|
(klik)
Aan: Prof. Mr Jako J. van
Hees Eyes on
Insolvency, 18 april
2013 en
de uitzending van
TV-Oost Het
faillissement is dood, lang leve het faillissement! Inleiding
De plaats die de wetgever in
ons vermogensrechtelijk systeem aan het faillissement heeft toebedacht is
duidelijk: het faillissement is een collectieve verhaal procedure ten behoeve
van de gezamenlijke schuldeisers. De praktijk is inmiddels een geheel andere.
Het verhaal vindt vooral nog plaats om de curator middelen te verschaffen zijn
eigen salaris te voldoen. In de meeste gevallen lukt dat overigens niet.
In die
gevallen waarin het verhaal nog wel voldoende oplevert, worden eerst de
boedelschuldeisers voldaan en daarna, met enig geluk, de hoog preferente
schuldeisers. Aan een uitdeling aan concurrente schuldeisers wordt slechts bij
uitzondering toegekomen en dan nog voor bedroevend lage percentages. De door
zekerheid gedekte schuldeisers verhalen zich buiten het faillissement om. Die
hebben het faillissement niet nodig. Het
failliet van het faillissement als verhaal instrument ten behoeve van de
gezamenlijke schuldeisers is met deze praktijk gegeven. Desondanks komen
faillissementen veel voor. Dat rechtvaardigt de vraag welke functie het
faillissement dan in het huidige economische bestel wèl vervult. Dat zijn er
meerdere. Ik breng
hieronder allereerst in kaart welke functies aan het faillissement in de huidige
tijd kunnen worden toegekend. Daarna ga ik in op het spanningsveld dat door deze
functies tussen de betrokken belangen wordt opgeroepen en de wijze waarop de
wetgever te kennen heeft gegeven met dit spanningsveld om te willen gaan. Ik
sluit af met het formuleren van een aantal uitgangspunten waaraan, gegeven de
huidige insolventiepraktijk, een herziening van de insolventiewetgeving zou
moeten voldoen. Het gevolg van het
faillissement De
functies van het faillissement in de huidige praktijk houden alle verband met
het belangrijkste gevolg daarvan: een faillissement betekent het einde van de
economische activiteit van de desbetreffende schuldenaar. De aangetreden curator
zal de nog aanwezige activa, voor zover die niet door zekerheidsgerechtigden
worden te gelde gemaakt, verkopen aan een derde en daarmee de deelname van de
schuldenaar aan het economisch verkeer beëindigen. Failliete rechtspersonen
houden zelfs geheel op te bestaan. De economische activiteiten zelf behoeven
daarmee natuurlijk niet te eindigen. Het is heel goed mogelijk dat de derde die
de activa van de curator heeft gekocht daarmee hetzelfde gaat doen als de
failliete schuldenaar. En het is ook zeker niet uitgesloten dat bij deze derde
dezelfde personen de scepter zwaaien als degenen die dat deden bij de failliete
schuldenaar. De eerste functie: de
economische pil van Drion De eerste
functie die met dit gevolg samenhangt is dat het faillissement een schuldenaar
die zich geconfronteerd ziet met een onoverkomelijke schuldenlast de
mogelijkheid biedt een punt te zetten achter zijn economisch bestaan. Dat kan
hij doen door zelf aangifte tot faillietverklaring te doen. Aldus wordt het
verder oplopen van deze schuldenlast voorkomen en, in de praktijk vaak de
belangrijkste drijfveer, bij rechtspersonen het ontstaan van
bestuurdersaansprakelijkheid. Deze economische zelfmoord kan schokkend zijn voor
de bij de schuldenaar betrokkenen, maar vervult een nuttige functie. Aan niet
langer rendabel te maken activiteiten wordt een einde gemaakt en alle rechten en
verplichtingen worden ordentelijk door de curator afgewikkeld. De pil
behoeft overigens niet altijd door de schuldenaar zelf te worden ingenomen, maar
kan ook door een schuldeiser worden toegediend. Dat kan zijn omdat deze
schuldeiser het heeft gehad met deze niet-betalende schuldenaar en daarom zijn
faillissement wil bewerkstelligen. Ook kan het zijn dat de aanvraag wordt
ingediend als incassomiddel, zonder het beoogde resultaat, maar met het
faillissement tot gevolg. Zoals opgemerkt zal de indiening zelden plaatsvinden
in de verwachting dat het faillissement ook relevante opbrengsten zal genereren.
De tweede functie:
fraudebestrijding Alhoewel
curatoren zichzelf niet plegen te zien als onderdeel van het instrumentarium om
fraude te bestrijden, vervult het faillissement (en dus de curator) daarin een
belangrijke rol. Dat heeft alles te maken met de bijzondere bevoegdheden die de
wet aan de curator toekent. Te denken valt aan de bevoegdheid tot binnentreden,
de inlichtingenplicht van de schuldenaar en zijn bestuurders/commissarissen, de
mogelijkheid van gijzeling, de faillissementspauliana, het faillissementsverhoor
en de bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. Deze functie van het
faillissement kan, anders dan de andere functies, rekenen op grote
belangstelling vanuit het politieke veld. De
derde functie: sanering van ondernemingen De
wetgever heeft met de regeling van het faillissement zeker niet het scheppen van
een saneringsmogelijkheid voor ogen gehad. Daarvoor was de surseance van
betaling bedoeld. Dat deze laatste figuur daarvoor in de praktijk niet werkt,
heeft te maken met misvattingen bij de wetgever over de factoren die bepalend
zijn voor een succesvolle sanering en het feit dat (ook) deze regeling niet is
aangepast aan de maatschappelijke ontwikkelingen. Het
faillissement daarentegen vervult een functie bij de sanering van ondernemingen.
Waar ligt dat aan? Het belangrijkste is dat een verkoop van de activa van een
onderneming aan een derde in de regel betekent dat de derde in staat wordt
gesteld de onderneming voort te zetten, of althans de gezonde onderdelen
daarvan, zonder dat hij last heeft van de door de failliete schuldenaar
opgebouwde schuldenlast. De passiva blijven immers achter in het faillissement.
De derde zal het met schuldeisers die een zekerheidsrecht op de over te dragen
activa hebben op een akkoordje moeten gooien. Ook het
feit dat arbeidsovereenkomsten bij een activatransactie vanuit faillissement
niet overgaan, in weerwil van de hoofdregel, is een belangrijke succesfactor. In
die gevallen waarin sanering alleen mogelijk is door het laten verdwijnen van
arbeidsplaatsen, kunnen de kosten die daarmee gepaard gaan in de weg staan van
een sanering buiten faillissement. Het spanningsveld
Het feit
dat de drie bovengenoemde functies kunnen worden onderscheiden, betekent niet
dat zij in de praktijk ook altijd zijn gescheiden. Het faillissement van een
schuldenaar kan tot gevolg hebben dat de door hem gedreven onderneming in
gesaneerde vorm wordt voortgezet ook al was dat niet het (primaire) oogmerk van
de aangifte of de aanvraag. En in ieder faillissement zal de curator onderzoek
doen naar eventuele fraude-elementen. Ook de
oorspronkelijk door de wetgever beoogde verdelingsfunctie blijft overigens in
stand, al is dat meestal niet zozeer ten behoeve van de gezamenlijke
schuldeisers maar veel meer ten behoeve van de separatisten, de
boedelschuldeisers en wellicht de hoog preferente schuldeisers. Deze
verdelingsfunctie is inmiddels eerder een noodzakelijk onderdeel van de
beëindiging en afwikkeling van de economische activiteit van de schuldenaar dan
een beoogd doel. Het lijkt dan ook enigszins overdreven om vast te houden aan de
gedachte dat de curator zich bij de afwikkeling van het faillissement
uitsluitend dient te laten leiden door het belang van de gezamenlijke
schuldeisers. Uitgaande
van de beschreven functies is het niet zo heel moeilijk te bedenken welke
belangen bij de afwikkeling van faillissementen een rol spelen. Voor individuele
schuldeisers is dat natuurlijk altijd nog het financiële belang, althans voor
zover het schuldeisers betreft die “in the money” zijn, met andere woorden de
schuldeisers die uit het faillissement een relevante uitkering kunnen
verwachten. Zij hebben belang bij een zo hoog mogelijke opbrengst. Maar ook
andere belangen, van meer maatschappelijke en macro-economische aard, kunnen
worden geïdentificeerd. Te denken
valt onder meer – en in willekeurige volgorde – aan het belang van het voorkomen
van kapitaalvernietiging, kostenbeperking, behoud van kennis en werkgelegenheid,
eerlijke concurrentie, kredietverlening, rechtszekerheid, transparantie,
belastingopbrengsten en fraudebestrijding. In rechterlijke beslissingen over
faillissementskwesties zijn al veel van deze belangen, al dan niet in dezelfde
bewoordingen, genoemd ter motivering van de uitspraak. De rol van de wetgever
De
terughoudendheid van de wetgever om ingrijpende aanpassingen in de zwaar
verouderde regelgeving aan te brengen, moet waarschijnlijk vanuit het hierboven
beschreven spanningsveld worden verklaard. Het aanpassen van de
Faillissementswet aan de huidige functies van het faillissement vereist immers
een afweging van de vele betrokken belangen en het maken van keuzes. De
politieke wil daartoe ontbreekt, niet alleen omdat het een lastige en
omvangrijke klus is maar ook omdat een aantal van deze belangen wordt
vertegenwoordigd door invloedrijke organisaties. Daarbij
komt dat de wetgever zelf belanghebbende is in het krachtenspel van het
faillissement, aangezien hijzelf in de persoon van de ontvanger der belastingen
één der belangrijkste schuldeisers is. Het is met deze achtergrond niet
verwonderlijk dat het voorontwerp voor een nieuwe Insolventiewet van de
commissie Kortmann, waarmee een goede aanzet tot modernisering van onze
insolventiewetgeving werd gegeven, in de bureauladen van het Ministerie van
Veiligheid en Justitie is beland. Het gevolg
van de terughoudendheid van de wetgever is dat de regulering van de
faillissementsafwikkeling op dit moment voor een belangrijk deel is overgelaten
aan de rechtspraak en de praktijk zelf. Het is mooi dat daar in veel gevallen
oplossingen worden gevonden en knopen worden doorgehakt, maar dit doet wel
afbreuk aan de vereiste rechtszekerheid en transparantie waaraan niet alleen
binnen de Nederlandse verhoudingen maar ook in een internationale context grote
betekenis moet worden toegekend. Het is dan
ook met grote vreugde dat kan worden vastgesteld dat in de aarzelingen van de
wetgever om onze Faillissementswet onder de loep te nemen een – voorzichtige –
kentering lijkt te zijn gekomen. In ieder geval heeft de Minister van Veiligheid
en Justitie aangekondigd voornemens te zijn voorstellen te doen die moeten
leiden tot modernisering, versterking van het reorganiserend vermogen van
bedrijven en verhoging van de effectiviteit van de fraudebestrijding, het
“Programma herijking faillissementsrecht”.1
1 Zie de brief van de Minister aan de
Tweede Kamer van 27 november 2012, nr. 326963. De titel
van het programma luidt ambitieus en veelomvattend. De invulling die daaraan
wordt gegeven in de aankondiging is echter aanmerkelijk beperkter. De
fraudebestrijding staat duidelijk voorop en wie de brief van de Minister leest
kan zich niet aan de indruk onttrekken dat een eerste concept daarvan
uitsluitend aan dit onderwerp moet zijn gewijd. Mogelijk dat recente aandacht in
de pers en Kamervragen die daarover zijn gesteld over het gebrekkige
reorganiserend vermogen van onze oude wet ook de andere in de brief genoemde
onderwerpen op de kaart hebben gezet. Desalniettemin benadrukt de Minister
nogmaals niet te voelen voor een fundamentele herziening van de bestaande
insolventiewetgeving. “Concrete oplossingen voor concrete problemen” is het
uitgangspunt. Aldus
dreigt de wetgever te volstaan met het aanbrengen van een verse verflaag op een
oude regenton waarvan de duigen al op vele plaatsen zijn doorgerot. De aanschaf
van een nieuwe ton, bij voorkeur vervaardigd uit een moderne kunststof, ware te
prefereren. Uitgangspunten voor
hervorming van het insolventierecht
Indien de
waarschuwingen van de Minister over de beperkingen in zijn voornemens worden
genegeerd, op basis van welke uitgangspunten zou dan onze bestaande
insolventiewetgeving moeten worden herzien? In de
eerste plaats zou nieuwe insolventiewetgeving oog moeten hebben voor de beperkte
functie die een faillissement heeft als verhaalsinstrument voor schuldeisers. De
hierboven genoemde drie functies, de opruimfunctie, de saneringsfunctie en –
vooruit – de fraudebestrijding zouden leidend moeten zijn, met de
verhaalsfunctie als – secundair – uitvloeisel daarvan. Daar volgt
uit dat nieuwe wetgeving niet langer meer de gezamenlijke schuldeisers als
primair belanghebbenden bij de afwikkeling van insolventies dient aan te merken.
Deze abstracte aanduiding van een zeer heterogene groep betrokkenen is niet
geschikt om als richtsnoer te nemen bij de wijze van afwikkeling van een
faillissement en de toekenning van daarmee verband houdende bevoegdheden. Bij een
faillissement zouden slechts de betrokkenen die een direct belang hebben bij de
afwikkeling daarvan in staat moeten worden gesteld daarop invloed uit te
oefenen. Zo lijkt
er geen goede rechtvaardiging voor het feit dat schuldeisers waarvan vaststaat
dat zij bij een verdeling niets zullen ontvangen desondanks stemrechten kunnen
uitoefenen in schuldeisersvergadering-en of zitting kunnen nemen in een
schuldeiserscommissie. Evenmin valt er een goede reden te bedenken waarom deze
groep toegang heeft tot de rechter-commissaris om invloed uit te oefenen op het
beheer van de boedel. Ook valt
niet in te zien waarom aandeelhouders van een failliete rechtspersoon nog steeds
beslissingen kunnen nemen over aangelegenheden zoals de benoeming van
bestuurders of de uitgifte van nieuwe aandelen. Voorts zou nieuwe
insolventiewetgeving moeten onderkennen dat een faillissement een spanningsveld
vormt van vele belangen en dat deze belangen een inbreuk op rechten van bepaalde
betrokkenen kunnen rechtvaardigen. Onder de
huidige wetgeving geldt dit bijvoorbeeld al voor werknemers, die moeten dulden
dat hun arbeidsovereenkomsten in weerwil van de buiten faillissement geldende
regeling niet overgaat op de koper van de onderneming van de failliet. Hetzelfde
geldt voor verhuurders, die hun contract bij faillissement van de huurder
eenvoudig beëindigd kunnen zien worden, waar daarvoor buiten faillissement
strenge contractuele en wettelijke beperkingen gelden. In een
nieuwe insolventiewetgeving zou een dergelijke inbreuk op bestaande rechten ook
buiten de kring van deze specifieke betrokkenen mogelijk gemaakt moeten worden.
Het valt bijvoorbeeld niet goed in te zien waarom een leverancier van de
failliet zijn leveranties aan de failliet of de koper van diens onderneming zou
mogen beëindigen als de betaling van deze leveranties overigens gewaarborgd is.
Hetzelfde geldt voor de verhuurder van het bedrijfspand van de failliet. De continuïteit
van de onderneming en de daarmee samenhangende belangen rechtvaardigen een
inbreuk op de autonomie van de desbetreffende betrokkene.
De
conclusie is onontkoombaar. Deze uitgangspunten vereisen een algehele en
fundamentele herziening van het insolventierecht, in de vorm van een nieuwe
Insolventiewet. Het aanpassen van de huidige Faillissementswet met “concrete
oplossingen voor concrete problemen” doet geen recht aan de fundamenteel
gewijzigde functies van het faillissement en zullen leiden tot inconsistenties
en rechtsonzekerheid. De commissie Kortmann had het goed gezien. De
Faillissementswet is dood, lang leve de nieuwe Insolventiewet!
Met vriendelijke groet,
Ing. Arnold van der Voort, voorzitter |
Stichting Sociale Databank Nederland
E-mailadres: sdn@planet.nl
Internet site:
http://www.sdnl.nl/lang-leve-het-faillissement.htm