaald wordt, en door dat de consumptie ook teniet gaat. Kan dus nimmer een verkeerde handeling door de overheid gemaakt worden.

Uit het bovenstaande bewijst, dat de koopkracht, die verstrekt wordt, bestaat uit een giraal, (strikt persoonlijk geld op een girorekening ) dat aan een beperkte looptijd gebonden is. Er is nog op gewezen, dat kleine bedragen, zoals een dubbeltje voor de tram, of een cent voor de openbare weegtoestellen, kortom alle dagelijks terugkomende kleinere uitgaven kan niet door afschrijvingen van de girorekeningen worden betaald. Daarvoor zijn andere voorzieningen getroffen, die hier niet behandeld kunnen worden, aangezien deze toelichting te beknopt is.


PUNT. 11 Internationale goederen en dienstenruil worden door de overheid geregeld.

Geen land kan gehéél, onafhankelijk zijn. Geen land bevat genoeg mogelijkheden in eigen bodem en eigen geografische ligging om zijn bevolking naar de eisen van het tegenwoordige ontwikkelingspeil te kunnen voeden, kleden, huisvesten, ontspannen, enz. Ook kan geen mens geheel onafhankelijk zijn, ieder mens heeft hulp van zijn medemensen nodig. Zo kan ook geen land de hulp van andere landen missen. Van naturen berust het bestaan van de mensen en van de landen op wederzijdse hulpverlening. Deze wederzijdse hulpverlening van de landen onderling wordt in de praktijk. De internationale goederen en dienstenruil genoemd, of wel import en export.

Onder de kapitalistisch liberalistische huishouding berustte de internationale goederen en dienstenruil bij de lichamen van import en export. Er kon dus nimmer een evenwicht bestaan tussen de waarden aan goederen en diensten, die het land verlieten en van, welke landen het binnen kwam. Het waren die lichamen die de resultaten van hun koophandel in geld doen verzilveren en zij lieten zich dus uitsluitend leiden door hun winstbegeerten, zonder er zich om te bekommeren, of er in de waarderuil onevenwichtigheden bestonden.

De regeringen werden in de loop van de tijden bij de internationale goederen en dienstenruil betrokken, zodat een zogenaamde handelspolitiek bestond, die in de eerste instantie op gericht was, import en export rendabeler te maken en te houden voor die lichamen, die er zich mee bezig hielden en pas in tweede instantie zich met de werkelijke grondstoffen voorziening bemoeide. Ten onrechte meende men, dat veel kon worden over gelaten aan het vrije spel van de maatschappelijke krachten, dat men kon volstaan met hier en daar te steunen en te remmen, door middel van invoerrechten, import en exportverboden, kredieten, verdragen enz.

Wij hebben een tijd gekend, waarin de regeringen, doel bewust naar een gunstige betalingsbalans streefden. Dit betekent, dat men, met de hoogste wijsheid er naar streefden, dat de geldwaarde van de, naar het buitenland de geëxporteerde goederen, aan het buitenland, verleende diensten de buitenlandse tegenprestatie, dus de import, overtrof. Daarbij maakte men twee fouten, namelijk : ten eerste, dat men het geld (de winst) als het belangrijkste zag : ten tweede, dat men willens en wetens een onevenwichtige {een gunstige saldo) kweekte.

Nu weet men dat een betalingsbalans moet sluiten, dat wil zeggen : er moet naar gestreefd worden, dat een even grote waarde uit het land gaat als er in komt. Dit is noodzakelijk niet alleen voor de grondstoffen voorziening van het eigen land, toch ook voor die andere landen. Het is wel degelijk de plicht van het eigen land, er toe bij te dragen, dat de grondstoffen voorziening van de andere landen in orde is en blijft. Zo goed de mens er belang bij heeft, dat zijn medemens een behoorlijk bestaan heeft. Zo goed het ene land er belang bij heeft naar een behoorlijk bestaan, is het ook voor het ander land van belang naar een behoorlijk bestaan te streven.

Zelf indien het bedrijfsleven goed georganiseerd is, dat de leiding van de afzonderlijke bedrijven van de centrale punten uitgaat, kunnen export en import niet aan die centrale bedrijven worden overgelaten. Met andere woorden : zelf de zuivelindustrieën, de weverijen, de houthandels die elk door één centrale geleid worden, mogen deze centrales niet op eigen houtje vaststellen : zóveel gecondenseerde melk, zóveel geweven stoffen zullen wij exporteren, zóveel metaal, zóveel hout zullen wij importeren. Deze centrales kunnen elk voor zich de behoeften en mogelijkheden in hun speciale bedrijfssfeer overzien. Niet echter de algemene behoefte en mogelijkheden.

Het is de overheid die de algemene behoefte en mogelijkheden regelt en die over de import en export van goederen en diensten heeft te beslissen en die alles regelt. Wat is import ? Import is invoer van datgene, wat in het eigen land ontbreekt. Import is de grondstoffenvoorziening. Wat is export ? Export is datgene wat het eigen land produceert boven het geen het zelf voor zijn behoefte nodig heeft en aan het buitenland afstaat in ruil voor de import. Export is de betaling van import.

Internationale dienstverrichtingen, valt onder het begrip import en export. Nederland heeft zich steeds veel met internationale dienstverrichtingen bezig gehouden. Men denkt aan de doorvoer van alle mogelijke grondstoffen die van overzee kwamen en die voor het binnenland bestemd waren. Amerikaans hout, graan, vruchten vonden hun weg in Rotterdam. Nederland verrichte een dienst, door de buitenlandse schepen te lossen en de goederen te vervoeren naar de landen die ze besteld hadden.

Nederland verrichtte ook reparatie en werkzaamheden aan schepen van vreemde nationaliteiten en Nederlandse ingenieurs legden in de vreemde, havenwerken aan, en bouwden bruggen, sluizen, fabrieken. De Nederlandse sleepdienst zorgde voor transport van dokken van vreemde mogendheden. Dit alles en nog veel meer is, internationale dienstverlening die het betaalmiddel vormde voor datgene aan goederen en diensten, dat Nederland nodig had, toch niet binnen zijn grenzen kon produceren. Nederland zal onder de naties hebben bij te dragen tot het stichten en handhaven van de Vrede. Een van de middelen daartoe is de organisatie van een eigen export, zo dat er evenwicht ontstaat met andere landen.

Deze evenwicht kan niet bereikt worden door de internationale goederen en dienstenruil aan de bedrijven zelf over te laten. Alleen de overheid is tot de opbouw en het uitvoeren van de internationale goederen en dienstenruil instaat, en zij zal de enige instantie zijn, die in de toekomst over import en export te beschikken heeft.


PUNT. 12 - Vrijheid van godsdienst

Elke godsdienstige en ethische richting vindt volkomen In vrijheid van uiting plaats.

"In het huis mijn Vaders zijn vele woningen". Dit bijbelwoord is van alles omvattende betekenis. Iedere waarde, vanaf de stoffelijke tot de hoogste geestelijke heeft een niet te tellen aantal kwaliteiten en aspekten. De oneindigheid openbaart zich op elk gebied. Zo is ook ieder mens een samenspel van veelzijdige factoren, ieder mens is een wereld op zichzelf en doet hem op eigen, persoonlijke wijze zien, het innerlijk te verwerken. Bij al het geen "de ene mens" aan de andere bindt, blijft hij mens, met een eigen (beschouwingswijze,) innerlijk. De ene mens vindt de andere in het geen alle mensen geestelijk en stoffelijk bindt en het geen allen gemeen hebben.

Ook de verscheidenheid hebben allen gemeen. Daarom: laat ons eerbied hebben voor elkanders mening, vooral op religieus en ethisch gebied. Laat ons denken aan hetgeen Anker Larsen zegt in "Roes": "Niet de plaats op de levensweg, maar het vermogen tot beleven en het gebruik maken daarvan openbaren ons de werkelijkheid. Noem dat dan Allah of God of hoe ge wilt", en laat ons handelen naar Bó Yin Rá's raad in Het boek van de levende God": "Ga zelf uw eigen weg, maar laat ook ieder zijn eigen weg doorlopen, ook wanneer zijn doeleinden ver achter u liggen !"

Index van hoofstukken van het boek Looking Backward van Eduward Bellamy

Overzicht van informatie bij de Bellamy Stichting