VOORWOORD; "DE WATERTANK"
De gelijkenis van de watertank is zéér aan bevelenswaardig om te lezen.
Het vertelt ons in een mooie taal hoe ons economische systeem in elkaar zit, functioneert en zich telkenmale aanpast aan wisselende omstandigheden, maar "in wezen" niets en nooit verandert. Sinds de beschaving mensen ertoe bracht in groepen en later in steden te gaan wonen, bestaat dit individualistische systeem. Het is zéér egoïstisch, ruw en onbeschaafd. Het schuwt het geweld niet. Het is nooit en ten nimmer in staat de mens toekomst, zekerheid en geluk te verschaffen. Het vervalt telkens in dezelfde fouten, door de medeloze concurrentie wordt er steeds minder winst gemaakt, men ziet geen uitweg meer, het begint met geruchten van oorlog en eindigt in een echte oorlog.
Bellamy laat zien dat de maatschappij, wereld en de economische orde héél anders, beter en eenvoudiger kan worden
georganiseerd. Het organiseert slechts "goed" het economische systeem en de telkens gemaakte zelfde fouten en oplossingen behoren voor ééns en altijd tot het verleden. Wereldvrede is dan absoluut gegarandeerd !!! De héél bekende Nederlandse
Professor Schulte Nordholt schreef in 1990 in trouw. "De Bellamy maatschappij. De gemeenschap is echt het Koninkrijk Gods
op Aarde".
Beste mensen: ontwaakt, sluit u aan bij de INTERNATIONALE VERENIGING BELLAMY, lees de boodschap van Bellamy op (Internet) en werk mee aan een WERELD, waarin traditionele oplossingen ( oorlogen ) tot het verleden behoort. Maak het bekender en bestudeer de boeken.
Een wereld met permanente voorspoed, gerechtigheid, toekomst en geluk. Mensen bedenk goed: In een wereld "die wordt geregeerd door het geld", daarin is altijd armoede, narigheid, ellende, oorlog en geweld !!! En nu wensen wij u heel veel leesplezier met die mooie gelijkenis van de watertank.
DE GELIJKENIS VAN DE WATERTANK
Een hoofdstuk uit het boek "Economische gelijkheid" van Bellamy,
Er was eens een zeer droog land en de bevolking had grote behoefte aan water. Ze deden niets anders dan van de morgen tot de avond naar water zoeken en vele kwamen om, door dat ze het niet konden vinden. Intussen waren er mannen in dat land, die sterker en flinker waren Dan de overigen en deze hadden een grote voorraad water verzameld, terwijl andere niets konden vinden. Deze mannen werden kapitalisten genoemd. En het gebeurde, dat het volk van dat land naar de kapitalisten ging. Zij baden de kapitalisten hun iets van het water te geven, dat deze had verzameld, om dat zij konden drinken, want zij
hadden het zeer nodig. Maar de kapitalisten zeiden:
Gaat heen dom volk, waarom zouden wij van het water geven, dat hebben wij verzameld, want dan zou het ons net zo vergaan als U en wij zouden net als U omkomen. Maar ziet wat wij voor U zullen doen. Weest onze dienaren en gij zult water hebben".
Toen zei het volk: "Geef ons slechts water te drinken en wij zullen Uw dienaren zijn, wij en onze vrouwen en kinderen."
En zo geschieden het.
Nu waren de kapitalisten listige mannen. Zij rangschikten het volk, dat hen diende, in troepen onder leiders en hoofdlieden. Sommige zetten zij bij de bron, om water te scheppen en anderen lieten zij water dragen en weer anderen dwongen zij naar nieuwe bronnen te zoeken. En al het water werd naar één plaats gebracht en de kapitalisten maakten daar een grote tank om het water te bewaren. En de tank werd markt genoemd, want dáár alleen, tot zelfs de dienaren van de kapitalisten, kwamen om water te halen. En de kapitalisten zeiden tot het volk: "Voor elke emmer, dien gij ons brengt, om het in de tank, die de markt is, te gieten, zullen wij U één penning geven. Maar voor elken emmer, dien wij er uit halen om U te geven, opdat gij drinken kunt, gij en Uw vrouwen en kinderen, moet gij ons twee penningen geven. Het verschil zal onze winst zijn. Als het niet om deze winst ware, ziet, wij zouden dat niet voor U doen en gij zouden allen omkomen."
En het was goed in de ogen van het volk, want het was traag van begrip. En het bracht ijverig water naar de tank gedurende vele dagen.
Voor elken emmer, die de mannen en vrouwen brachten, gaven de kapitalisten hun één penning, maar voor elken emmer water dien de kapitalisten uit de tank schepten, om het weer aan het volk te geven, gaf het volk den kapitalisten twee
penningen.
En na vele dagen stroomde de tank, die de markt was, over, aangezien het volk voor elken emmer, dien het erin goot, slechts zoveel ontving, dat het een halven emmer er voor kon terugkopen.
Daarom vloeide het te veel, dat van elken emmer overbleef weg. Want tot het volk behoorden vele mensen en tot de rijken weinigen en deze konden niet meer dan anderen drinken. Daarom vloeide de tank over. En toen de kapitalisten zagen, dat de tank overvloeide, zeiden zij tot het volk: "Ziet gij niet, dat de tank, die de markt is, overvloeit? Gaat zitten en wees geduldig, ge zult ons geen water meer brengen tot de tank weer leeg is."
Maar toen het volk geen penningen meer kreeg, kon het van de kapitalisten geen water meer kopen, want het had niets om te kopen. Toen de kapitalisten zagen, dat ze geen winst konden maken, omdat niemand meer water kocht, werden zij ongerust. Zij stuurde mannen naar de straatwegen en paden, roepende: "Als iemand dorst heeft, laat hem naar de watertank gaan en water
van ons kopen, want de tank stroomt over." En de kapitalisten zeiden onder elkaar: "Ziet, we moeten reclame maken, want het zijn slappe tijden."
Maar het volk antwoordde, zeggende: "Hoe kunnen wij kopen, tenzij gij ons huurt, want hoe kunnen wij anders iets hebben, om te kopen. Huur ons daarom als vroeger en wij zullen gaarne water kopen, want onze dorst is het en het is niet nodig om reclame te maken."
Maar de kapitalisten zeiden tot het volk: "Zullen wij U huren om water te halen, als de tank, die de markt is, overvloeit ? koopt dan eerst water en als de tank door Uw kopen leeg is, dan zullen wij U weer huren." Omdat de kapitalisten hen niet meer huurden om water te brengen, kon het volk het water, dat het reeds gebracht had, niet meer kopen en omdat het volk het water niet meer kon kopen, dat het al gebracht had, huurde de kapitalisten hen niet meer om water te brengen. En overal werd gezegd. "Er is een crisis."
En de dorst van het volk was groot, want het was nu niet meer als in de dagen hunner vaderen, toen het land open stond voor iedereen, om voor zichzelf water te zoeken: de kapitalisten, hadden beslag gelegd op alle bronnen, wellen, schepraderen, en
emmers, zodat niemand aan water kon komen, behalve de watertank, die de markt was.
En het volk murmurerde zeer tegen de kapitalisten en zeiden: "Ziet, de tank vloeit over en wij sterven van dorst. Geeft ons dan water, opdat wij niet omkomen."
Maar de kapitalisten antwoorden: "Zo gaat het niet. Het water is van ons en gij zult er niet van drinken, tenzij gij het met penningen van ons koopt." En zij zetten er met een vloek kracht bij en zeiden als gewoonlijk: "Zaken zijn zaken." Maar de kapitalisten waren verontrust, dat het volk geen water kocht, zodat ze geen winst konden maken en zeiden tegen elkaar: "Het schijnt, dat onze winsten, onze winsten hebben stopgezet en omdat wij winst hebben gemaakt, kunnen wij geen winst méér maken. Hoe komt het, dat onze winsten niet meer winstgevend voor ons zijn en wat we gewonnen hebben, ons arm maakt ?. laat ons de waarzeggers ontbieden, om ons deze dingen te verklaren" En ze lieten hen komen.
Nu waren de waarzeggers mannen, die zeer kundig waren in het verklaren van duistere zaken. Zij verbonden zich met de kapitalisten van wegen het water dat hun eigendom was, omdat ze er van mochten hebben en leven, zij en hun vrouwen en kinderen. Zij spraken voor de kapitalisten het volk toe en brachten hun boodschap over. En de kapitalisten
verlangden van de waarzeggers hun te verklaren, waarom het volk geen water meer van hen kocht, ofschoon de tank vol was.
En sommige van de waarzeggers zeiden: "Dat komt door overproductie". Andere zeiden: "Dat is oververzadiging". Maar de betekenis van beide woorden is dezelfde. Weer anderen zeiden: "Wel neen, het geschiedt vanwege de zonnevlekken". Nog weer anderen zeiden: "Het is noch door oververzadiging, noch door de zonnevlekken, dat dit kwaad geschied, maar omdat er geen vertrouwen is".
En terwijl de waarzeggers onderling twisten, zoals zij altijd plachten te doen, sluimerden en sliepen de winstmannen en toen ze wakker werden, zeiden zij tegen de waarzeggers: "Het is genoeg. Gij hebt ons troostrijk toegesproken. Gaat nu heen en spreek ook troostrijk tot het volk, omdat het gerust moge zijn en ons met rust moge late."
Maar de waarzeggers, zelfs zij die de staathuishoudkunde of wel de "sombere wetenschap" beoefenden, want zo werd deze door sommigen genoemd, wilden liever niet tot het volk gaan, uit vrees, dat zij gestenigd zouden worden, want het
volk mocht hen niet. En zij zeiden tot de kapitalisten:
"Meester, wij weten dat als mensen verzadigd zijn en geen dorst en geen zorgen hebben, dezen evenals gij troost vinden in onze woorden. Maar als zij dorst en honger hebben, dan kunnen wij hun geen troost geven en zullen zij ons uitlachen. Want
het schijnt, dat bij een mens, die niet verzadigd is, voorkomt, dat onze wetenschap zonder inhoud is." Maar de
kapitalisten zeiden: "Gaat heen, zijt gij dan niet onze afgezanten om tot het
volk te spreken ?"
En de waarzeggers gingen naar het volk en verklaarden hun het geheim van de overproductie en hoe het kwam, dat het
noodzakelijk was, dat ze van dorst moesten omkomen, omdat er te veel water was en waarom er niet genoeg kon zijn, omdat er te veel was. En op dezelfde wijze spraken zij tot het volk over de zonnevlekken en ook, dat deze dingen alleen
door gebrek aan vertrouwen over hen waren gekomen.
En het was gelijk de waarzeggers gezegd hadden. Voor het volk was hun wijsheid zonder zin. En het volk schold hen uit zeggende: "Weg met U. Gij kaalkoppen. Houdt gij ons voor de gek ? Komt door de overvloed, hongersnood ? Komt er niets, uit veel ?. En zij namen stenen op om hen te stenigen.
Toen de kapitalisten zagen dat het volk nog altijd murmureerde en naar de waarzeggers niet wilden luisteren en ook omdat zij vreesden, dat het naar de watertank zou gaan om met geweld water te nemen, stuurden zij zekere heilige mannen naar het volk. Het waren echter valsche priesters. Deze geboden het volk rustig te zijn en tegen de kapitalisten niet te wrokken, omdat
het dorstig was. Deze heilige mannen, die valsche priesterswaren, zeiden het volk, dat deze bezoekingen door God waren gezonden om hun zielen te helen, dat zij die geduldig moesten dragen en dat zij, als zij geen water zouden begeren
en bij den kapitalisten geen last zouden veroorzaken dat na hun dood zij in een land zouden komen zonder kapitalisten, maar met een overvloed van water. Maar er waren ook zekere ware profeten van God. Zij waren met ontferming bewogen en wilden voor de kapitalisten niet profeteren maar waarschuwden het volk zonder ophouden voor hen.
Toen nu de kapitalisten zagen, dat het volk nog steeds murmureerde en niet wilde berusten noch door de woorden
van de waarzeggers noch door die van de heilige mannen, die valsche priesters waren, gingen zij zelf tot het volk. Zij doopten hun vingertoppen in het water, dat overvloeide over den rand van de tank en sprenkelde de druppels over het volk, dat zich om de tank verdrong. Men noemde de druppels liefdadigheid maar ze waren zeer bitter.
En als de kapitalisten wederom zagen, dat het volk niet wilde berusten, noch door de woorden van de waarzeggers en de heilige
mannen, die valsche priesters waren, noch door de druppels, die liefdadigheid werden genoemd, maar bitter smaakte, maar steeds meer raasde en zich om de tank samendrong, alsof het deze met geweld in bezit wilde nemen, gingen zij met elkander te rade en zonden heimelijk mannen tot het volk. Deze kozen de sterksten mannen en zij die bedreven waren in de krijgskunst, namen hen terzijde en sprak listig tot hen, zeggende:
"Komt nu, waarom schaart gij U niet aan de zijde van de kapitalisten ? Als gij hun mansschappen wilt zijn en tegen het volk zult dienen, opdat het niet los gaat op de tank, dan zult gij water in overvloed hebben, zodat gij niet omkomt, gij en uw vrouwen en kinderen."
En de sterke mannen en zij, die bedreven waren in de krijgskunst, luisterden naar deze woorden en lieten zich overhalen. Want de dorst dwong hen en zij gingen naar de kapitalisten en diende hen. Zwaarden en stokken werden in hun handen gegeven en zij werden verdedigers van de kapitalisten en sloegen het volk als het zich om de tank verdrong. Na vele dagen was het water in de tank gedaald. Want de kapitalisten maakte fonteinen en visvijvers en baadden erin, zij, hun vrouwen en hun kinderen en zij verspilden het water voor hun genoegen.
Toen de kapitalisten zagen, dat de tank leeg was, zeiden zij: De crisis is geëindigd". En zij lieten het volk komen en
huurden het opdat het water zou brengen om de tank opnieuw te vullen. En voor het water, dat het volk bracht, kreeg het voor iedere emmer één penning. Maar voor iedere emmer water, dien de kapitalisten uit de tank schepten om weer aan
het volk te geven, kregen zij twee penningen, omdat zij hun winst zouden hebben.
Na enigen tijd vloeide de tank weer over als tevoren. Toen het nu dikwijls voorkwam, dat het volk de tank vulde tot deze overvloeide en dorst had, totdat het water door de kapitalisten verspild was, geschiedde het, dat in het land
enige mannen opstonden, die opruiers werden genoemd. Want zij zetten het volk tot opstand aan. Zij spraken het volk toe, zeggende dat het zich zou verenigen; men behoefde dan niet meer de dienaren van de kapitalisten te zijn en zou niet
meer naar water dorsten.
In de ogen van de kapitalisten waren de opruiers verderfelijke kerels en ze zouden hen gaarne gekruisigd hebben, maar ze durfden dit niet om het volk. En de woorden van de opruiers, die tot het volk spraken, waren als volgt: "gij dwaas
volk, hoe lang zult gij nog door een leugen misleid worden en tot Uw schande geloven, wat niet is ?. Want ziet, alle dingen, die tot U gezegd zijn door de kapitalisten en door de waarzeggers, zijn listiglijk verzonnen fabels.
Evenzo is het met de heilige mannen die zeggen, dat het Gods wil is, dat gij altijd arm, ellendig en dorstig moet blijven. Ziet, zij lasteren God en zijn leugenaars, die Hij bitter zal veroordelen, terwijl Hij alle anderen zal vergeven. Hoe is het, dat gij niet aan het water mocht komen ?. Is dat niet, omdat gij geen penningen hebt ? en waarom hebt gij geen penningen ? Is dat niet, omdat gij slechts één penning ontvangt voor elken emmer, dien gij naar de tank, die de markt is, brengt, maar twee penningen moet terug betalen voor elken emmer dien gij er uit haalt, opdat de kapitalisten hun winst hebben ? Ziet gij dan niet, dat zodoende de tank moet overvloeien, daar deze gevuld is met wat gij ontbeert en overvol is, doordat gij onverzadigd zijt, ? Ziet gij dan niet evenzo, hoe harder gij zwoegt en des te ijveriger gij water zoekt en brengt, des te erger het wordt, in plaats van des te beter dat voor U zijn zal ten gevolge van de winst van de kapitalisten en dat het altijd zo zal blijven ?".
Op die wijze spraken de opruiers gedurende vele dagen tot het volk. En zij antwoorden hen, zeggende: Gij spreekt de waarheid. Het is door de kapitalisten en hun winst, dat wij ontberen, aangezien wij door hen en hun winst nooit vruchten van onze arbeid kunnen plukken, zodat ons werk vergeefs is. Hoe meer wij zwoegen en de tank vullen, des te eerder zal deze over vloeien en wij zullen niets ontvangen, omdat er veel te veel is, volgens de woorden van de waarzeggers.
Maar ziet, de kapitalisten zijn hard en zij zijn wreed zelfs in hun liefdadigheid. Zegt ons, of gij niet een middel weet, ons uit onze knechtschap te bevrijden. Maar is dat geen zeker middel is, dan smeken wij U te zwijgen en ons te verlaten, opdat wij onze ellende mogen vergeten." En de opruiers antwoorden en zeiden: "Wij weten een middel." En het volk zei: "misleid ons niet, want deze zaak is van het beginnen al zo geweest en nooit heeft iemand tot heden een middel gevonden tot bevrijding, ofschoon velen het zorgvuldig en onder tranen hebben gezocht. Maar weet gij er één, zo zegt het ons spoedig."
Toen spraken de opruiers over het middel en zeiden: "Ziet, hebt gij deze kapitalisten van noode, dat gij hun de winsten van Uw arbeid zoudt afstaan ? welke grote taak hebben zij volbracht, dat gij hun deze schatting moet betalen ? Ziet het is, omdat zij U groepen ordenen en leiding geven en U taken opleggen en U later iets van het water geven, dat gij zelf gebracht hebt en niet zij. Nu, geeft acht op het middel om uit Uw knechtschap te geraken. Doet voor U zelf, wat de kapitalisten gedaan hebben, dat is: Uw arbeid regelen. Uw groepen rangschikken en Uw taken verdelen. Zo zult gij de kapitalisten niet meer behoeven en hun de winst afstaan, maar zult gij de vruchten van Uw arbeid als broeders delen, zodat allen evenveel ontvangen. Dan zal de
tank nooit meer overvloeien, ieder zal verzadigd zijn en niets meer verlangen. En later zult gij met den overvloed mooie fonteinen en visvijvers aanleggen voor Uw eigen genoegen, evenals de kapitalisten dat deden. Maar deze genoegens
zullen dan aller deel zijn.
En het volk antwoordde: "Hoe zullen wij te werk gaan, om dit te bereiken, want het lijkt ons goed te zijn ?" En de opruiers antwoorden: "kiest dan verstandige mannen, om U aan te voeren. Uw groepen te ordenen en Uw werk te regelen, evenals de kapitalisten dit deden. Maar ziet, zij zullen Uw meester niet zijn, zoals de kapitalisten, maar uw broeders en leiders, die Uw wil doen. En zij zullen geen winsten nemen, maar het aandeel van een ieder van hen zal gelijk zijn aan dat van de overigen. Te midden van U zullen geen meesters en dienaren meer zijn, maar alleen broeders. En van tijd tot tijd, als het U past, zult gij andere verstandige mannen kiezen in plaats van de eerste, om den arbeid te regelen." En het volk luisterde en het was goed in hun ogen. Ook leek het hun geen moeilijke zaak. En allen riepen uit: "Laat het zijn zoals gij gezegd hebt, want wij zullen het doen."
En de kapitalisten hoorde het geluid van hun juichen en hoorden wat het volk zeide en de waarzeggers hoorden het ook, evenzo de valsche priesters en de machtige krijgslieden, die de kapitalisten verdedigden. En toen zij het hoorden, beefden
ze zeer, dat hun knieën tegen elkaar sloegen en zij zeiden tot elkander: "Dat is ons einde," En er waren zekere priesters van de levenden God, die niet voor de kapitalisten wilden profeteren maar erbarmen met het volk hadden.Toen ze het juichen van het volk hoorden en wat het zeide, verblijdden zij zich met grote blijdschap en dankten God voor de bevrijding. En het volk ging en deed al die dingen, die de opruiers raadden te doen. En het geschiede, zoals zij gezegd hadden volgens al hun woorden. En er was nooit meer dorst in dat land, noch was er iemand, die honger had en naakt of koud was of gebrek leed. En iedere man zeide tot zijn makker: "Mijn broeder," en elke vrouw tot haar gezellin: "Mijn zuster," want zo waren zij onder elkander als broeders en zusters, die in eensgezindheid te samen woonden. En Gods zegen ruste voor altijd op dat land.